Gegeven een rotor met rmin = 5 cm en rmax = 10,5 cm en een centrifuge die tot 50.000 RPM kan draaien.
We wensen twee partikels met een s waarde van 20 en 200 S van elkaar te scheiden door differentiële
centrifugatie op 30 minuten. Aan welke hoeksnelheid (uitgedrukt in RPM) moeten we dan centrifugeren?
Aangezien de gegevens in RPM en S zijn uitgedrukt gebruiken we volgende formules:
2,53 x 1011 ln K
K= (rmax/rmin) t1 =
(RPM)2 s (in S)
en
Indien we de twee partikels willen scheiden moeten we ervoor zorgen dat wanneer het zwaarste partikel op
de bodem van de buis is gecentrifugeerd (op t 1), dit zeker nog niet het geval is voor het lichtste.
K = t1 . S = 0.5 uur . 200 S = 100 uur-S
(RPM)2 = 2,53.1011 . ln10,5/ uur-S = 2,53.10 11 . 0, = 1,87 . 109
RPM = 4,32 . 104 = 43.200
Hoeveel tijd is er nu nodig om met deze snelheid het 20 S partikel te pelleteren?
t1 = 100 uur-S / 20 S = 5 uur
Na 0,5 uur zal het 20S partikel nog maar zeer weinig zijn gemigreerd naar de bodem van de buis toe, een
goede scheiding dus.
Vraag 2:
3.1.: Beschrijf het concept van de theoretische platen. Illustreer waar mogelijk. Hoe berekenen we deze?
Het aantal theoretische platen N is een maat voor de efficiëntie van een kolom. Hoe efficiënter een kolom,
hoe smaller de theoretische plaathoogte (H) dus hoe meer platen in een kolom met een bepaalde lengte L
passen aangezien L = N.H. Het aantal theoretische platen kan gebruikt worden om verschillende kolommen
te vergelijken (indien N onder dezelfde omstandigheden werd bepaald).
De piekbreedte en de retentietijd kunnen gebruikt worden om N te bepalen: N = 16 (t R/W)2 of N = (tR/σt)2
Waarbij w = 4 σt
3.2.: Teken een Van Deemter curve. Aan welke vergelijking beantwoordt deze? Bespreek de verschillende
termen uit de vergelijking en duid ze aan op de figuur.