Voorbeeld examenvragen reeks 2
Hoofdstuk 1 t.e.m. 9
Zijn deze stellingen juist, fout of beide? Argumenteer.
Stelling 1
Voor een soort is er maar één bron belangrijk, bovendien is die bron onbeperkt beschikbaar.
De maximale populatiedensiteit van die soort zal altijd bepaald worden door intraspecifieke
concurrentie.
JUIST/ FOUT / BEIDE
Intraspecifieke concurrentie is concurrentie tussen soortgenoten binnen dezelfde
populatie. Indien er geen andere factoren de opname van een bron
verhinderen, bepaalt de beschikbaarheid van de bron de maximale omvang van
de populatie (= draagkracht). Met andere woorden zijn alle individuen die erbij
komen er evenveel als de individuen die eruit vallen.
Er zijn andere factoren die de opname van de bron kunnen verhinderen,
waardoor (als de factoren sterk genoeg “spelen”) de populatie haar draagkracht
bereikt:
- Andere omgevingsfactoren (condities, bv. Vervuiling, klimaat, beperking
in ruimte, …)
- Andere organismen die ook gebruik maken van die bron, we spreken van
interspecifieke concurrentie.
Als er andere factoren zijn dan zal er een evenwicht moeten zijn tussen wanneer
welke vorm van concurrentie gaat spelen en dan kan het zijn dat een bepaalde
populatie nooit zijn maximale draagkracht behaalt.
Stelling 2
Predatie is voor een individu in een populatie (de prooi) altijd nadelig. Predatie is echter niet
altijd nadelig voor de hele populatie.
JUIST/ FOUT / BEIDE
Predatie is een vorm van contramensalisme (+/-- relatie)
- Voor één organisme een voordeel “+” (predator)
- Voor het ander organisme een nadeel “-“ (prooi, meestal héél erg “-“)
Predatoren jagen (foerageren) efficiënt; de zwakke prooi wordt als eerste
gevangen. De zwakste dieren zijn de traagste, oudste, zieke of de minst
beschermde dieren in een kudde. Predatie haalt dus “de zwakste schakels” uit de
populatie waardoor de algemene (eng: overall) fitness van de populatie stijgt
(cfr. Voorbeeld jacht op duiven).
Hoofdstuk 1 t.e.m. 9
Zijn deze stellingen juist, fout of beide? Argumenteer.
Stelling 1
Voor een soort is er maar één bron belangrijk, bovendien is die bron onbeperkt beschikbaar.
De maximale populatiedensiteit van die soort zal altijd bepaald worden door intraspecifieke
concurrentie.
JUIST/ FOUT / BEIDE
Intraspecifieke concurrentie is concurrentie tussen soortgenoten binnen dezelfde
populatie. Indien er geen andere factoren de opname van een bron
verhinderen, bepaalt de beschikbaarheid van de bron de maximale omvang van
de populatie (= draagkracht). Met andere woorden zijn alle individuen die erbij
komen er evenveel als de individuen die eruit vallen.
Er zijn andere factoren die de opname van de bron kunnen verhinderen,
waardoor (als de factoren sterk genoeg “spelen”) de populatie haar draagkracht
bereikt:
- Andere omgevingsfactoren (condities, bv. Vervuiling, klimaat, beperking
in ruimte, …)
- Andere organismen die ook gebruik maken van die bron, we spreken van
interspecifieke concurrentie.
Als er andere factoren zijn dan zal er een evenwicht moeten zijn tussen wanneer
welke vorm van concurrentie gaat spelen en dan kan het zijn dat een bepaalde
populatie nooit zijn maximale draagkracht behaalt.
Stelling 2
Predatie is voor een individu in een populatie (de prooi) altijd nadelig. Predatie is echter niet
altijd nadelig voor de hele populatie.
JUIST/ FOUT / BEIDE
Predatie is een vorm van contramensalisme (+/-- relatie)
- Voor één organisme een voordeel “+” (predator)
- Voor het ander organisme een nadeel “-“ (prooi, meestal héél erg “-“)
Predatoren jagen (foerageren) efficiënt; de zwakke prooi wordt als eerste
gevangen. De zwakste dieren zijn de traagste, oudste, zieke of de minst
beschermde dieren in een kudde. Predatie haalt dus “de zwakste schakels” uit de
populatie waardoor de algemene (eng: overall) fitness van de populatie stijgt
(cfr. Voorbeeld jacht op duiven).