Sociale psychologie
HOOFDSTUK 1
Sociale psychologie: een studie die tracht te begrijpen, verklaren en voorspellen hoe de gedachten,
gevoelens en gedragingen van individuen beïnvloed worden door waargenomen gedachten,
gevoelens van anderen
➔ hoe gedrag van anderen kan beïnvloed worden ( je kan niet
niet communiceren)
➔ ook al wil je niet communiceren, ben je toch bezig met
communiceren
➔ Als je niet wil communiceren geef je signalen af aan je
omgeving
➔ je gedrag wordt beïnvloed door je gedachten
dwingende beïnvloeding: iemand die je bevel geeft of vraagt om iets te doen
1992: de wet op de verwerking van de persoonsgegevens
➔ betrekking op het verzamelen, invoeren, verwerken en uitvoeren van informatie van personen
Sociale cognitie:
= denken over zichzelf en anderen en het reflecteren over wat ik zelf denk en over hoe ik denk dat
andere mensen denken
- wisselwerking tussen iets zien en denken, heeft impact op wat je gaat doen
- heeft invloed op ons zelfbeeld
● processen waarbij we informatie
○ verwerven / selectie / opslaan
○ integreren / organiseren / structureren
○ Interpreteren
● over mensen
○ anderen (sociale perceptie)
➔ observeren, kijken (vermogen om bij te leren, na te denken →
actief proces)
➔ reflecteren over wat we denken over onszelf en anderen, nadenken wat we
gedaan hebben
➔ gevoelig aan wat anderen zouden kunnen denken over ons
➔ bepaalde informatie die tot bij ons komt
➔ onze zintuigen moeten prikkels kunnen opnemen → we moeten iets
waarnemen om het te processen
➔ persoonlijke en sociale gegevens over mensen verzamelen, invoeren,
verwerken en uitvoeren
➔ gaat over jezelf en over de andere → de andere bepaald mee aan je
zelfbeeld
➔ we gaan kijken of de prikkel is binnengekomen, is dit voor mij relevant?
○ zichzelf (zelfperceptie)
● het verwerken van nieuwe informatie van de sociale context
● de constructie van een zelfbeeld is verbonden met het beeld dat we hebben van groepen
waartoe we behoren en de groepen waarvan we geen deel uitmaken
1
,1.1. Schema’s:
- Jean Piaget: cognitieve ontwikkeling
➔ gestructureerde functioneringspatronen: zo een schema’s zijn mentale structuren die
aan de basis liggen aan ons handelen
➔ onze reflexen waarmee we geboren worden (babinski reflex)
➔ naarmate je ouder wordt gaan schema’s groeien, verdiepen en verbinden
- de aanvankelijke schema’s, die betrekking hebben op fysieke activiteiten, worden onder
invloed van assimilatie en accomodatie complexer en meer op elkaar afgestemd
Omschrijving
● cognitieve structuur
● eerder verworven kennis
● gaat over stimulus of concept
➔ over personen, feiten, kenmerken
● sociale cognitie heeft invloed op ons zelfbeeld
● sociale context heeft invloed op ons handelen (de omgeving waar je in zit gaat bepalen wat je
doen)
● Sociale schema’s: bestaan uit het geheel van eigenschappen en gedragingen die men
karakteristiek acht voor de leden van deze categorieën
Zelfschema:
- hoe we kijken naar onszelf, heeft invloed op ons zelfbeeld
- we hebben andere nodig voor het creëren van ons zelfbeeld
zelfkennis uit
1. zelfobservatie: hoe goed doe je aan introspectie of zelfreflectie
2. ‘looking-glass self’: feedback dat je krijgt uit de omgeving over je gedrag (kan direct of subtiel
zijn)
3. sociale vergelijking: jezelf vergelijken met anderen
Prototype: schema dat je gaat opbouwen van hele reeks mensen en je gaat meest relevante
kenmerken gaan gebruiken om je prototype vorm te geven
● een gemiddelde van een specifieke groep van mensen
● je maakt het vanuit je eigen ervaring en maakt schema uit je eigen hoofd
Script: een schema voor het verloop van gebeurtenissen in bepaalde situaties (schema opbouwen
van wat gebeurt er in deze situatie)
➔ hoe meer vertrouwd je bent met situatie, hoe meer je weet wat je moet doen
➔ stuurt onze persoonsbeoordeling
1.2. Kenmerken
- gestalt: je brengt losse elementen samen in een geheel/ gestalt en dat geheel krijgt nieuwe
betekenis
- psychologen gaan ervan uit dat schema’s associatief verbonden zijn in netwerken
- organisatie
- bv. Je bent in het buitenland en ziet daar op straat iemand met een blauw uniform en een
