H1: introductie
Motivatie: willen → innerlijke toestand gericht op/verlangt naar verandering
● intern proces (invloed = sociaal proces)
● gedragswetenschap
● Wat veroorzaakt gedrag?
Motieven: interne processen die gedrag energie, richting en volharding geven (worden
beïnvloed door externe gebeurtenissen)
1. Energie → kracht
2. Richting → doel
3. Volharding → uithoudingsvermogen
Specifieke motieven
1. Behoeften (biologisch en psychologisch)
2. Cognities
3. Emoties: gecoördineerd geheel van 4 aspecten;
a. Gevoelens: subjectief, verbaal
b. Opwinding: lichamelijk
c. Doel: specifieks bereiken
d. Expressie: non-verbaal tonen
Omgeving → afstandelijke/indirecte oorzaak
Motivatie en emotie → directe/proximale oorzaak
- intermediare variabelen: schakel tussen oorzaak (= antecedenten) en gevolg (=
uitkomst)
Misleidende theorieën
1. ‘’Verhoog zelfvertrouwen’’ → zelfvertrouwen is een effect, niet oorzaak
2. ‘’Geef prikkels en beloning’’ → verlaagt intrinsieke m. + perspectief van ander
Uiting van motivationele en emotionele toestanden (5 manieren)
A. Gedrag: 7 aspecten
1. Inspanning
2. Volharding
3. Latentietijd
4. Keuze doel
5. Kans op respons
6. Gezichts- en lichaamstaal
B. Betrokkenheid (= engagement): 3 facetten
1. Gedragsmatig: op taak blijven
2. Cognitief: mentale inspanning
3. Agentisch: initiatief nemen
C. Psychofysiologie: hormoonproductie → meetbare veranderingen
D. Hersenactivaties: EEG, fMRI
E. Zelfrapportage: dienen ALTIJD ondersteund te worden door andere 4
,Typen motivatie
1. Intrinsiek (=> interesse/nieuwschierigheid) > extrinsiek (=> externe druk/beloning)
2. Benaderen > Vermijden
3. Positieve, groei georiënteerde motieven > Negatieve, vermijdende (angst, stress)
motivationele en emotionele toestanden zijn dynamisch (= veranderen voortdurend) en
reciprook (= wedekerig) gerelateerd aan gebeurtenissen die ze veroorzaken (vb. leraren)
➔ effectief reageren mogelijk door reageren als complex adaptieve systemen
Menselijke natuur
- Egoïstische zelf VS. Prosociale zelf: afh. van sociale context
- Ondersteunende omstandigheden nodig (toestanden vaan gesitueerd)
- Productiviteit opleveren, maar geluk opofferen werkt NIET! (‘Tiger Mom-aanpak’)
→ interesse/doelen juist belangrijke bronnen van motivatie
Bewust vs. onbewust motivatie
● Taalgerelateerde structuren (bv. cortex) → bewust toegankelijk
● Niet-taalgerelateerd (bv. subcorticale brein) → minder (bv biologische behoeften)
H2: Historische lijnen
Filosofische fundamenten
Plato: hiërarchische, driedelige ziel
1. Appetitieve → lichamelijke verlangens (id)
2. Competitieve → sociale normen (superego)
3. Berekende → rede, keuze (ego)
Aristoteles:
1. Voedend
2. Gevoelig
3. Rationeel
→ vereenvoudigd naar dualisme van lichaam en geest
● lichaam: irrationeel en impulsgedreven
● geest: rationeel en spiritueel
René Descartes: voegde dimensie toe door motivatie te verdelen in actief en passief
● lichaam: reageert automatisch op prikkels (passief)
● geest (= de wil): actief en doelgericht
→ motivatieonderzoek splitste zich in fysiologie (lichaam) en filosofie (geest)
, Grand Theories: alles omvattende theorieën
1. De Wil (Descartes)
=> Stuurde actie en beheerde impulsen; handelingen identificeerbaar (bv. kiezen/weestaan)
● ‘’inzicht in wil geeft automatisch inzicht in motivatie’’
● Dubbel probleem: wil was onbegrepen, dus motivatie niet verklaarbaar
2. Instinct (Darwin, William Jame, McDougall): fysiologie
=> aangeboren, onbewuste drang tot gedrag, niet is gebaseerd op leren of ervaring
● Darwin: evolutie → gedrag heeft genetische aanleg
● William James: ontwikkelde de eerste instincttheorie
➔ instinct + geschikte stimulus => impuls tot actie
● McDougall: alle menselijke motivatie vindt oorsprong in in genetisch bepaalde
instincten → zonder ‘’prime movers’’ zouden mensen passieve massa zijn
→ grootste probleem: cirkelredenering (unieke levenservaringen beïnvloeden gedrag)
3. Drift/drive (Freud, Hull): functionalisme
=> gedrag dient lichamelijke behoeften; biologisch onevenwicht → psychologische drift
(spanning) → motiveert gedrag om tekort te vervullen
● Freud: ZS probeert spanning te reduceren, drang (4 onderdelen) fungeert als
alarmsysteem dat aanzet tot actie
1. bron: lichamelijk tekort
2. impuls: psychologisch ongemak
3. object: behoeftebevrediging item
4. doel: tevredenheid/tijdelijk balans
● Hull: Drang (D) = samengevoegde energiebron van alle actuele lichamelijke
tekorten, puur fysiologische basis → levert energie, maar NIET richting (richting
bepaald door gewoonte)
- respons leidt snel tot drangreductie → leren
- Formule: Esr = Hsr x D
● Esr: sterkte v gedrag in aanwezigheid stimulus
● Hsr: gewoonte-sterkte
● D: drang (interne pushes)
- Gedrag alleen aanwezig als gewoonte en drang > 0
- Latere formule: Esr = Hsr x D x K
● K: incentive motivatie (externe pulls)
→ 3 beperkingen drijftheorie
1. motivatie komt niet altijd voor uit biologische tekorten (bv. anorexia)
2. Externe factoren (incentives) kunnen motivatie opwekken bij afw. van tekort
3. Leren vindt plaats zonder drangreductie
Jaren 1960: 2 nieuwe principes
1. Incentive: externe gebeurtenis die gedrag richting + energie geeft
2. Opwinding (arousal): alertheid en activatie → ‘’omgekeerde U-relatie’’: gematigde
opwinding leidt tot plezier, te weinig (verveling) of te veel (stress) zijn negatief