1. Kennis verwerven
1.1 Methoden om kennis te hebben of te verwerven
● Kennis
= dat wat geweten en toegepast wordt door de mens en maatschappij als geheel
→ gezond verstand en wetenschappelijke kennis:
verschillen in hoe kennis tot stand kwam
● Doel van het vak:
1. kennisclaims kritisch te leren beoordelen
2. tot stand komen van kennis leren evalueren
3. om interessante vragen te leren beantwoorden
● Methoden om kennis te vergaren
= manieren waarop een persoon dingen kan weten of antwoorden op vragen kan
ontdekken
→ wetenschappelijk en niet-wetenschappelijk
● Niet-wetenschappelijke methoden:
1. vasthoudendheid / tenacity
2. intuïtie
3. autoriteit
4. rationalisme
5. empirie
● Vasthoudendheid / tenacity
= we accepteren info als waar omdat het altijd zo geweest is of omdat bijgeloof
de info ondersteunt
→ gebaseerd op gewoonte en bijgeloof
→ geloven iets omdat we het altijd geloofd hebben (clichés) of omdat bepaalde
overtuigingen worden voorgesteld als feiten
→ maar: info kan foutief zijn en corrigeren is moeilijk
● Intuïtie
= we accepteren info als waar omdat dit juist aanvoelt
→ gebaseerd op buikgevoel, voorgevoel en instinct
→ snelle manier om vragen te beantwoorden
→ vaak gebruikt als we over geen info beschikken
→ bv.: voor oplossen van ethische vraagstukken of morele dilemma’s
→ maar: geen enkele manier om accurate en foutieve info te onderscheiden
● Autoriteit
= we accepteren info als waar omdat info afkomstig is van een expert rond dat
onderwerp
→ gebaseerd op vertrouwen in autoriteit of een expert
→ expert breed begrip: prof, google, wikipedia, …
→ snel en makkelijk standpunt om kennis te vergaren
→ methode van geloof
1
, = blind vertrouwen in een autoriteitsfiguur waardoor we diens info accepteren
zonder twijfel of toetsing
→ maar: levert niet altijd accurate info op:
1. gebiaste experts
2. info op subjectieve info gereflecteerd
3. expertise gegeneraliseerd naar domeinen
4. expertise niet in vraag gesteld
5. expert is niet echt een expert
● Rationalisme
= antwoorden zoeken door logisch te redeneren vertrekkende vanuit een gekende
feiten of assumpties (premissen) en daaruit een logische conclusie te trekken
→ argument: premissen + logische conclusie
→ conclusie is correct indien premissen waar zijn en gehanteerde logica correct is
→ rationele methode start pas na de premissen
→ geen info verzameld, geen observaties, geen evidentie, …
→ vaak gebruikt om alternatieven logisch af te wegen zonder uit te proberen
→ maar: alles valt of staat bij juistheid premissen en logisch redeneren
→ mens is niet goed in logisch redeneren
● Empirie
= antwoorden zoeken door directe observatie of directe sensorische ervaring
→ kennis verwerven via zintuigen en door wereld rond ons te observeren
→ maar: onze waarneming en interpretatie zijn niet altijd correct:
1. sensorische ervaring kan ons misleiden (bv.: optische illusie)
2. invloed van voorkennis, verwachtingen en gevoelens op perceptie
3. misinterpretatie van sensorische ervaring
4. kost tijd door trial-and-error
5. kan gevaarlijk zijn (bv.: paddenstoel eetbaar of giftig?)