kepie op. Je vermoedt dat het een politieagent is
➔ dit komt omdat je vertrouwt op bestaande kennis en schema’s die je hebt opgeslagen
- schema’s beïnvloeden de herinnering + als schema’s geactiveerd zijn, sturen ze onze
persoonsperceptie
- sturen persoonsperceptie (aandacht voor wat past binnen het geactiveerd schema)
➔ schema’s gaan invloed hebben in hoe we dingen blijven herinneren (anders
herinneren, heel selectief dingen herinneren)
2
, - Top-down of theory-driven: de kennis die je bezit gaat de perceptie en interpretatie mee gaan
sturen
- Prescriptief
➔ bieden beeld van hoe iets moet/kan zijn en stuurt ons gedrag
➔ attributies zoeken die schema in stand houden
➔ need for cognition <-> need for certainty
in onze hersenen 2 systemen
- Need for cognition: systeem van traag denken → ons rationeel denken →
overdenken
- Need for certainty: waarin we heel snel moeten denken en beslissingen moeten
nemen → impulsief vanuit emotie 95%
- Toegankelijker naarmate
➔ vaker opgeroepen
➔ recenter opgeroepen
● Door schema’s vlugger te verwerken, kunnen we veel informatie verwerken
● mensen besteden aandacht aan die persoonlijkheidstrekken die passen in het kader van een
al geactiveerd schema, terwijl ze aan niet-passende informatie voorbijgaan
● attributies: verklaringen die we zoeken voor iemands gedrag, kunnen voortvloeien uit
schema’s, meer bepaald wanneer feiten afwijken van datgene dat we op basis van schema’s
verwachten
● toegankelijkheid van schema’s wordt bepaald door 2 factoren
➔ hoe vaker het schema al is opgeroepen, hoe toegankelijker het is en wordt
➔ recent toegepaste schema’s toegankelijker (priming)
● Schema’s zorgen ervoor dat bepaalde informatie makkelijk en vlug kan verwerkt worden en
zo meer ruimte komt voor andere gedachten
● schema’s: cognitieve structuren die georganiseerde kennis representeren
● schema’s kunnen alleen vanuit onszelf geactiveerd worden, zonder externe aanleiding
➔ kan door emoties, verwachtingen, verlangens
➔ mensen verschillen naarmate bepaalde schema’s voor hen relevanter zijn
➔ schema’s kunnen opgeroepen worden door een stimulus uit de omgeving
➔ bepaalde informatie uit de omgeving, zelfs al zijn we ons daar niet van bewust, kan
een schema volledig of ten dele activeren
● een schema, een stereotype automatisch kan worden geactiveerd en agressief gedrag kan
uitlokken
● Dual process theory: in ons brein 2 verschillende systemen hebben ontwikkeld
● Laag- als hoog bevooroordeelde mensen → ze hanteren dezelfde stereotypen
➔ Laag bevooroordeelde mensen krijgen ook negatieve stereotypen in hun
hoofd, maar proberen die actief te onderdrukken
➔ hoog bevooroordeelde mensen laten die stereotypen juist meewegen in hun
oordeel.
● Uitzondering op automatische activatie
➔ uit onderzoek bleek dat hoog bevooroordeelde mensen wel een negatief stereotype
over zwarten te activeren, maar laag bevooroordeelden niet
3
, 2. CONFIGUREREN
- soms kan het gebeuren dat bepaalde gebeurtenis of bepaalde persoon verschillende thema’s
oproepen
- schema’s worden door bepaalde stimuli geactiveerd en vertonen samenhang
- effecten zorgen soms voor vertekening
- het zorgt ervoor met welk schema je aan de slag moet gaan
2.1. Kenmerken
- hoe meer een kenmerk opvalt, hoe gemakkelijker dat het activeert aan de aansluitende
schema’s
- opvallendheid wordt beïnvloed door contextfactoren
- wat opvalt, valt op. Dit schema wordt onmiddellijk en als eerste geactiveerd:
➔ naam, geslacht, huidskleur
2.2. Configureren: Primacy-effect
= de eerste informatie die wij over iets of iemand krijgen (Het globale oordeel wordt meer beïnvloed
door de eerste informatie dan door latere informatie)
- de volgorde waarin prikkels zich aandienen, speelt een rol bij het belang dat we eraan geven
- in experiment van Asch kreeg de helft van de proefpersonen de beschrijving van fictieve
persoon
➔ “hij is intelligent, ijverig, impulsief, koppig” zie p. 14
- In selectie-interviews (sollicitatiegesprekken) is aangetoond dat de volgorde waarin informatie
over een kandidaat wordt besproken een invloed heeft op hoe de interviewer de kandidaat
beoordeelt.
