Transculturele hulpverlening
Deel 1: inleiding
1.Ter inleiding
- Microniveau: voorgeschiedenis cliënt/begeleider
- Mesoniveau: cultureel gemeenschap, sociaal netwerk en andere hulpverlening
- Macroniveau: mens en wereldbeschouwing
3.Kiezen voor (etnische) culturele diversiteit
1.Diversiteit
- Diversiteit = alle aspecten waarin we van elkaar verschillen.
o Duidelijk zichtbaar (vb. leeftijd, geslacht,…)
o Verscholen (vb. intelligentie, religie,…)
- Identiteitscirkel = geeft de dimensies/domeinen weer die een rol spelen in het leven van de zorg.
2.Iedereen uniek?
- Sommige auteurs → Samenleving = unieke individuen die niet met elkaar in verbinding staan.
o Individuen: Sociale verbinden en delen opvattingen met elkaar
Stelling superdiversiteit:
- Categorieën ‘autochtoon-allochtoon’ blijven bestaan
- Majority minority cities = etnische minderheden vormen een meerderheid.
3.Intersectioneel en caleidoscopisch denken
- Maatschappij:
o Dominante groepen = groepen met macht.
o Minderheidsgroepen = groepen zonder macht.
- Intersectionaliteit/kruispuntdenken = beschrijft machtsrelaties in de samenleving. (vb. discriminatie)
Beïnvloed de machtsposities
- White privilege = voordelen van blanke mensen tegenover mensen van andere etnische groepen:
o Dominante groepen bezien minderheidsgroepen ‘anders’
o Dit zorgt voor wij-/zijopdeling
o Gevaar: dominante groep normaal, minderheidsgroep moet zich aanpassen
- (Etnische) cultuur = belangrijke maatschappelijke kracht en verbindingsfactor:
o Hulpverleners = bewust van invloed cultuur op gedrag
o Biedt referentiekader, betekenisgeving en reguleert relaties/emoties
o Individuen willen aanvaard worden zoals ze zijn
1
,4.De paradoxe relatie tussen hulpverlening en cultuur: van ‘alles is cultuur’ naar ‘cultuur is niet alles’
- Hulpverlening = in relatie met cultuur. (cultuur = struikelblok/houvast)
- Valkuil: cultuur wordt gebruikt voor alle verschillen
Geschiedenis culturele zorg in Vlaanderen:
- 1980: Hulpverlening aan Turken en Marokkanen
o Cultuur = verklarend voor gedrag van Turkse/Marokkaanse gastarbeiders
- 1990: Migrantenhulpverlening
o Cultuur + socio-economische situatie = verklarend voor gedrag Turkse/Marokkaanse
gastarbeiders
o Hulpverlening → Culturele kennis = kennis over cliënt. (vb. waarden, normen,…)
- 2000: Interculturele (transculturele) hulpverlening
o Cultuur = probleem, ontmoeting met andere cultuur = probleem
o Hulpverlening → Cultureel bewustzijn = openstaan voor de verschillen.
- 2010: Cultuurgevoelige hulpverlening
o Hulpverlening → Culturele sensitiviteit = verschillen erkennen zonder oordeel.
- 20…: Diversiteitsbewuste hulpverlening
o Superdiversiteit = verscheidenheid
o Hulpverleners moeten kunnen omgaan met verschillen (vb. leeftijd, geslacht,…)
Etnische-culturele verschillen overbruggen:
Andersculturele cliënt Verschillende eigenschappen nodig (vb. taal, leeftijd) Andersculturele zorgverlener
2
, 2.Componenten transculturele competentie
Transculturele competentie = geheel van kennis, vaardigheden en attitudes om hulpaanbod te realiseren
ongeacht cultuur van hulpvrager.
Het model van Fantini:
A = attitude ‘Proces van becoming’
S = vaardigheden → Nieuwe uitdagingen blijven aanbieden
K = kennis
A+ = bewustwording
1.Bewustwording (= mindfulness)
Bewustwording/mindfulness = aandacht besteden aan interculturele situaties.
2.Culturele kennisverwerving
1. Kennis van ‘cultuur’ + basisprincipes
2. Kennis over andere culturen (vb. leefwereld van andere cultuur: opvoeden,…)
3.Culturele zelfkennis (attitude)
Attitude = totaal van gedachten, gedragingen en gevoelens ten opzichte van iets/iemand.
Attitude componenten van Ajzen:
1. Cognitief component = kennen/opvattingen.
2. Affectief component = gevoelens/emoties.
3. Conatief component = wil/streven.
Kruin = gedrag persoon.
Stam = attitude/houding persoon.
Wortels = waarden/normen persoon.
4.Culturele basisvaardigheden
1. Culturele flexibiliteit = kunnen omgaan met culturele verschillen
2. Culturele veerkracht = kunnen omgaan met moeilijkheden/negatieve gevoelens.
3. Culturele communicatieve vaardigheden = kunnen omgaan met verschil in communicatie/taal.
4. Culturele conflicthantering = kunnen omgaan met verschillen.
5. Culturele multiperspectiviteit = inclusief denken/handelen → vanuit meerdere invalshoeken.
5.Definities
- Multicultureel = aanduiding op verschillende systemen.
- Inter = interactie tussen personen.
- Cross-cultureel = Engels voor Inter.
- Trans = grensoverschrijdend.