● Vasthoudendheid, intuïtie en autoriteit zijn niet-kritische technieken:
nuttig voor beantwoorden van vragen die geen belangrijke consequenties hebben
indien een fout antwoord
● Rationalisme en empirie zijn kritischere technieken:
stellen meer eisen aan info en antwoorden die ze produceren
→ cruciale componenten van wetenschappelijke methode
1.2 Wetenschappelijke methode
● Manier om kennis te vergaren waarbij specifieke vragen geformuleerd worden en
er vervolgens systematisch naar antwoorden gezocht wordt
● Doel: zo accuraat mogelijke antwoorden bekomen
● Stap 1:
observatie van gedrag of andere fenomenen
2
, → trekt je aandacht, roept vragen op
→ vaak informeel, natuurlijk, niet gepland en niet systematisch
→ direct of indirect
→ observaties vaak gegeneraliseerd
→ inductie = op basis van enkele observaties een algemene conclusie bereiken
● Stap 2:
hypotheses vormen
→ identificatie van variabelen die geassocieerd zijn met je observatie
→ observaties kunnen beïnvloed worden door verschillende variabelen die de
observatie (deels) kunnen verklaren
→ hypothese = mogelijke, voorlopige verklaring die getest en kritisch
geëvalueerd moet worden
→ bevat beschrijving of verklaring van relatie tussen variabelen
→ andere mogelijke verklaringen niet ontkend maar nog niet opgenomen
● Stap 3:
predicties vormen
→ toepassen van hypothese op specifieke, observeerbare situatie
→ 1 hypothese kan aanleiding geven tot verschillende predicties
→ predicties moeten toetsbaar zijn:
moet ondersteund of weerlegd kunnen worden
→ vorming predicties: deductie
= op basis van algemene stelling conclusies bereiken over specifieke
voorbeelden
→ logisch proces (rationele methode)
● Stap 4:
evalueren van predictie via systematische, geplande observatie (empirie)
→ onderzoek of dataverzameling
→ doel: faire en niet-gebiaste test van onderzoekshypothese door te observeren
of predictie correct is
→ los van subjectieve interpretatie en verwachtingen
● Stap 5:
via observaties hypothese ondersteunen, weerleggen of herspecifiëren
→ observaties vergelijken met predicties gebaseerd op hypothese
→ terug naar stap 2: hypothesevorming
● Circulair proces
= serie van stappen die steeds opnieuw doorlopen worden
● Principes:
1. empirisch
2. openbaar
3. objectief
● Empirisch:
zoeken antwoorden via gestructureerde systematische observaties
→ gestructureerd: duidelijke ondersteuning of weerlegging bieden
3
, → systematisch: uitgevoerd in set van condities zodat vraag accuraat
beantwoord wordt
● Openbaar:
observaties zijn beschikbaar voor evaluaties van anderen
→ replicatie: anderen moeten exact hetzelfde proces kunnen herhalen
→ verzekert verifieerbaarheid van observaties
→ via publicaties, presentaties, open data, …
→ peer review
→ vergt gedetailleerde beschrijving van methode
→ laat toe om observaties te repliceren en zo bevindingen te bevestigen of
weerleggen
● Objectief:
overtuigingen en biases van onderzoeker mogen geen invloed hebben op
resultaten van de studie
→ soms blinde procedures waarbij onderzoekers die observaties verzamelen blind
zijn voor details van de studie
● Pseudowetenschap
→ ontbreken van empirische evidentie
→ geen toetsbare en weerlegbare hypotheses
→ gebaseerd op subjectief bewijs (“handpicking” van succesverhalen)
→ stagneert, blijft onveranderd door jaren heen
→ niet gegrond in vorig onderzoek
→ bv.: astrologie
● Variabelen
= karakteristieken of condities die variëren binnen en/of tussen verschillende
personen
1.3 Empirische cyclus
● Kwantitatief onderzoek
= onderzoekt variabelen die typisch variëren in kwantiteit
