Samenvatting kind en omgeving
College 1: theorieën
Pedagogische wetenschap: bestuderen van de opvoeding, het onderwijs en de
hulpverlening aan kinderen en jeugdigen, met het oog op verbetering van de praktijk
- Empirische benadering = gangbare methoden zoals observatie en experimenten
- Eigen discipline maar komt voort uit diverse discipline zoals psychologie
o Verschillende werkvelden; orthopedagogiek voornamelijk
- Pedagogiek is zowel fundamenteel/theoriegericht als toegepast/praktijkgericht
Paradigma = geheel van waarden, opvattingen en technieken, gedeeld door leden van
een bepaalde wetenschappelijke gemeenschap
- Niet iedereen kijkt op dezelfde manier naar de wereld
- Richtlijnen van wat je onderzoekt en hoe je het onderzoekt en hoe je behandeling
kan geven
- (micro) paradigma
o Reinforcement
o Modeling
o Operant
o Respondent
Opvoeden is ≠ trainen of dresseren
➔ Twee pijlers opvoeden
o Ondersteunen (warmte)
▪ Basale behoeften (voeding/verzorging/stabiele omgeving)
• Baby’s meer verzorging
• Adolescenten juist autonomie
▪ Emotionele ondersteuning (warme relatie/respectvol/betrokken
houding)
• Stimulatie (cognitieve/verbale/psychomotorische/sociaal-
emotionele vaardigheden)
o Structureren (controle)
▪ Hanteren en overdragen van normen en waarden, grenzen en
regels; houden van toezicht
DUS een goede opvoeding afgestemd op kenmerken en behoeften kind (sensitiviteit).
,Pavlov en klassieke conditionering = respondent leren
- Neutrale stimulus
- Ongeconditioneerde stimulus, ongeconditioneerde
respons
- Geconditioneerde stimulus, geconditioneerde
respons
- Extinctie (uitdoving) = bel luiden zonder eten te
geven
o Effectiviteit reactie vermindert
- Spontaan herstel = na 2 uur kwam de reactie weer
- Stimulusgeneralisatie = ook bij andere geluiden
- Stimulusdiscriminatie = op andere soort bel
reageren en niet een andere
o Experimentele neurose
Watson
Gericht op behaviorisme waarbij psychologie zich moet beperken tot waarneembaar
gedrag en niet introspectie of het bewustzijn.
- Little Albert → schrikken bij harde geluiden en zien van een rat; dus aanleren
bij rat zien komt er hard geluid en dat is eng
o Klassieke conditionering van angst
o Stimulusgeneralisatie → was ook bang voor andere dieren op
gegeven moment
- Little Peter
o De-conditionering van angst (door nieuwe koppeling)
▪ Was bang voor ratten, konijnen en andere dieren
▪ Leek op Albert maar toch andere kinderen
▪ Behandelingen uitgeprobeerd; beste was om iets lekkers
te eten geven (ontspanning) en exposure met dieren
▪ Op gegeven moment dier steeds dichterbij
brengen
▪ Systematische desensitisatie
Paradigma clash → van factoren in persoon naar factoren in omgeving
,Klassieke conditionering in dagelijks leven
- Fobie
- Misselijkheidsreflex
- Aanval astma of hooikoorts bij confrontatie met bloemetjesbehang
- Op rem trappen bij rood licht
Skinner en operante conditionering = leren door consequenties die op gedrag volgen
Onderzoek op basis van de Skinnerbox, waarbij een dier op een hendel drukt en dan
voedsel/water krijgt. Er ontstaat een leercurve en een toename van responsfrequentie.
- Positieve en negatieve bekrachtiging (reinforcement) = gedrag wordt
bepaald door consequenties die erop
volgen
o Neemt toe
- Positieve en negatieve straf (niet in
Crain)
o Neemt af
- Onmiddellijke consequenties; straf
volgt onmiddellijk
- Shaping = in stapjes aanleren
- Continue en partiële bekrachtiging
o Continu: elke keer als gedrag wordt vertoont wordt het bekrachtigd
o Partiële: soms wel en soms niet bekrachtigd
▪ In praktijk komt het vaker voor maar heeft groter effect
▪ Als gedrag eenmaal geleerd is, dan is het lastig af te leren
(langer vasthouden)
▪ Speelt mogelijk rol bij gokverslaving en smartphone verslaving
DUS het gedrag wordt versterkt door bekrachtiging (van bv voedsel) en dooft als
bekrachtiging uitvalt. Hoe directer de beloning volgt op het gedrag, hoe sterker het
effect. Daarnaast zorgt continue bekrachtiging voor het snel aanleren van gedrag, maar
intermitterende schema maken het gedrag veel resistenter tegen extinctie.
