Professor Kevin Absilis
, Les 1 — De lange 19de eeuw & de gedichten
1. De lange 19de eeuw
De term 'de lange 19de eeuw' is een staande historische uitdrukking, gepopulariseerd door de
Britse historicus Eric Hobsbawm, voor de periode van de Franse Revolutie (1789) tot de Eerste
Wereldoorlog (1914-1918). Hobsbawm onderscheidde deze ook van de 'korte 20ste eeuw'.
Periodeafbakeningen zijn altijd arbitrair, maar onmisbaar als historisch kader.
1.1 Vijf definiërende aspecten
I. Politiek en democratisering
• Grote revoluties en periodes van restauratie wisselen elkaar af
• 1789: Franse Revolutie → einde absolute monarchie, begin democratisering
(volkssoevereiniteit, grondrechten, verkiezingen, scheiding der machten)
• 1815: Congres van Wenen → restauratie
• 1830: Belgische onafhankelijkheid → grondwettelijke monarchie (maar slechts 3% van
de mannen mocht stemmen)
• 1848: belangrijk revolutiejaar in Europa; in Nederland de grondwetsherziening van
Thorbecke
• Europa wordt een geheel van moderne natiestaten (o.a. Duitse en Italiaanse
eenmaking)
• De natiestaat heeft een verbindend verhaal nodig → nationalisme als bindmiddel
◦ In het Ancien Regime identificeerden mensen zich vooral met religie, niet met de
natie
◦ Literatuur wordt volop ingezet om nationale en nationalistische opvattingen te
verspreiden
II. Industriële revolutie
• Stoomkracht en de komst van de trein: sneller transport van mensen, goederen, nieuws
en informatie
◦ België was het eerste land op het Europese continent met een spoorwegverbinding
(Mechelen-Brussel, 1835)
◦ Eind 19de eeuw: dichtste spoorwegnet ter wereld in België
◦ Het spoorboekje verandert de tijdsindeling en de manier waarop mensen afspraken
maken
• Opkomst van de moderne fabriek en verstedelijking (gaan hand in hand)
• Samenleving wordt industrieel in plaats van agrarisch
• Directe gevolgen: verwoesting van het leefklimaat
• Wetenschappelijke en technologische vooruitgang: Darwin, de microscoop, elektrisch
licht, moderne communicatie
,III. Imperialisme
• Europese grootmachten breiden hun koloniale rijken verder uit
• Wereldhandel en grondstoffenexploitatie (globaal kapitalisme)
• België: in 1885 neemt Leopold II Congo in bezit
• Racisme en koloniale ideologie gaan hand in hand met het imperialisme
◦ Voorbeeld: wereldtentoonstelling in Antwerpen 1894 met een Congolees
namaakdorp bevolkt door echte Congolezen
• Natiestaten zonder kolonies voelen een minderwaardigheidscomplex → een van de
drijfveren achter de Eerste Wereldoorlog
IV. Emancipatiebewegingen
• Arbeidersbeweging: reactie op slechte arbeidsomstandigheden (verpaupering,
kinderarbeid, geen sociale zekerheid)
◦ Vakbonden, ziekenkassen, politieke partijen als instrumenten van sociale strijd
◦ Doorbraak van het socialisme in België op politiek niveau: 1885
◦ Marx schrijft zijn Communistisch Manifest in Brussel
• Paternalisme: vermogende bovenlaag beslist over de sociale kwestie via liefdadigheid →
wordt bekritiseerd door het opkomend socialisme
◦ Laatste grote hongersnood in België in 1850 (Oost- en West-Vlaanderen)
• Feminisme: aan het einde van de 19de eeuw ontstaan in verschillende landen kernen
van de eerste feministische golf
• Abolitionisme: strijd tegen de slavernij
◦ Relevanter voor Nederland (slavernij in koloniale gebieden) dan voor Belgie
◦ Engeland schaft als eerste de slavenhandel en vervolgens de slavernij zelf af
V. Verzelfstandiging van de kunsten
• Mecenaat verdwijnt met de absolute monarchie → de markt wordt belangrijker
• Schrijven als zelfstandig beroep: feuilletons, veelschrijverij, marktgerichtheid
◦ Langere romans, cliffhangers, marktgericht schrijven (cf. Dickens)
• Religie en nationalisme blijven een rol spelen, maar er ontstaat ook ruimte voor artistiek
experiment
• Nieuwe kunstenaarstypen: de romanticus, de bohemien, de realist — allen in aanvaring
met de burgerlijke orde
• Waardering voor originaliteit en taboe- en regeldoorbreking (culmineert in de historische
avant-garde)
• De impact van literatuur was enorm: quasi-monopolie op de culturele verbeelding
◦ De impact van Hendrik Conscience met zijn romans overtreft vandaag om het even
welke influencer
, 1.2 Bevolkingsexplosie
De 19de eeuw kende in veel landen een enorme bevolkingsgroei, mede door geleidelijk
verbeterende levensomstandigheden en geneeskundige vooruitgang (lagere kindersterfte). Ter
illustratie:
• Groot-Brittannie: 11 → 37 miljoen
• Duitsland: 23 → 56 miljoen
• België (1846-1913): 4,3 → 7,6 miljoen
1.3 Eerste Wereldoorlog
• Gevolg van agressief nationalisme en concurrentie onder Europese naties (i.h.b.
Frans-Duits)
• Industrialisering → militaire schaalvergroting (spoorwegen, staalindustrie, munitie, gas,
tanks, vliegtuigen)
• Massa-mobilisatie via nationale dienstplicht en propaganda → massa-oorlog en
massa-slachting op ongekende schaal
• Geopolitieke rivaliteit: Duitslands late eenmaking zorgt voor 'koloniale achterstand' t.o.v.
Frankrijk en Engeland
• Diplomatiek kluwen van allianties en verdragen → escalatie in de zomer van 1914
2. Het ideeehistorische spanningsveld:
Verlichting vs. Romantiek
De lange 19de eeuw wordt ideeehistorisch bepaald door de spanning tussen twee
wereldbeelden. Dit spanningsveld is ook het centrale referentiekader voor de literaire teksten uit
de cursus.
Verlichting
• De mens bezit een ratio waarmee hij de wereld kan begrijpen en verbeteren
• Geloof in vooruitgang, maakbaarheid van de wereld, technologische en sociale
emancipatie
• God schiep de wereld, maar de mens handelt op eigen kracht
Romantiek
• Reactie op de Verlichting en de gevolgen van de industrialisering
• Nadruk op gevoel, natuur, religie en het irrationele
• Kritisch ten opzichte van technologische vooruitgang en de teloorgang van de natuur