Algemene economie en bedrijfsomgeving samenvatting
Hoofdstuk 2 Markten
2.1 Markt
Producten en aanbieders communiceren met elkaar, direct (in winkels) en indirect (via
beeldschermen). De betrekkingen tussen vragers en aanbieders van een bepaald product noemen we de
markt van dat product (onderverdeeld in productgroepen). De relevante markt is het deel van de
markt dat ondernemingen bedienen. De belangrijkste functie van markten is de prijsvorming ->
signaalfunctie voor vraag en aanbod.
Beschrijving van markten op basis van:
De geografische omvang:
- De wereldmarkt, via beurzen en de prijs is voor de hele wereld gelijk
- De nationale markt, de prijzen komen in een heel land tot stand
- De lokale markt, via de plaatselijke markt en tussen vragers en aanbieders in een kleiner gebied
Het soort product.
2.2 Bedrijfstak en bedrijfskolom
Ondernemingen die dezelfde soort producten maken met dezelfde soort productieprocessen (en
grondstoffen) vormen een bedrijfstak, deze biedt producten aan op een groep van markten.
Concurrentie is het proces van wedijver om de gunst van de afnemers.
De NACE deelt bedrijfstakken in naar economische activiteit en de vier sectoren. Statistische bureau’s
(CBS) delen in naar grootte en aantal werknemers (mirco-, kleine, middelgrote en grote
ondernemingen).
De opeenvolgende bedrijfstakken van oerproducent tot consument is een bedrijfskolom, elke tak
voegt waarde toe aan het product: het waardesysteem. De prijs van het eindproduct is gelijk aan de
toegevoegde waarde in de hele bedrijfskolom.
2.3 Economische orde
De economische orde bestaat uit de collectieve
- waarden, de doelstellingen van het gedrag (economisch bijv. winstgevendheid en zedelijk zijn
opvattingen over het menszijn)
- normen, richtlijn voor het gedrag (bijv. omgangsvormen en kleding)
- instituties, wetten, regelgeving en organisaties die het gedrag regelen
die het economisch handelen bepalen.
Er zijn markten met een grote vrijheid van handelen (geringe regelgeving en prijsmechanisme, bijv.
de meubelindustrie) en meer regelgeving zoals de gezondheidszorg.
Hoofdstuk 3 De vraag
3.1 Behoeften en consumentenvoorkeuren
Consumenten bevredigen allerlei behoeften door middel van verschillende soorten goederen en
diensten, de samenstelling van het consumptiepakket ter bevrediging van de behoeften: het
consumptiepatroon.
1
, Deze is onder invloed van:
- Demografische trends, de leeftijdsopbouw van de bevolking en de inkomensverdeling
- Veranderende levensstijlen (samenhangende normen en waarden die invloed uitoefenen op
het (koop)gedrag van individuen), de individualisering waardoor men kan kiezen tussen
elementen uit meerdere levensstijlen
De basisbehoeften zoals voeding en woonruimte zijn noodzakelijk en gericht op het fysieke
voortbestaan en de overige behoeften, prioriteiten in het aankoopgedrag van consumenten
(consumentenpreferenties), zijn bijv. veiligheid en zelfontplooiing. Veranderingen in
consumentenvoorkeuren zijn voor ondernemeningen van belang voor hun afzet, de onderneming die
hier het beste op in kan spelen heeft het grootste concurrentievoordeel:
- Marketing en consumentenvoorkeuren, ondernemingen reageren en veroorzaken zelf
veranderingen, verbeteringen en vernieuwingen. De periode waarin een product verkocht
wordt, de productlevenscyclus, wordt zo steeds korter
- Seizoen en klimaat, vraag kent een seizoenspatroon, dit kan overproductie of een tekort
veroorzaken (toevalsfactor concurrentiepositie)
- Overheidsmaatregelen¸ verplichte consumptie (verzekeringen) en het voorkomen van
consumptie (alcoholgebruik)
3.2 Prijs
Als de prijs daalt, wordt de gevraagde hoeveelheid groter, en omgekeerd (omgekeerd evenredige vraag
bij de meeste producten). Het verband kan wordt weergegeven met een vergelijking:
Q = -2p + 600
Q = gevraagde hoeveelheid
P = Prijs
Het verband tussen de prijs en de gevraagde hoeveelheid is de vraagfunctie, deze wordt weergegeven
in een vraagcurve (horizontaal de hoeveelheid en verticaal de prijs, kan verschuiven door interne en
externe factoren). Het bovenste gedeelte heeft een elastische vraag (luxegoederen, een relatief kleine
prijsverandering heeft een grote vraagverandering tot gevolg) en het onderste een inelastische vraag
(basisgoederen, de relatieve verandering van de hoeveelheid is kleiner dan de verandering van de
prijs). Het deel van de curve waar prijzen en hoeveelheden tot stand komen is het relevante deel van
de curve.
Een prijsdaling of verhoging trekt het kopen van substituten (vervangende producten) aan of af, het
substitutie-effect. Als de koopkracht van het inkomen stijgt door een prijsdaling heet dat het
inkomenseffect (stijgende vraag).
De prijselasticiteit van de vraag is de relatieve verandering van de gevraagde hoeveelheid als gevolg
van relatieve veranderingen van de prijzen (de mate waarin de vraag verandert bij een prijsverandering
van 1%), deze wordt weergeven in een formule:
Epq = %∆q : %∆p
Epq = prijselasticiteit van de vraag
%∆q = procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid
%∆p = procentuele verandering van de prijs
(tip: kruistabellen)
De omzetelasticiteit is de procentuele verandering van de omzet als gevolg van de procentuele
verandering van de prijs.