- de eerste indruk is belangrijk bij sollicitatiegesprekken
- moeilijk om iets negatief te keren naar iets positiefs
➔ gebaseerd op lichaamstaal, stem en woorden
➔ Asch voegde ertoe dat latere informatie anders wordt geïnterpreteerd
➔ Nieuwe informatie wordt opgenomen en geïnterpreteerd binnen het kader van
de eerste beeldvorming
➔ behoefte aan afsluiting (aandacht verzwakt naarmate men meer informatie
krijgt)
vb primacy effect: kunstenaars, schrijvers, zangers
Men kan zich wapenen tegen het primacy effect: Als iemand gemotiveerd is en goed oplet, kan
die persoon blijven nadenken en ook latere informatie meenemen in zijn oordeel.
- Mensen verschillen in hoe sterk ze de behoefte voelen om zaken af te ronden en hoe
graag ze onduidelijkheid willen vermijden
- Verklaringen (de werking van het korte termijngeheugen)
➔ Latere informatie wordt beoordeeld door de bril van de eerste indruk die eerder
is gevormd
➔ behoefte aan afsluiten, zodra men ongeveer een beeld heeft
➔ Primacy effect speelt wanneer er veel informatie op ons afkomt en moeten snel
oordeel gaan vormen
➔ Wat je eerst ziet, zal zorgen dat schema geactiveerd wordt. Alle latere informatie die
nog komt gaat minder zwaar doorwegen in ons oordeel en is al gekelurd (gaan we
interpreteren in wat we in het 1ste al geoordeeld hebben
4
HOOFDSTUK 1
Sociale psychologie: een studie die tracht te begrijpen, verklaren en voorspellen hoe de gedachten,
gevoelens en gedragingen van individuen beïnvloed worden door waargenomen gedachten,
gevoelens van anderen
➔ hoe gedrag van anderen kan beïnvloed worden ( je kan niet
niet communiceren)
➔ ook al wil je niet communiceren, ben je toch bezig met
communiceren
➔ Als je niet wil communiceren geef je signalen af aan je
omgeving
➔ je gedrag wordt beïnvloed door je gedachten
dwingende beïnvloeding: iemand die je bevel geeft of vraagt om iets te doen
1992: de wet op de verwerking van de persoonsgegevens
➔ betrekking op het verzamelen, invoeren, verwerken en uitvoeren van informatie van personen
Sociale cognitie:
= denken over zichzelf en anderen en het reflecteren over wat ik zelf denk en over hoe ik denk dat
andere mensen denken
- wisselwerking tussen iets zien en denken, heeft impact op wat je gaat doen
- heeft invloed op ons zelfbeeld
● processen waarbij we informatie
○ verwerven / selectie / opslaan
○ integreren / organiseren / structureren
○ Interpreteren
● over mensen
○ anderen (sociale perceptie)
➔ observeren, kijken (vermogen om bij te leren, na te denken →
actief proces)
➔ reflecteren over wat we denken over onszelf en anderen, nadenken wat we
gedaan hebben
➔ gevoelig aan wat anderen zouden kunnen denken over ons
➔ bepaalde informatie die tot bij ons komt
➔ onze zintuigen moeten prikkels kunnen opnemen → we moeten iets
waarnemen om het te processen
➔ persoonlijke en sociale gegevens over mensen verzamelen, invoeren,
verwerken en uitvoeren
➔ gaat over jezelf en over de andere → de andere bepaald mee aan je
zelfbeeld
➔ we gaan kijken of de prikkel is binnengekomen, is dit voor mij relevant?
