Voorbeeld examenvragen reeks 1
Hoofdstuk 1 en 2
Zijn deze stellingen juist, fout of beide? Argumenteer.
Stelling 1
De weka (Gallirallus australis), de kakapo (Strigops habroptila) en de takah ́e
(Porphyrio hochstet- teri) zijn drie vogelsoorten (geen verwantschap met elkaar)
van Nieuw-Zeeland. Het feit dat al deze soorten loopvogels zijn (met weinig of
niet ontwikkelde vleugels) is een voorbeeld van divergente evolutie.
JUIST/FOUT
Dit is een vorm van convergente evolutie. De soorten tonen geen verwantschap
(geen gemeenschappelijke voorouder, op biologisch relevante tijdschaal). Ze
hebben gelijkaardige kenmerken maar het zijn verschillende soorten. Ze komen
in dezelfde (ecologische, biologische) “omstandigheden” voor ( ecologische
niche) en hebben zich daar op eenzelfde manier aan aangepast: adaptatie (=
evolutie).
De soorten vertonen gelijke kenmerken maar hebben een verschillende
voorouder: convergente evolutie.
Convergente evolutie is evolutie waarbij verschillende soorten gelijkaardige
eigenschappen beginnen te vertonen omwille van biologische evolutie en omdat
ze dezelfde ecologische niche inemen en dus opdezelfde plaatsen voorkomen,
dezelfde bronnen gebruiken en dus dezelfde habitat innemen.
Divergente evolutie is de evolutie waarbij gelijke soorten, soorten die
eenzelfde voorouder hebbenn uit elkaar evolueren omdat deze soorten op andere
plaatsen terechtkomen en omdat ze verschillende ecologische niches innemen.
Stelling 2
Op een eiland leeft een knaagdier dat leeft van noten die van de bomen vallen.
Een paar individuen ontwikkelen het vermogen om in bomen te kunnen klimmen
en kunnen op die manier sneller en aan meer voedsel geraken, maar omwille van
de afwijkende lichaamsbouw krijgen deze individuen veel minder (of geen)
nakomelingen (er is geen kruising mogelijk tussen de boom- en
grondknaagdieren). Door biologische evolutie zal er een nieuwe soort ontstaan
op dit eiland.
JUIST/FOUT
Er vindt een vorm van variatie plaats: bepaalde individuen ontwilleen
eigenschappen die voordeel hebben ten opzichte van andere eigenschappen. In
dit geval kunnen deze individuen in bomen klimmen en zo dus sneller en beter
aan voedsel geraken. Dit zou het startschot voor biologische evolutie kunnen zijn.
Hoofdstuk 1 en 2
Zijn deze stellingen juist, fout of beide? Argumenteer.
Stelling 1
De weka (Gallirallus australis), de kakapo (Strigops habroptila) en de takah ́e
(Porphyrio hochstet- teri) zijn drie vogelsoorten (geen verwantschap met elkaar)
van Nieuw-Zeeland. Het feit dat al deze soorten loopvogels zijn (met weinig of
niet ontwikkelde vleugels) is een voorbeeld van divergente evolutie.
JUIST/FOUT
Dit is een vorm van convergente evolutie. De soorten tonen geen verwantschap
(geen gemeenschappelijke voorouder, op biologisch relevante tijdschaal). Ze
hebben gelijkaardige kenmerken maar het zijn verschillende soorten. Ze komen
in dezelfde (ecologische, biologische) “omstandigheden” voor ( ecologische
niche) en hebben zich daar op eenzelfde manier aan aangepast: adaptatie (=
evolutie).
De soorten vertonen gelijke kenmerken maar hebben een verschillende
voorouder: convergente evolutie.
Convergente evolutie is evolutie waarbij verschillende soorten gelijkaardige
eigenschappen beginnen te vertonen omwille van biologische evolutie en omdat
ze dezelfde ecologische niche inemen en dus opdezelfde plaatsen voorkomen,
dezelfde bronnen gebruiken en dus dezelfde habitat innemen.
Divergente evolutie is de evolutie waarbij gelijke soorten, soorten die
eenzelfde voorouder hebbenn uit elkaar evolueren omdat deze soorten op andere
plaatsen terechtkomen en omdat ze verschillende ecologische niches innemen.
Stelling 2
Op een eiland leeft een knaagdier dat leeft van noten die van de bomen vallen.
Een paar individuen ontwikkelen het vermogen om in bomen te kunnen klimmen
en kunnen op die manier sneller en aan meer voedsel geraken, maar omwille van
de afwijkende lichaamsbouw krijgen deze individuen veel minder (of geen)
nakomelingen (er is geen kruising mogelijk tussen de boom- en
grondknaagdieren). Door biologische evolutie zal er een nieuwe soort ontstaan
op dit eiland.
JUIST/FOUT
Er vindt een vorm van variatie plaats: bepaalde individuen ontwilleen
eigenschappen die voordeel hebben ten opzichte van andere eigenschappen. In
dit geval kunnen deze individuen in bomen klimmen en zo dus sneller en beter
aan voedsel geraken. Dit zou het startschot voor biologische evolutie kunnen zijn.