- Transculturalisatie = veranderingsproces:
1. Overbruggen cultuurverschillen = centraal
2. Verandering door intercultureel leren
3
Deel 1: inleiding
1.Ter inleiding
- Microniveau: voorgeschiedenis cliënt/begeleider
- Mesoniveau: cultureel gemeenschap, sociaal netwerk en andere hulpverlening
- Macroniveau: mens en wereldbeschouwing
3.Kiezen voor (etnische) culturele diversiteit
1.Diversiteit
- Diversiteit = alle aspecten waarin we van elkaar verschillen.
o Duidelijk zichtbaar (vb. leeftijd, geslacht,…)
o Verscholen (vb. intelligentie, religie,…)
- Identiteitscirkel = geeft de dimensies/domeinen weer die een rol spelen in het leven van de zorg.
2.Iedereen uniek?
- Sommige auteurs → Samenleving = unieke individuen die niet met elkaar in verbinding staan.
o Individuen: Sociale verbinden en delen opvattingen met elkaar
Stelling superdiversiteit:
- Categorieën ‘autochtoon-allochtoon’ blijven bestaan
- Majority minority cities = etnische minderheden vormen een meerderheid.
3.Intersectioneel en caleidoscopisch denken
- Maatschappij:
o Dominante groepen = groepen met macht.
o Minderheidsgroepen = groepen zonder macht.
- Intersectionaliteit/kruispuntdenken = beschrijft machtsrelaties in de samenleving. (vb. discriminatie)
Beïnvloed de machtsposities
- White privilege = voordelen van blanke mensen tegenover mensen van andere etnische groepen:
o Dominante groepen bezien minderheidsgroepen ‘anders’
o Dit zorgt voor wij-/zijopdeling
o Gevaar: dominante groep normaal, minderheidsgroep moet zich aanpassen
- (Etnische) cultuur = belangrijke maatschappelijke kracht en verbindingsfactor:
o Hulpverleners = bewust van invloed cultuur op gedrag
o Biedt referentiekader, betekenisgeving en reguleert relaties/emoties
o Individuen willen aanvaard worden zoals ze zijn
1
,4.De paradoxe relatie tussen hulpverlening en cultuur: van ‘alles is cultuur’ naar ‘cultuur is niet alles’
- Hulpverlening = in relatie met cultuur. (cultuur = struikelblok/houvast)
- Valkuil: cultuur wordt gebruikt voor alle verschillen
Geschiedenis culturele zorg in Vlaanderen:
- 1980: Hulpverlening aan Turken en Marokkanen
o Cultuur = verklarend voor gedrag van Turkse/Marokkaanse gastarbeiders
- 1990: Migrantenhulpverlening
o Cultuur + socio-economische situatie = verklarend voor gedrag Turkse/Marokkaanse
gastarbeiders
o Hulpverlening → Culturele kennis = kennis over cliënt. (vb. waarden, normen,…)
- 2000: Interculturele (transculturele) hulpverlening
o Cultuur = probleem, ontmoeting met andere cultuur = probleem
o Hulpverlening → Cultureel bewustzijn = openstaan voor de verschillen.
- 2010: Cultuurgevoelige hulpverlening
o Hulpverlening → Culturele sensitiviteit = verschillen erkennen zonder oordeel.
- 20…: Diversiteitsbewuste hulpverlening
o Superdiversiteit = verscheidenheid
o Hulpverleners moeten kunnen omgaan met verschillen (vb. leeftijd, geslacht,…)
Etnische-culturele verschillen overbruggen:
Andersculturele cliënt Verschillende eigenschappen nodig (vb. taal, leeftijd) Andersculturele zorgverlener
2
, 2.Componenten transculturele competentie
Transculturele competentie = geheel van kennis, vaardigheden en attitudes om hulpaanbod te realiseren
ongeacht cultuur van hulpvrager.
Het model van Fantini:
A = attitude ‘Proces van becoming’
S = vaardigheden → Nieuwe uitdagingen blijven aanbieden
K = kennis
A+ = bewustwording
1.Bewustwording (= mindfulness)
Bewustwording/mindfulness = aandacht besteden aan interculturele situaties.
2.Culturele kennisverwerving
1. Kennis van ‘cultuur’ + basisprincipes
2. Kennis over andere culturen (vb. leefwereld van andere cultuur: opvoeden,…)
3.Culturele zelfkennis (attitude)
Attitude = totaal van gedachten, gedragingen en gevoelens ten opzichte van iets/iemand.
Attitude componenten van Ajzen:
1. Cognitief component = kennen/opvattingen.
2. Affectief component = gevoelens/emoties.
3. Conatief component = wil/streven.
Kruin = gedrag persoon.
Stam = attitude/houding persoon.
Wortels = waarden/normen persoon.
4.Culturele basisvaardigheden
1. Culturele flexibiliteit = kunnen omgaan met culturele verschillen
2. Culturele veerkracht = kunnen omgaan met moeilijkheden/negatieve gevoelens.
3. Culturele communicatieve vaardigheden = kunnen omgaan met verschil in communicatie/taal.
4. Culturele conflicthantering = kunnen omgaan met verschillen.
5. Culturele multiperspectiviteit = inclusief denken/handelen → vanuit meerdere invalshoeken.
5.Definities
- Multicultureel = aanduiding op verschillende systemen.
- Inter = interactie tussen personen.
- Cross-cultureel = Engels voor Inter.
- Trans = grensoverschrijdend.
- Transculturalisatie = veranderingsproces:
1. Overbruggen cultuurverschillen = centraal
2. Verandering door intercultureel leren
3