Economie
Hoofdstuk 4
Begrippenlijst
Absoluut: in geld. Een absoluut voordeel kan een voordeel in uren zijn.
Relatief: in procenten
Hypothecaire lening: Lening bij een bank met onroerend goed (huis of grond) als onderpand.
Menselijk kapitaal: De kennis en vaardigheden die werknemers bezitten en waarover een bedrijf
kan beschikken. Het geheel aan kennis, ervaring en vaardigheden van een persoon of van de
beroepsbevolking.
Onderpand: (huis of grond) dit mag verkocht worden als de schuld niet kan worden afgelost
Ontroerende goederen: Goederen die vast verbonden zijn met de aarde, zoals grond, huizen,
gebouwen.
Stroomgrootheid: Iets dat over een bepaalde periode, een maand of een jaar, worden gemeten,
bijvoorbeeld omzet en loon.
Transactiekosten: al de tijd, geld en moeite die het kost om een transactie tot stand te brengen
Verdiencapaciteit: Het bedrag dat iemand maximaal kan verdienen
Voorraadgrootheid: Iets dat op een bepaald moment of tijdstip wordt gemeten, zoals het
spaargeld dat je op 1 januari hebt.
Gemiddelde heffingsdruk: hoeveelheid belasting je gemiddeld over je inkomen betaald
Progressief belastingstelsel: belastingstelsel waarbij de belasting toeneemt als het inkomen
hoger wordt
Proportioneel belastingstelsel: het percentage belasting blijft hetzelfde als het inkomen
toeneemt
Degressief belastingstelsel: gemiddeld belastingpercentage daalt als het inkomen toeneemt
Opofferingskosten: het beste niet gekozen alternatief
Hoofdstuk 4
Begrippenlijst
Absoluut: in geld. Een absoluut voordeel kan een voordeel in uren zijn.
Relatief: in procenten
Hypothecaire lening: Lening bij een bank met onroerend goed (huis of grond) als onderpand.
Menselijk kapitaal: De kennis en vaardigheden die werknemers bezitten en waarover een bedrijf
kan beschikken. Het geheel aan kennis, ervaring en vaardigheden van een persoon of van de
beroepsbevolking.
Onderpand: (huis of grond) dit mag verkocht worden als de schuld niet kan worden afgelost
Ontroerende goederen: Goederen die vast verbonden zijn met de aarde, zoals grond, huizen,
gebouwen.
Stroomgrootheid: Iets dat over een bepaalde periode, een maand of een jaar, worden gemeten,
bijvoorbeeld omzet en loon.
Transactiekosten: al de tijd, geld en moeite die het kost om een transactie tot stand te brengen
Verdiencapaciteit: Het bedrag dat iemand maximaal kan verdienen
Voorraadgrootheid: Iets dat op een bepaald moment of tijdstip wordt gemeten, zoals het
spaargeld dat je op 1 januari hebt.
Gemiddelde heffingsdruk: hoeveelheid belasting je gemiddeld over je inkomen betaald
Progressief belastingstelsel: belastingstelsel waarbij de belasting toeneemt als het inkomen
hoger wordt
Proportioneel belastingstelsel: het percentage belasting blijft hetzelfde als het inkomen
toeneemt
Degressief belastingstelsel: gemiddeld belastingpercentage daalt als het inkomen toeneemt
Opofferingskosten: het beste niet gekozen alternatief