○ zichzelf (zelfperceptie)
● het verwerken van nieuwe informatie van de sociale context
● de constructie van een zelfbeeld is verbonden met het beeld dat we hebben van groepen
waartoe we behoren en de groepen waarvan we geen deel uitmaken
1
,1.1. Schema’s:
- Jean Piaget: cognitieve ontwikkeling
➔ gestructureerde functioneringspatronen: zo een schema’s zijn mentale structuren die
aan de basis liggen aan ons handelen
➔ onze reflexen waarmee we geboren worden (babinski reflex)
➔ naarmate je ouder wordt gaan schema’s groeien, verdiepen en verbinden
- de aanvankelijke schema’s, die betrekking hebben op fysieke activiteiten, worden onder
invloed van assimilatie en accomodatie complexer en meer op elkaar afgestemd
Omschrijving
● cognitieve structuur
● eerder verworven kennis
● gaat over stimulus of concept
➔ over personen, feiten, kenmerken
● sociale cognitie heeft invloed op ons zelfbeeld
● sociale context heeft invloed op ons handelen (de omgeving waar je in zit gaat bepalen wat je
doen)
● Sociale schema’s: bestaan uit het geheel van eigenschappen en gedragingen die men
karakteristiek acht voor de leden van deze categorieën
Zelfschema:
- hoe we kijken naar onszelf, heeft invloed op ons zelfbeeld
- we hebben andere nodig voor het creëren van ons zelfbeeld
zelfkennis uit
1. zelfobservatie: hoe goed doe je aan introspectie of zelfreflectie
2. ‘looking-glass self’: feedback dat je krijgt uit de omgeving over je gedrag (kan direct of subtiel
zijn)
3. sociale vergelijking: jezelf vergelijken met anderen
Prototype: schema dat je gaat opbouwen van hele reeks mensen en je gaat meest relevante
kenmerken gaan gebruiken om je prototype vorm te geven
● een gemiddelde van een specifieke groep van mensen
● je maakt het vanuit je eigen ervaring en maakt schema uit je eigen hoofd
Script: een schema voor het verloop van gebeurtenissen in bepaalde situaties (schema opbouwen
van wat gebeurt er in deze situatie)
➔ hoe meer vertrouwd je bent met situatie, hoe meer je weet wat je moet doen
➔ stuurt onze persoonsbeoordeling
1.2. Kenmerken
- gestalt: je brengt losse elementen samen in een geheel/ gestalt en dat geheel krijgt nieuwe
betekenis
- psychologen gaan ervan uit dat schema’s associatief verbonden zijn in netwerken
- organisatie
- bv. Je bent in het buitenland en ziet daar op straat iemand met een blauw uniform en een
kepie op. Je vermoedt dat het een politieagent is
➔ dit komt omdat je vertrouwt op bestaande kennis en schema’s die je hebt opgeslagen
- schema’s beïnvloeden de herinnering + als schema’s geactiveerd zijn, sturen ze onze
persoonsperceptie
- sturen persoonsperceptie (aandacht voor wat past binnen het geactiveerd schema)
➔ schema’s gaan invloed hebben in hoe we dingen blijven herinneren (anders
herinneren, heel selectief dingen herinneren)
2
, - Top-down of theory-driven: de kennis die je bezit gaat de perceptie en interpretatie mee gaan
sturen
- Prescriptief
➔ bieden beeld van hoe iets moet/kan zijn en stuurt ons gedrag
➔ attributies zoeken die schema in stand houden
➔ need for cognition <-> need for certainty
in onze hersenen 2 systemen
- Need for cognition: systeem van traag denken → ons rationeel denken →
overdenken
- Need for certainty: waarin we heel snel moeten denken en beslissingen moeten
nemen → impulsief vanuit emotie 95%
- Toegankelijker naarmate
➔ vaker opgeroepen
➔ recenter opgeroepen
● Door schema’s vlugger te verwerken, kunnen we veel informatie verwerken
● mensen besteden aandacht aan die persoonlijkheidstrekken die passen in het kader van een
al geactiveerd schema, terwijl ze aan niet-passende informatie voorbijgaan
● attributies: verklaringen die we zoeken voor iemands gedrag, kunnen voortvloeien uit
schema’s, meer bepaald wanneer feiten afwijken van datgene dat we op basis van schema’s
verwachten
● toegankelijkheid van schema’s wordt bepaald door 2 factoren
➔ hoe vaker het schema al is opgeroepen, hoe toegankelijker het is en wordt
➔ recent toegepaste schema’s toegankelijker (priming)
● Schema’s zorgen ervoor dat bepaalde informatie makkelijk en vlug kan verwerkt worden en
zo meer ruimte komt voor andere gedachten
● schema’s: cognitieve structuren die georganiseerde kennis representeren
● schema’s kunnen alleen vanuit onszelf geactiveerd worden, zonder externe aanleiding
➔ kan door emoties, verwachtingen, verlangens
➔ mensen verschillen naarmate bepaalde schema’s voor hen relevanter zijn
➔ schema’s kunnen opgeroepen worden door een stimulus uit de omgeving
➔ bepaalde informatie uit de omgeving, zelfs al zijn we ons daar niet van bewust, kan
een schema volledig of ten dele activeren
● een schema, een stereotype automatisch kan worden geactiveerd en agressief gedrag kan
uitlokken
● Dual process theory: in ons brein 2 verschillende systemen hebben ontwikkeld
● Laag- als hoog bevooroordeelde mensen → ze hanteren dezelfde stereotypen
➔ Laag bevooroordeelde mensen krijgen ook negatieve stereotypen in hun
hoofd, maar proberen die actief te onderdrukken
➔ hoog bevooroordeelde mensen laten die stereotypen juist meewegen in hun
oordeel.