Discriminatieve stimuli = signalen die de kans op bekrachtiging aankondigen zoals een
lampje, die zo gedrag sturen maar dit is niet een automatische uitlokker
, Vermijdingsgedrag = iemand die heel erg bang is voor bepaalde objecten of situaties
gaat die vermijden
o Door vermijdingsgedrag neemt de angst af
▪ DUS vermijdingsgedrag neemt toe en is dus sprake van
negatieve bekrachtiging
▪ Want je verwijdert de angst (stimulus)
Bandura’s sociale leertheorie
Stelt dat mensen cognitieve wezens zijn dus actieve informatieverwerkers die nadenken
over het verband tussen hun gedrag en de eventuele gevolgen.
Observationeel leren/imitatie/modeling = leren dat het resultaat is van het observeren
van het gedrag van anderen (modeling)
➔ Leren is vaak cognitief proces
o Innerlijke representatie
o Afweging consequenties op korte en lange termijn; studeren i.p.v. uitgaan
o Plaatsvervangende (vicarious) bekrachtiging en straf (van model);
personen niet zelf straf of bekrachtiging ondergaan maar bij ander ziet en
hiervan leert
o Symbolisch leren → zelfs van tekenfilms leren
ECHTER kan ook verkeerd gedrag zo worden aangeleerd. Het is bv. niet handig om te
schreeuwen naar een kind en niet om te slaan als straf. Het kind weet dan niet welk
gedrag hij wel moet vertonen en leert juist agressief gedrag goed te keuren.
Acquisition vs. performance : Bobo doll experiment
➔ Kinderen bekijken agressief gedrag van vrouwelijke modellen tegen een pop die
ze hebben gezien tijdens de film
o Er waren drie consequenties; belonen, straffen of geen consequenties
▪ Minste agressie bij de groep waarin model werd bestraft
▪ Performance test
o Zoveel mogelijk gedragingen reproduceren die ze hadden gezien
▪ Evenveel tussen alle groepen
▪ Learning test
DUS bekrachtiging is niet nodig om te leren door observatie, maar beïnvloedt wél de
bereidheid om het geleerde daadwerkelijk te vertonen (performance).
College 1: theorieën
Pedagogische wetenschap: bestuderen van de opvoeding, het onderwijs en de
hulpverlening aan kinderen en jeugdigen, met het oog op verbetering van de praktijk
- Empirische benadering = gangbare methoden zoals observatie en experimenten
- Eigen discipline maar komt voort uit diverse discipline zoals psychologie
o Verschillende werkvelden; orthopedagogiek voornamelijk
- Pedagogiek is zowel fundamenteel/theoriegericht als toegepast/praktijkgericht
Paradigma = geheel van waarden, opvattingen en technieken, gedeeld door leden van
een bepaalde wetenschappelijke gemeenschap
- Niet iedereen kijkt op dezelfde manier naar de wereld
- Richtlijnen van wat je onderzoekt en hoe je het onderzoekt en hoe je behandeling
kan geven
- (micro) paradigma
o Reinforcement
o Modeling
o Operant
o Respondent
Opvoeden is ≠ trainen of dresseren
➔ Twee pijlers opvoeden
o Ondersteunen (warmte)
▪ Basale behoeften (voeding/verzorging/stabiele omgeving)
• Baby’s meer verzorging
• Adolescenten juist autonomie
▪ Emotionele ondersteuning (warme relatie/respectvol/betrokken
houding)
• Stimulatie (cognitieve/verbale/psychomotorische/sociaal-
emotionele vaardigheden)
o Structureren (controle)
▪ Hanteren en overdragen van normen en waarden, grenzen en
regels; houden van toezicht
DUS een goede opvoeding afgestemd op kenmerken en behoeften kind (sensitiviteit).
,Pavlov en klassieke conditionering = respondent leren
- Neutrale stimulus
- Ongeconditioneerde stimulus, ongeconditioneerde
respons
- Geconditioneerde stimulus, geconditioneerde
respons
- Extinctie (uitdoving) = bel luiden zonder eten te
geven
o Effectiviteit reactie vermindert
- Spontaan herstel = na 2 uur kwam de reactie weer
- Stimulusgeneralisatie = ook bij andere geluiden
- Stimulusdiscriminatie = op andere soort bel
reageren en niet een andere
o Experimentele neurose
Watson
Gericht op behaviorisme waarbij psychologie zich moet beperken tot waarneembaar
gedrag en niet introspectie of het bewustzijn.
