Samenvatting onderzoek
Wat is onderzoek? – Nel Verhoeven. 5e druk
Hoofdstuk 1 – 11
Hoofdstuk 1
Onderzoek kan je zien als een reis naar je doel. Tijdens deze reis heb je een ontwerp,
dataverzameling, analyse en conclusie nodig. Voor deze reis heb je structuur nodig.
Zonder de structuur van deze uitgangspunten kan je het niet uitvoeren.
Voor je onderzoek maak je eerst een onderzoeksplan; je formuleert probleemstelling; kijkt
f andere mensen het al hebben onderzocht en wat hun conclusies waren; bepaald je
deadline en kijkt hoeveel budget je nodig hebt; overlegt met begeleider. Voor onderzoek
zijn er ook diepgaandere uitgangspunten nodig zoals:
fundamenteel of praktijkgericht?
o kennisvraag/wetenschappelijk of praktijkvraag dus probleem uit praktijk?
Kwalitatief of kwantitatief?
o In de werkelijkheid, veld of cijfermatig?
o Interviews of enquêtes?
Of zelf triangulatie?
o Kwalitatief EN kwantitatief.
Inductief of deductief?
o Inductief: thema of theorie is nog niet bekend, deze wordt gaande weg van
het onderzoek ontwikkelt. Het is theorievormend.
o Deductief: onderzoeker formuleert verwachtingen aan de hand van
bestaande theorieën en modellen. Kijken of de theorie nog wel geldig is.
Stromingen in onderzoek. Bij onderzoekstromingen horen bepaalde methoden van
dataverzameling. Dus bij elke stroming bepaalde onderzoekstypen de voorkeur hebben.
1. Empirisch-analytisch.
Onderzoek wordt verricht met behulp van een bepaalde systematiek waarnemen wat
zich in je omgeving (= ook werkelijkheid) afspeelt. Empirie betekent ‘ervaring als bron
van kennis’. De stroming is analytisch omdat ze kritisch en rationeel naar haar eigen
resultaten kijkt. Onderzoeksresultaten blijven geldig tot het tegendeel bewezen is.
Dus als een onderzoek oud is, hoeft het niet gelijk slecht te zijn. Het tegendeel is
gewoon nog niet bewezen. Deze stroming ontwerpen hun onderzoek zodat het
herhaalbaar en controleerbaar is. Ze bedenken van te voren een antwoord op hun
hoofdvraag en na dit onderzoek kijken ze of dit nog wel klopt. VEEL CIJFERMATIG,
BOEKEN.
2. Interpretatief.
Bij deze stroming gaat het vooral om interpretatie. Je uitganspunten zijn teksten,
observaties en verhalen, geen cijfers. Meestal is dit kwalitatief en inductief. Deze
stroming is bij wetenschappers die culturen bestuderen en beschrijven heel erg
populair. VOORAL ERVARING.
3. Kritisch-emancipatorisch.
Kritisch onderzoek, vaak praktijkgericht. Betrokkenheid bij de samenleving. Hier willen
onderzoekers niet alleen kritisch naar de maatschappij kijken, maar ook naar hun
1
, Laura Mulder
eigen onderzoeksresultaten. Ze willen bijdragen aan processen in de samenleving die
de emancipatie van groepen bevorderen. OBSERVATIE.
Onderzoek moet aan een aantal kwaliteitscriteria voldoen:
Onafhankelijkheid (van meningen en voorkeuren)
Toetsbaarheid van uitspraken (vooral kwantitatief)
Betrouwbaarheid (gaat over hoeveel toevallige fouten gemaakt kunnen worden)
Informativiteit
Generaliseerbaarheid (onderzoek generaliseren tot hele bevolking)
Validiteit (geldigheid, zuiverheid. We moeten zeker zijn dat we ‘meten wat we
willen weten’)
Praktische criteria (efficiëntie, bruikbaarheid)
Voor het opzetten van je onderzoek moet je je vooraf deze vragen stellen:
Wat ga ik onderzoeken?
Waarom ga ik onderzoeken?
Wie ga ik onderzoeken?
Hoe ga ik onderzoeken?
Waar ga ik onderzoeken?
Wanneer ga ik onderzoeken?
Tijdens je onderzoek moet je je deze vragen afvragen:
Zit ik nog op het juist spoor?
Waar moet ik wat veranderen?
Waar wil ik ook alweer heen?
Wat was de onderzoeksvraag eigenlijk?
Is het tijdpad nog haalbaar?
De empirische cyclus houdt in dat de meeste onderzoek
leidt tot nieuwe vragen. Dit wordt vooral gebruikt bij
praktijk gericht onderzoek. Het PTO-schema houdt in dat
je uit elk theoretisch antwoord aan nieuwe
onderzoeksvragen komt. PTO staat voor probleem theorie
onderzoek.
Je hebt verschillende fasen in je onderzoek.
1. Probleemanalyse
2. Onderzoeksontwerp
3. Dateverzameling
4. Data-analyse
5. Rapportage
2