Hf 1
Behaviorisme: sociaal gedrag wordt gedreven door (werkelijke of waargenomen) kosten en baten/beloningen of
straffen; afgeleid van Pavlovs vroege werk over geconditioneerde reflexen en Skinners werk over operante
conditionering.
- Radicaal behaviorisme verklaart waarneembaar gedrag uitsluitend in termen van bekrachtigingsschema's, waarbij
andere onwaarneembare constructen worden genegeerd.
- Neobehaviorisme verklaart waarneembaar gedrag in termen van contextuele factoren en onwaarneembare
tussenliggende constructen zoals overtuigingen, gevoelens en motieven.
- Bekrachtigings-affectmodel van interpersoonlijke aantrekkingskracht: mensen gaan degenen aardig vinden met wie ze
positieve ervaringen associëren.
- Sociale-uitwisselingstheorie: sociale interacties zijn afhankelijk van de evaluaties van mensen van de betrokken
beloningen en kosten.
- Sociaal modelleren: mensen verdienen indirect door gedrag te imiteren waarvoor ze anderen bekrachtigd zien worden.
- Drive theorie: de sterkte van een aangeleerde respons beïnvloedt hoe goed we presteren voor een publiek.
College 2 + hf 2/3
Sociale cognitie: cognitieve processen en structuren invloed en beïnvloedt door sociaal gedrag. Hoe we informatie
verwerken.
Computer als metafoor voor mens als kennisverwerver. Goed -> het gaat om het 'vertalen' van een stimulus en daarna
opslaan en ophalen. Slecht -> mensen hebben emoties en motieven en beperkte capaciteit.
Jaren 70 -> De naïeve wetenschapper: Mensen gebruiken rationele, wetenschappelijke oorzaak-gevolganalyses om hun
wereld te begrijpen.
Jaren 80 -> Cognitieve vrek (miser): mens is zuinig met cognitieve vermogens en zet alleen in wanneer echt nodig. Veel
cognitieve shortcuts.
Jaren 90 -> Gemotiveerde tacticus: diverse strategieën. Gemotiveerd, eigen keuzes over denken door doelen en
motivaties.
Indrukken vormen van mensen ->
- Persoonsperceptie: uiterlijke kenmerken
- Lichaamstaal
- Attributies: verklaringen voor daden en uitspraken
Configureel model: indrukvorming op centrale kenmerken. Holistische benadering: construeren van diepere betekenis
door brokjes info. Asch.
Gestalt psychologie: als een geheel, waarbij de delen het geheel beïnvloeden.
Impliciete theorieën: kenmerken die samengaan. Als je 1 ding weet, veronderstel je meer dingen.
Primacy: eerder gepresenteerde informatie heeft een onevenredige invloed op sociale cognitie. Het kan iemands
perceptie, doelen en motivatie, attitudes en beslissingen, en gedrag beïnvloeden.
Recency: later gepresenteerde informatie heeft een onevenredige invloed op sociale cognitie. Dit gebeurt meestal
wanneer mensen afgeleid zijn of geen interesse hebben.
Wanneer je sociaal object tegenkomt:
- Schema's: structuren die kennis weergeen over concepten.
▪ Scripts: over algemene situaties gedachten
▪ Persoonsschema's: over unieke individuen
▪ Rolschema's: over rollen bijv leraar of moeder
▪ Zelfschema's: wie je bent
▪ Groepsschema's: stereotypen
- Sociale categorisatie: automatische neiging mensen in te delen in groepen door gemeenschappelijke kenmerken.
Accentuatie principe: gelijkenis binnen groep en verschillen tussen groep overschat.
- Heuristieken: eenvoudige beslisregel, niet echt nadenken
, ▪ Scripts: over algemene situaties gedachten
▪ Persoonsschema's: over unieke individuen
▪ Rolschema's: over rollen bijv leraar of moeder
▪ Zelfschema's: wie je bent
▪ Groepsschema's: stereotypen
- Sociale categorisatie: automatische neiging mensen in te delen in groepen door gemeenschappelijke kenmerken.