- Little Albert → schrikken bij harde geluiden en zien van een rat; dus aanleren
bij rat zien komt er hard geluid en dat is eng
o Klassieke conditionering van angst
o Stimulusgeneralisatie → was ook bang voor andere dieren op
gegeven moment
- Little Peter
o De-conditionering van angst (door nieuwe koppeling)
▪ Was bang voor ratten, konijnen en andere dieren
▪ Leek op Albert maar toch andere kinderen
▪ Behandelingen uitgeprobeerd; beste was om iets lekkers
te eten geven (ontspanning) en exposure met dieren
▪ Op gegeven moment dier steeds dichterbij
brengen
▪ Systematische desensitisatie
Paradigma clash → van factoren in persoon naar factoren in omgeving
,Klassieke conditionering in dagelijks leven
- Fobie
- Misselijkheidsreflex
- Aanval astma of hooikoorts bij confrontatie met bloemetjesbehang
- Op rem trappen bij rood licht
Skinner en operante conditionering = leren door consequenties die op gedrag volgen
Onderzoek op basis van de Skinnerbox, waarbij een dier op een hendel drukt en dan
voedsel/water krijgt. Er ontstaat een leercurve en een toename van responsfrequentie.
- Positieve en negatieve bekrachtiging (reinforcement) = gedrag wordt
bepaald door consequenties die erop
volgen
o Neemt toe
- Positieve en negatieve straf (niet in
Crain)
o Neemt af
- Onmiddellijke consequenties; straf
volgt onmiddellijk
- Shaping = in stapjes aanleren
- Continue en partiële bekrachtiging
o Continu: elke keer als gedrag wordt vertoont wordt het bekrachtigd
o Partiële: soms wel en soms niet bekrachtigd
▪ In praktijk komt het vaker voor maar heeft groter effect
▪ Als gedrag eenmaal geleerd is, dan is het lastig af te leren
(langer vasthouden)
▪ Speelt mogelijk rol bij gokverslaving en smartphone verslaving
DUS het gedrag wordt versterkt door bekrachtiging (van bv voedsel) en dooft als
bekrachtiging uitvalt. Hoe directer de beloning volgt op het gedrag, hoe sterker het
effect. Daarnaast zorgt continue bekrachtiging voor het snel aanleren van gedrag, maar
intermitterende schema maken het gedrag veel resistenter tegen extinctie.
Discriminatieve stimuli = signalen die de kans op bekrachtiging aankondigen zoals een
lampje, die zo gedrag sturen maar dit is niet een automatische uitlokker
, Vermijdingsgedrag = iemand die heel erg bang is voor bepaalde objecten of situaties
gaat die vermijden
o Door vermijdingsgedrag neemt de angst af
▪ DUS vermijdingsgedrag neemt toe en is dus sprake van
negatieve bekrachtiging
▪ Want je verwijdert de angst (stimulus)
Bandura’s sociale leertheorie
Stelt dat mensen cognitieve wezens zijn dus actieve informatieverwerkers die nadenken
over het verband tussen hun gedrag en de eventuele gevolgen.
Observationeel leren/imitatie/modeling = leren dat het resultaat is van het observeren
van het gedrag van anderen (modeling)
➔ Leren is vaak cognitief proces
o Innerlijke representatie
o Afweging consequenties op korte en lange termijn; studeren i.p.v. uitgaan
o Plaatsvervangende (vicarious) bekrachtiging en straf (van model);
personen niet zelf straf of bekrachtiging ondergaan maar bij ander ziet en
hiervan leert
o Symbolisch leren → zelfs van tekenfilms leren
ECHTER kan ook verkeerd gedrag zo worden aangeleerd. Het is bv. niet handig om te
schreeuwen naar een kind en niet om te slaan als straf. Het kind weet dan niet welk
gedrag hij wel moet vertonen en leert juist agressief gedrag goed te keuren.
Acquisition vs. performance : Bobo doll experiment
➔ Kinderen bekijken agressief gedrag van vrouwelijke modellen tegen een pop die
ze hebben gezien tijdens de film
o Er waren drie consequenties; belonen, straffen of geen consequenties
▪ Minste agressie bij de groep waarin model werd bestraft
▪ Performance test
o Zoveel mogelijk gedragingen reproduceren die ze hadden gezien
▪ Evenveel tussen alle groepen
▪ Learning test
DUS bekrachtiging is niet nodig om te leren door observatie, maar beïnvloedt wél de
bereidheid om het geleerde daadwerkelijk te vertonen (performance).