Referentiekader
1.1volgens de ti jd
7 historische periodes?
1. Prehistorie of oudste tijden ( begin mensheid – 3500 v.C)
Begin van de mensheid
2. Oude nabije oosten ( 3500 v.C – 800 v.C )
Schrift
3. Klassieke oudheid ( 800 v.C – 500)
eerste olympische spelen en de stichting van Rome
4. Middeleeuwen ( 500 – 1500 )
Val van het WRR
5. Nieuwe tijd ( 1500 – 1800)
Val van het ORR/ boekdrukkunst/ ontdekking van Amerika
6. Nieuwste tijd ( 1800 – 1945)
Franse revolutie/ industriële revolutie
7. Eigen tijd ( 1945 – nu)
Einde WOII
Iets typisch voor die periode?
1. Periode van de ongeschreven bronnen
2. Stroomculturen: Egypte, Mesopotamië, Assyrië
3. Griekse romeinse beschaving
4. Donkere periode: kerk centraal, pest, kruistochten, oorlogen, burchten,..
5. Periode van de revolutionaire vernieuwingen: boekdrukkunst, humanisme, verlichting, mens
centraal, godsdienstoorlogen,…
6. Kantelend tijdperk, lange 19de eeuw, wereldoorlogen,…
7. Bipolariteit, actualiteit, globalisering,…
Continuïteit?= een doorlopend verhaal (evolutie)
Discontinuïteit?= een versnelling of een breuk (revolutie)
1.2 volgens de ruimte
ruimtelijk referentiekader?
wanneer we ons oriënteren aan de hand van de ruimte
, 1.3 volgens de socialiteit of maatschappelijk domein
4 domeinen?
1. Economie = het voorzien in de basisbehoeften van de mensen
2. Sociaal = groepen in de samenleving en hun onderlinge verhouding
3. Politiek = het grondgebied en het bestuur van een volk
4. Cultuur = wetenschap, kunst, religie
Socialiteit?
het overlappen van domeinen
1.4 volgens de levenswijze van de mens
4 golven van de beschaving?
1. Voedselverzamelaars-jagers
2. industriële samenleving
3. Landbouwsamenleving
4. Post-industriële samenleving
1.1volgens de ti jd
7 historische periodes?
1. Prehistorie of oudste tijden ( begin mensheid – 3500 v.C)
Begin van de mensheid
2. Oude nabije oosten ( 3500 v.C – 800 v.C )
Schrift
3. Klassieke oudheid ( 800 v.C – 500)
eerste olympische spelen en de stichting van Rome
4. Middeleeuwen ( 500 – 1500 )
Val van het WRR
5. Nieuwe tijd ( 1500 – 1800)
Val van het ORR/ boekdrukkunst/ ontdekking van Amerika
6. Nieuwste tijd ( 1800 – 1945)
Franse revolutie/ industriële revolutie
7. Eigen tijd ( 1945 – nu)
Einde WOII
Iets typisch voor die periode?
1. Periode van de ongeschreven bronnen
2. Stroomculturen: Egypte, Mesopotamië, Assyrië
3. Griekse romeinse beschaving
4. Donkere periode: kerk centraal, pest, kruistochten, oorlogen, burchten,..
5. Periode van de revolutionaire vernieuwingen: boekdrukkunst, humanisme, verlichting, mens
centraal, godsdienstoorlogen,…
6. Kantelend tijdperk, lange 19de eeuw, wereldoorlogen,…
7. Bipolariteit, actualiteit, globalisering,…
Continuïteit?= een doorlopend verhaal (evolutie)
Discontinuïteit?= een versnelling of een breuk (revolutie)
1.2 volgens de ruimte
ruimtelijk referentiekader?
wanneer we ons oriënteren aan de hand van de ruimte
, 1.3 volgens de socialiteit of maatschappelijk domein
4 domeinen?
1. Economie = het voorzien in de basisbehoeften van de mensen
2. Sociaal = groepen in de samenleving en hun onderlinge verhouding
3. Politiek = het grondgebied en het bestuur van een volk
4. Cultuur = wetenschap, kunst, religie
Socialiteit?
het overlappen van domeinen
1.4 volgens de levenswijze van de mens
4 golven van de beschaving?
1. Voedselverzamelaars-jagers
2. industriële samenleving
3. Landbouwsamenleving
4. Post-industriële samenleving