● Uitzondering op automatische activatie
➔ uit onderzoek bleek dat hoog bevooroordeelde mensen wel een negatief stereotype
over zwarten te activeren, maar laag bevooroordeelden niet
3
, 2. CONFIGUREREN
- soms kan het gebeuren dat bepaalde gebeurtenis of bepaalde persoon verschillende thema’s
oproepen
- schema’s worden door bepaalde stimuli geactiveerd en vertonen samenhang
- effecten zorgen soms voor vertekening
- het zorgt ervoor met welk schema je aan de slag moet gaan
2.1. Kenmerken
- hoe meer een kenmerk opvalt, hoe gemakkelijker dat het activeert aan de aansluitende
schema’s
- opvallendheid wordt beïnvloed door contextfactoren
- wat opvalt, valt op. Dit schema wordt onmiddellijk en als eerste geactiveerd:
➔ naam, geslacht, huidskleur
2.2. Configureren: Primacy-effect
= de eerste informatie die wij over iets of iemand krijgen (Het globale oordeel wordt meer beïnvloed
door de eerste informatie dan door latere informatie)
- de volgorde waarin prikkels zich aandienen, speelt een rol bij het belang dat we eraan geven
- in experiment van Asch kreeg de helft van de proefpersonen de beschrijving van fictieve
persoon
➔ “hij is intelligent, ijverig, impulsief, koppig” zie p. 14
- In selectie-interviews (sollicitatiegesprekken) is aangetoond dat de volgorde waarin informatie
over een kandidaat wordt besproken een invloed heeft op hoe de interviewer de kandidaat
beoordeelt.
- de eerste indruk is belangrijk bij sollicitatiegesprekken
- moeilijk om iets negatief te keren naar iets positiefs
➔ gebaseerd op lichaamstaal, stem en woorden
➔ Asch voegde ertoe dat latere informatie anders wordt geïnterpreteerd
➔ Nieuwe informatie wordt opgenomen en geïnterpreteerd binnen het kader van
de eerste beeldvorming
➔ behoefte aan afsluiting (aandacht verzwakt naarmate men meer informatie
krijgt)
vb primacy effect: kunstenaars, schrijvers, zangers
Men kan zich wapenen tegen het primacy effect: Als iemand gemotiveerd is en goed oplet, kan
die persoon blijven nadenken en ook latere informatie meenemen in zijn oordeel.
- Mensen verschillen in hoe sterk ze de behoefte voelen om zaken af te ronden en hoe
graag ze onduidelijkheid willen vermijden
- Verklaringen (de werking van het korte termijngeheugen)
➔ Latere informatie wordt beoordeeld door de bril van de eerste indruk die eerder
is gevormd
➔ behoefte aan afsluiten, zodra men ongeveer een beeld heeft
➔ Primacy effect speelt wanneer er veel informatie op ons afkomt en moeten snel
oordeel gaan vormen
➔ Wat je eerst ziet, zal zorgen dat schema geactiveerd wordt. Alle latere informatie die
nog komt gaat minder zwaar doorwegen in ons oordeel en is al gekelurd (gaan we
interpreteren in wat we in het 1ste al geoordeeld hebben
4