Accentuatie principe: gelijkenis binnen groep en verschillen tussen groep overschat.
- Heuristieken: eenvoudige beslisregel, niet echt nadenken
▪ Representativiteitheuristiek: overschatten van kans
▪ Beschikbaarheidsheuristiek: voorbeelden die zo te binnen schieten
▪ Verankerings-aanpassing: waarde als uitgangspunt en dan bijsturen
Drie manieren om schema's te veranderen:
- Boekhouding: langzame, geleidelijke verandering door de accumulatie van schema-inconsistente informatie.
- Conversie: plotselinge schemaverandering als gevolg van de accumulatie van schema-inconsistente informatie.
- Subtypering: schemaverandering die leidt tot de vorming van subcategorieën.
Sociale encodering: cognitieve processen beïnvloed door situatie. Context maakt informatie:
- Saillantie: opvallendheid door afwijking ten opzichte van anderen
- Levendigheid: een eigen, intrinsieke, eigenschap waardoor opvalt. Emotionele aantrekking.
- Toegankelijkheid: gemak waarmee schema's die we al hebben op kunnen roepen. Heel context afhankelijk, van
externe (omgeving) en interne (verwachtingen, doelen) factoren.
Priming: toegankelijkheid kennis manipuleren
Twee manieren om sociale informatie te verwerken:
1. Top-down – automatisch, gebaseerd op schema's en stereotypen
2. Bottom-up – gebaseerd op specifieke voorbeelden
Attributietheorie (Heider's): mensen als naïeve psychologen. Waarom gedraagt iemand zich zo? Oorzaak-gevolg.
▪ Intern: persoon. Karakter, diagnostisch.
▪ Extern: situatie. Toeval.
Corresponderende inferentietheorie: Hoe de oorzaak van gedrag wordt bepaalt. Intentie is af te leiden uit de gevolgen.
▪ Non-common effect: niet gedeelde kenmerken
Kelley's covariatietheorie: 3 soorten info om te beslissen of intern of externe oorzaak is.
1) Consensus: gedrag van anderen
2) Consistentie: zit persoon vaker in diezelfde situatie
3) Distinctiviteit: hoe is deze persoon in andere situaties
Causale schema's: ontbrekende info invullen over oorzaak gevolg.
▪ Discounting principe: door aanwezigheid van bepaalde oorzaak, heeft andere oorzaak minder invloed
▪ Augmenting principe: door remmende factor die aanwezig is, moet oorzaak wel oorzaak zijn
- Correspondentiebias/fundamentele attributiefout: gedrag van anderen ligt aan persoonlijkheid, situatie wordt
onderschat
- Actor-observerbias: ander persoon slecht gedrag ligt aan persoonlijkheid (intern)-> dispositioneel. Eigen slecht gedrag
ligt aan situatie (extern).
- Self-serving bias: successen aan onszelf te wijten en mislukkingen aan externe factoren
- Ultieme attributiefout: self serving op groepsniveau
College 3 + hf 4
Attitudes: algemene evaluatie van een object die positief of negatief is
1-component attitude model (Thurstone): of positief of negatief naar iets kijken
2-component attitude model (Allport):
▪ Affectieve component: gevoel
▪ Cognitieve component: kennis en overtuiging die gevoel sturen. Redenering
3-componenten attitude model (ABC):
▪ Affectief: gevoel
▪ Gedrag: wat doe je ermee
▪ Cognitie: overtuigingen
Één valentie dimensie: positief of negatief
Twee valentie dimensie: positief en negatief zijn onafhankelijk. Het ene sluit het ander niet uit -> attitudinale
ambivalentie
Balanstheorie = mensen geven de voorkeur aan consistentie in hun houding, overtuigingen en gedrag
▪ P-O-X-eenheid = verklaart relatie tussen individuen, objecten en attitudes
▪ P = persoon