2
Hoofdstuk 2 Markten
2.1 Markt
Producten en aanbieders communiceren met elkaar, direct (in winkels) en indirect (via
beeldschermen). De betrekkingen tussen vragers en aanbieders van een bepaald product noemen we de
markt van dat product (onderverdeeld in productgroepen). De relevante markt is het deel van de
markt dat ondernemingen bedienen. De belangrijkste functie van markten is de prijsvorming ->
signaalfunctie voor vraag en aanbod.
Beschrijving van markten op basis van:
De geografische omvang:
- De wereldmarkt, via beurzen en de prijs is voor de hele wereld gelijk
- De nationale markt, de prijzen komen in een heel land tot stand
- De lokale markt, via de plaatselijke markt en tussen vragers en aanbieders in een kleiner gebied
Het soort product.
2.2 Bedrijfstak en bedrijfskolom
Ondernemingen die dezelfde soort producten maken met dezelfde soort productieprocessen (en
grondstoffen) vormen een bedrijfstak, deze biedt producten aan op een groep van markten.
Concurrentie is het proces van wedijver om de gunst van de afnemers.
De NACE deelt bedrijfstakken in naar economische activiteit en de vier sectoren. Statistische bureau’s
(CBS) delen in naar grootte en aantal werknemers (mirco-, kleine, middelgrote en grote
ondernemingen).
De opeenvolgende bedrijfstakken van oerproducent tot consument is een bedrijfskolom, elke tak
voegt waarde toe aan het product: het waardesysteem. De prijs van het eindproduct is gelijk aan de
toegevoegde waarde in de hele bedrijfskolom.
2.3 Economische orde
De economische orde bestaat uit de collectieve
- waarden, de doelstellingen van het gedrag (economisch bijv. winstgevendheid en zedelijk zijn
opvattingen over het menszijn)
- normen, richtlijn voor het gedrag (bijv. omgangsvormen en kleding)
- instituties, wetten, regelgeving en organisaties die het gedrag regelen
die het economisch handelen bepalen.
Er zijn markten met een grote vrijheid van handelen (geringe regelgeving en prijsmechanisme, bijv.
de meubelindustrie) en meer regelgeving zoals de gezondheidszorg.
Hoofdstuk 3 De vraag
3.1 Behoeften en consumentenvoorkeuren
Consumenten bevredigen allerlei behoeften door middel van verschillende soorten goederen en
diensten, de samenstelling van het consumptiepakket ter bevrediging van de behoeften: het
consumptiepatroon.
1
, Deze is onder invloed van:
- Demografische trends, de leeftijdsopbouw van de bevolking en de inkomensverdeling
- Veranderende levensstijlen (samenhangende normen en waarden die invloed uitoefenen op
het (koop)gedrag van individuen), de individualisering waardoor men kan kiezen tussen
elementen uit meerdere levensstijlen
De basisbehoeften zoals voeding en woonruimte zijn noodzakelijk en gericht op het fysieke
voortbestaan en de overige behoeften, prioriteiten in het aankoopgedrag van consumenten
(consumentenpreferenties), zijn bijv. veiligheid en zelfontplooiing. Veranderingen in
consumentenvoorkeuren zijn voor ondernemeningen van belang voor hun afzet, de onderneming die
hier het beste op in kan spelen heeft het grootste concurrentievoordeel:
- Marketing en consumentenvoorkeuren, ondernemingen reageren en veroorzaken zelf
veranderingen, verbeteringen en vernieuwingen. De periode waarin een product verkocht
wordt, de productlevenscyclus, wordt zo steeds korter
- Seizoen en klimaat, vraag kent een seizoenspatroon, dit kan overproductie of een tekort
veroorzaken (toevalsfactor concurrentiepositie)
- Overheidsmaatregelen¸ verplichte consumptie (verzekeringen) en het voorkomen van
consumptie (alcoholgebruik)
3.2 Prijs
Als de prijs daalt, wordt de gevraagde hoeveelheid groter, en omgekeerd (omgekeerd evenredige vraag
bij de meeste producten). Het verband kan wordt weergegeven met een vergelijking:
Q = -2p + 600
Q = gevraagde hoeveelheid
P = Prijs
Het verband tussen de prijs en de gevraagde hoeveelheid is de vraagfunctie, deze wordt weergegeven
in een vraagcurve (horizontaal de hoeveelheid en verticaal de prijs, kan verschuiven door interne en
externe factoren). Het bovenste gedeelte heeft een elastische vraag (luxegoederen, een relatief kleine
prijsverandering heeft een grote vraagverandering tot gevolg) en het onderste een inelastische vraag
(basisgoederen, de relatieve verandering van de hoeveelheid is kleiner dan de verandering van de
prijs). Het deel van de curve waar prijzen en hoeveelheden tot stand komen is het relevante deel van
de curve.
Een prijsdaling of verhoging trekt het kopen van substituten (vervangende producten) aan of af, het
substitutie-effect. Als de koopkracht van het inkomen stijgt door een prijsdaling heet dat het
inkomenseffect (stijgende vraag).
De prijselasticiteit van de vraag is de relatieve verandering van de gevraagde hoeveelheid als gevolg
van relatieve veranderingen van de prijzen (de mate waarin de vraag verandert bij een prijsverandering
van 1%), deze wordt weergeven in een formule:
Epq = %∆q : %∆p
Epq = prijselasticiteit van de vraag
%∆q = procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid
%∆p = procentuele verandering van de prijs
(tip: kruistabellen)
De omzetelasticiteit is de procentuele verandering van de omzet als gevolg van de procentuele
verandering van de prijs.
2