→ data zijn meestal numerieke scores die samengevat, geanalyseerd en
geïnterpreteerd kunnen worden via standaard statistische procedures
→ bv.: grootte, omvang, hoeveelheid, …
● Kwalitatief onderzoek
→ data zijn meestal narratief van aard
→ bv.: verslagen, opnames, …
→ nauwgezette observaties, interviews, …
→ vaak gebruikt door antropologen
● Opdeling van onderzoek is artificieel:
kwantitatief en kwalitatief onderzoek gaan vaak samen en versterken elkaar
4
1.1 Methoden om kennis te hebben of te verwerven
● Kennis
= dat wat geweten en toegepast wordt door de mens en maatschappij als geheel
→ gezond verstand en wetenschappelijke kennis:
verschillen in hoe kennis tot stand kwam
● Doel van het vak:
1. kennisclaims kritisch te leren beoordelen
2. tot stand komen van kennis leren evalueren
3. om interessante vragen te leren beantwoorden
● Methoden om kennis te vergaren
= manieren waarop een persoon dingen kan weten of antwoorden op vragen kan
ontdekken
→ wetenschappelijk en niet-wetenschappelijk
● Niet-wetenschappelijke methoden:
1. vasthoudendheid / tenacity
2. intuïtie
3. autoriteit
4. rationalisme
5. empirie
● Vasthoudendheid / tenacity
= we accepteren info als waar omdat het altijd zo geweest is of omdat bijgeloof
de info ondersteunt
→ gebaseerd op gewoonte en bijgeloof
→ geloven iets omdat we het altijd geloofd hebben (clichés) of omdat bepaalde
overtuigingen worden voorgesteld als feiten
→ maar: info kan foutief zijn en corrigeren is moeilijk
● Intuïtie
= we accepteren info als waar omdat dit juist aanvoelt
→ gebaseerd op buikgevoel, voorgevoel en instinct
→ snelle manier om vragen te beantwoorden
→ vaak gebruikt als we over geen info beschikken
→ bv.: voor oplossen van ethische vraagstukken of morele dilemma’s
→ maar: geen enkele manier om accurate en foutieve info te onderscheiden
● Autoriteit
= we accepteren info als waar omdat info afkomstig is van een expert rond dat
onderwerp
→ gebaseerd op vertrouwen in autoriteit of een expert
→ expert breed begrip: prof, google, wikipedia, …
→ snel en makkelijk standpunt om kennis te vergaren
→ methode van geloof
1
, = blind vertrouwen in een autoriteitsfiguur waardoor we diens info accepteren
zonder twijfel of toetsing
→ maar: levert niet altijd accurate info op:
1. gebiaste experts
2. info op subjectieve info gereflecteerd
3. expertise gegeneraliseerd naar domeinen
4. expertise niet in vraag gesteld
5. expert is niet echt een expert
● Rationalisme
= antwoorden zoeken door logisch te redeneren vertrekkende vanuit een gekende
feiten of assumpties (premissen) en daaruit een logische conclusie te trekken
→ argument: premissen + logische conclusie
→ conclusie is correct indien premissen waar zijn en gehanteerde logica correct is
→ rationele methode start pas na de premissen
→ geen info verzameld, geen observaties, geen evidentie, …
→ vaak gebruikt om alternatieven logisch af te wegen zonder uit te proberen
→ maar: alles valt of staat bij juistheid premissen en logisch redeneren
→ mens is niet goed in logisch redeneren
● Empirie
= antwoorden zoeken door directe observatie of directe sensorische ervaring
→ kennis verwerven via zintuigen en door wereld rond ons te observeren
→ maar: onze waarneming en interpretatie zijn niet altijd correct:
1. sensorische ervaring kan ons misleiden (bv.: optische illusie)
2. invloed van voorkennis, verwachtingen en gevoelens op perceptie
3. misinterpretatie van sensorische ervaring
4. kost tijd door trial-and-error
5. kan gevaarlijk zijn (bv.: paddenstoel eetbaar of giftig?)
