3.1 Hofstelsel en horigheid
De machtsverschillen in de vroege middeleeuwen waren erg groot tussen mensen.
De samenleving werd gedomineerd door de adel en een kleine elite van
grootgrondbezitters (onder wie een heer). Geestelijkheid (stand 1) en adel (stand 2)
waren de twee hoogste standen (sociale groepen) in de middeleeuwse samenleving.
En tot slot had je 97% van de bevolking die als boer werkten (de laagste stand). De
overgang van agrarisch-urbane samenleving naar een agrarische was maar een van
de vele grote veranderingen in de vroege middeleeuwen. Ook op bestuurlijk en
sociaal gebied veranderde er veel. Al deze veranderingen waren directe of indirecte
gevolgen van het uiteenvallen van het West-Romeinse rijk.
Aftakeling West-Romeinse rijk en de gevolgen ervan:
Een van gevolgen van de val van het West-Romeinse voor de vroege middeleeuwen
is dat de agrarische-urbane samenleving veranderde in een zelfvoorzienende
agrarische samenleving. Daarnaast is een ander gevolg dat de nijverheid en
specialisatie in ambacht afnam.
Van agrarisch-urbane naar zelfvoorzienend agrarisch:
De hoogstaande agrarisch-urbane cultuur van de Romeinen maakte plaats voor de
primitieve zelfvoorzienende agrarische cultuur van de Middeleeuwen. In de vroege
middeleeuwen woonde vrijwel iedereen op een domein. De steden van het West-
Romeinse rijk waren verdwenen. Daarom kun je stellen dat in de vroege
middeleeuwen een vrijwel volledig zelfvoorzienende agrarische samenleving
ontstond. Tijdens het Romeinse rijk was er nog sprake van een agrarische-urbane
samenleving. Toen leefden de mensen dus niet alleen van de landbouw, maar ook
van handel en nijverheid en woonde een groot aantal van de mensen in de stad.
Omdat in de tijd van het hofstelsel de handel en nijverheid bijna geheel was
verdwenen, moesten de bewoners van het domein in hun eigen onderhoud voorzien.
Dit betekende dat ze zelf moesten maken wat ze nodig hadden zoals voedsel en
kleding. Daarom zeggen we dat de boeren in het vroeg-middeleeuwse hofstelsel
zelfvoorzienend of ‘autarkisch’ waren. Die autarkie was niet volledig. Binnen een
drop bestond nog wel enige maten van specialisatie. De een was handiger in het
maken van schoenen, de ander in metaalbewerking. Er was ook sprake van
ruilhandel buiten het dorp. Maar in West-Europa was van de zeer gespecialiseerde
economie uit de oudheid na de 5e eeuw weinig meer over.
Vrije boeren, horigen en lijfeigenen:
De grootste groep mensen uit de vroege middeleeuwen bestonden uit boeren. Zij
vormden de derde stand en waren in verschillende maten afhankelijk van heren.
Allereerst waren er vrije boeren. Zij bewerkten hun eigen land en hadden de vrije
beschikking over hun eigen persoon en hun goederen, maar ze hadden wel een
zware militaire verplichting aan de heer. In de oorlogstijd moesten ze de heer volgen
in de strijd. Voor hun militaire uitrusting moesten ze zelf zorgen. Daarnaast waren er
horigen. Zij bewerkten hun eigen grond, maar mochten de landerijen van hun heer
niet verlaten om ergens anders te wonen. De (burcht) heer gaf zijn horigen dus
fysieke veiligheid en Landbouwgrond in bruikleen in leen voor herendiensten en een
deel van de oogst van zijn horigen. De horigen hadden ook toestemming voor
trouwen nodig. Af en toe gebeurde het dat er vrije boeren afzagen van hun vrijheid
en vervolgens horigen werden. Dat deden ze omdat ze niet konden voldoen aan de
zware (militaire) verplichtingen die hun werden opgelegd. Ze waren als horigen dus
, Geschiedenis Samenvatting Tijdvak 3 (3.1,3.2 en 3.3)
verlost van hun militaire dienst en genoten van de bescherming van de heer. De
laatste groep onvrije waren lijfeigenen Dit waren mensen zonder bezit die als
knechten werkten en volledig in de macht waren van de heer.
Ontstaan en de (economische) werking van het hofstelsel:
Het hofstelsel (ook wel domeinstelsel genoemd) was een economisch stelsel. Het is
ouder dan het leenstelsel en ontstond na de val van het Romeinse rijk in de vijfde
eeuw. De veiligheid verdween, aangezien het in het West-Romeinse rijk steeds
moelijker werd om centraal gezag uit te oefenen en lokale edelen maakte hier
gebruik van door middel van oorlogen om het met elkaar uit te vechten over
erfenissen en grondgebied. Door die die onveiligheid werd het reizen bemoeilijkt en
kromp de handel. Daarnaast nam de productie in nijverheid af, verdween geld als
ruilmiddel en werden er meer mensen zelfvoorzienende agrariërs. Deze boeren
konden zichzelf alleen niet beschermen en zochten daarom op dorpsniveau
bescherming bij de adel. Als horige boeren kregen ze een stukje grond. In bruikleen
moesten ze belasting betalen in de vorm van oogst en klusjes (herendiensten) voor
de heer doen.
In ruil daarvoor kregen ze bescherming en het recht een deel van de opbrengsten
zelf te besteden. Op dorpsniveau had een heer een eigen landgoed of domein, met
als centraal gebouw het vroonhof, de grote hoeve van de landsheer met omliggend
zijn eigen grond (het ‘saalland’). Daaromheen lagen landgoederen en boerderijen
waar de horige boeren werkzaam waren op hun grond (het ‘hoevenland’).
Een andere manier van besturen:
Door het wegvallen van de handel en het ontstaan van een ander economisch
systeem (het hofstelsel) werd ook besturen een stuk lastiger. Het Romeinse
belastingsysteem bleef hier en daar nog wel enige tijd intact, maar door het
schaarser worden van geld werd het voor een koning steeds moeilijker een
uitgebreid ambtenarenapparaat te bekostigen. Voor het bestuurd was zette hij
daarom mensen uit zijn persoonlijke gevolg in, mannen die hij kon vertrouwen en die
waardering voor hem hadden. Vroegmiddeleeuwse koninkrijken waren daardoor in
feite een soort privébezit en de inwoners waren onderdanen die afhankelijk waren
van hun koning.
3.2 Europa wordt christelijk
Kerkelijke hiërarchie:
De leider van de katholieke kerk is de paus. Hij wordt
gezien als de opvolger van apostel (Jezus’ vroegste
leerling) Petrus. Dat was de eerste bisschop van Rome.
En de paus die bepaalt het beleid en die beslist over
geloofszaken. Onder de paus komen de zogenaamde
bisschoppen. De katholieke wereld is opgedeeld in
kerkelijke bestuur gebieden, bisdommen. Aan het hoofd
van zo’n bisdom staat een bisschop. Het bisdom is baas
over de geestelijken in dat gebied, de priester in de parochiekerken. Ook ziet hij erop