● Vasthoudendheid, intuïtie en autoriteit zijn niet-kritische technieken:
nuttig voor beantwoorden van vragen die geen belangrijke consequenties hebben
indien een fout antwoord
● Rationalisme en empirie zijn kritischere technieken:
stellen meer eisen aan info en antwoorden die ze produceren
→ cruciale componenten van wetenschappelijke methode
1.2 Wetenschappelijke methode
● Manier om kennis te vergaren waarbij specifieke vragen geformuleerd worden en
er vervolgens systematisch naar antwoorden gezocht wordt
● Doel: zo accuraat mogelijke antwoorden bekomen
● Stap 1:
observatie van gedrag of andere fenomenen
2
, → trekt je aandacht, roept vragen op
→ vaak informeel, natuurlijk, niet gepland en niet systematisch
→ direct of indirect
→ observaties vaak gegeneraliseerd
→ inductie = op basis van enkele observaties een algemene conclusie bereiken
● Stap 2:
hypotheses vormen
→ identificatie van variabelen die geassocieerd zijn met je observatie
→ observaties kunnen beïnvloed worden door verschillende variabelen die de
observatie (deels) kunnen verklaren
→ hypothese = mogelijke, voorlopige verklaring die getest en kritisch
geëvalueerd moet worden
→ bevat beschrijving of verklaring van relatie tussen variabelen
→ andere mogelijke verklaringen niet ontkend maar nog niet opgenomen
● Stap 3:
predicties vormen
→ toepassen van hypothese op specifieke, observeerbare situatie
→ 1 hypothese kan aanleiding geven tot verschillende predicties
→ predicties moeten toetsbaar zijn:
moet ondersteund of weerlegd kunnen worden
→ vorming predicties: deductie
= op basis van algemene stelling conclusies bereiken over specifieke
voorbeelden
→ logisch proces (rationele methode)
● Stap 4:
evalueren van predictie via systematische, geplande observatie (empirie)
→ onderzoek of dataverzameling
→ doel: faire en niet-gebiaste test van onderzoekshypothese door te observeren
of predictie correct is
→ los van subjectieve interpretatie en verwachtingen
● Stap 5:
via observaties hypothese ondersteunen, weerleggen of herspecifiëren
→ observaties vergelijken met predicties gebaseerd op hypothese
→ terug naar stap 2: hypothesevorming
● Circulair proces
= serie van stappen die steeds opnieuw doorlopen worden
● Principes:
1. empirisch
2. openbaar
3. objectief
● Empirisch:
zoeken antwoorden via gestructureerde systematische observaties
→ gestructureerd: duidelijke ondersteuning of weerlegging bieden
3
, → systematisch: uitgevoerd in set van condities zodat vraag accuraat
beantwoord wordt
● Openbaar:
observaties zijn beschikbaar voor evaluaties van anderen
→ replicatie: anderen moeten exact hetzelfde proces kunnen herhalen
→ verzekert verifieerbaarheid van observaties
→ via publicaties, presentaties, open data, …
→ peer review
→ vergt gedetailleerde beschrijving van methode
→ laat toe om observaties te repliceren en zo bevindingen te bevestigen of
weerleggen
● Objectief:
overtuigingen en biases van onderzoeker mogen geen invloed hebben op
resultaten van de studie
→ soms blinde procedures waarbij onderzoekers die observaties verzamelen blind
zijn voor details van de studie
● Pseudowetenschap
→ ontbreken van empirische evidentie
→ geen toetsbare en weerlegbare hypotheses
→ gebaseerd op subjectief bewijs (“handpicking” van succesverhalen)
→ stagneert, blijft onveranderd door jaren heen
→ niet gegrond in vorig onderzoek
→ bv.: astrologie
● Variabelen
= karakteristieken of condities die variëren binnen en/of tussen verschillende
personen
1.3 Empirische cyclus
● Kwantitatief onderzoek
= onderzoekt variabelen die typisch variëren in kwantiteit
→ data zijn meestal numerieke scores die samengevat, geanalyseerd en
geïnterpreteerd kunnen worden via standaard statistische procedures
→ bv.: grootte, omvang, hoeveelheid, …
● Kwalitatief onderzoek
→ data zijn meestal narratief van aard
→ bv.: verslagen, opnames, …
→ nauwgezette observaties, interviews, …
→ vaak gebruikt door antropologen
● Opdeling van onderzoek is artificieel:
kwantitatief en kwalitatief onderzoek gaan vaak samen en versterken elkaar
4