Sociale psychologie
1. Inleiding: kennismaking met de sociale psychologie
Sociale psychologie = de wetenschappelijke studie van de manier waarop de gedachten,
gevoelens en handelingen van de mensen beïnvloed worden door de feitelijke, voorgestelde of
geïmpliceerde aanwezigheid van andere mensen.
Aspecten van de definitie:
Een wetenschappelijke studie
- In tegenstelling tot intuïtieve kennis
- Beweringen die empirisch getoetst kunnen worden → gebaseerd op een grote groep
Drie onderzoeksmethodes:
1) De begrijpende methode
● Gevalstudie → waarom heeft iemand een bepaalde misdaad gedaan (gaat in zijn
geschiedenis duiken)
● Nauwgezetter en systematischer dan de intuïtieve benadering
● Beperking: subjectiviteit
2) De correlationele methode
● Samenhang tussen variabelen uitgedrukt in een correlatie → op zoek gaan naar
verbanden bij verschillende variabelen
● Als er een verband is, moet het niet noodzakelijk een oorzakelijk verband zijn
3) De experimentele methode
● Maakt het mogelijk om te onderzoeken of een bepaalde variabele invloed heeft
op een andere
- De afhankelijke variabele → te meten variabele
- De onafhankelijke variabele → variabele die gemanipuleerd wordt of
verandert
● De experimentele en de controle groep
● Causaal verband aantonen
,De empirische cyclus:
A-B-C model:
Niet enkel zichtbaar gedrag bestuderen
Affectieve component: gevoelens (nerveus)
Behaviour of gedragscomponent: gedrag (sneller praten)
Cognitief component: gedachten (iedereen gaat me uitlachen)
- Innerlijke gedragsaspecten (mentale processen achter waarneembaar gedrag) →
objectief observeerbaar
De gedachten, gevoelens en handelingen van mensen zijn innerlijke gedragsaspecten die objectief kunnen
worden geobserveerd.
1) Directe weg → gevoelens direct vaststellen ;bijvoorbeeld een feitelijke keuze laten
maken
Vb pupillen worden groter door opwinding
2) Indirecte weg → je kan geen gedachten lezen; bijvoorbeeld het laten beoordelen van
uitspraken vb ik voel me comfortabel in een multiculturele groep
,De feitelijke, voorgestelde of geïmpliceerde aanwezigheid van anderen:
- Feitelijke of directe aanwezigheid
→ Anderen zijn écht aanwezig en beïnvloeden rechtstreeks je gedrag.
Voorbeeld: je praat zachter in de bibliotheek omdat er mensen om je heen zitten.
- Voorgestelde aanwezigheid
→ De persoon in kwestie word beïnvloed door iemand die er (nog) niet is
Maken van keuzes rekening houdend met de mening van personen die niet aanwezig zijn
Bv. Tinderdate klaarmaken/ mooi maken je stelt jezelf voor dat iemand (al) bij je is
- Impliciete aanwezigheid
→ Je gedrag wordt beïnvloed door “onzichtbare” anderen of systemen, vaak zonder dat
je je daar bewust van bent
Voorbeeld: je volgt verkeersregels omdat “de maatschappij” dat verwacht, ook als er geen politie
in de buurt is.
Enkele aanvullingen op de definitie van Allport:
- Ook hoe we zelf actief inspelen op anderen → we beïnvloeden elkaar in onze interacties
- Bewuste (intentionele) beïnvloeding en onbewuste beïnvloeding
→ bewust: Wanneer iemand doelbewust probeert jouw gedrag, gedachten of gevoelens
te sturen of omgekeerd
vb uitleggen waarom studeren belangrijk is
→ onbewust: Wanneer je gedrag of mening beïnvloed wordt zonder dat je het doorhebt.
(chameleon effect, dat is iemand nadoen en vooral in houding)
vb Je koopt een product omdat je het merk vaak op sociale media hebt gezien
Conclusie: het gaat niet om een specifiek gedrag, elk gedrag kan sociaal zijn. Het gaat om de
wijze waarop naar het gedrag wordt gekeken.
, Onderscheid met de sociologie:
Sociologie = aandacht voor de meer globale groepskenmerken van het gedrag
Bv. onderzoek naar echtscheidingen
→ psychologie: kenmerken van de maatschappij kijken, vrouwen werken meer, dus is het
makkelijker om te scheiden.
→ sociologie: kijkt men naar de interactie met elkaar.
De eigen invalshoek van de sociale psychologie:
Een sterke expermintele traditie:
- Op een eenduidige manier aantonen welke factoren invloed hebben
- Storende variabelen kunnen onder controle worden gehouden
- Eerste sociaal psychologische experimenten dateren van het einde van de 19de eeuw
→ experiment van Norman Triplett: hij liet kinderen naast elkaar aan een hengel draaien
(molen vislijn) en hij ging vergelijken of ze het beter deden als ze alleen waren of als er
andere kinderen bij waren
Conclusie: deden het beter als ze met andere kinderen waren
Nauwe band tussen theorie en praktijk:
- Invloed van de WOII
- Praktische problemen die moesten worden opgelost → problemen vanuit de praktijk
oplossen
● Hoe het moreel van de troepen op peil houden?
● Hoe de burgerbevolking mobiliseren?
1. Inleiding: kennismaking met de sociale psychologie
Sociale psychologie = de wetenschappelijke studie van de manier waarop de gedachten,
gevoelens en handelingen van de mensen beïnvloed worden door de feitelijke, voorgestelde of
geïmpliceerde aanwezigheid van andere mensen.
Aspecten van de definitie:
Een wetenschappelijke studie
- In tegenstelling tot intuïtieve kennis
- Beweringen die empirisch getoetst kunnen worden → gebaseerd op een grote groep
Drie onderzoeksmethodes:
1) De begrijpende methode
● Gevalstudie → waarom heeft iemand een bepaalde misdaad gedaan (gaat in zijn
geschiedenis duiken)
● Nauwgezetter en systematischer dan de intuïtieve benadering
● Beperking: subjectiviteit
2) De correlationele methode
● Samenhang tussen variabelen uitgedrukt in een correlatie → op zoek gaan naar
verbanden bij verschillende variabelen
● Als er een verband is, moet het niet noodzakelijk een oorzakelijk verband zijn
3) De experimentele methode
● Maakt het mogelijk om te onderzoeken of een bepaalde variabele invloed heeft
op een andere
- De afhankelijke variabele → te meten variabele
- De onafhankelijke variabele → variabele die gemanipuleerd wordt of
verandert
● De experimentele en de controle groep
● Causaal verband aantonen
,De empirische cyclus:
A-B-C model:
Niet enkel zichtbaar gedrag bestuderen
Affectieve component: gevoelens (nerveus)
Behaviour of gedragscomponent: gedrag (sneller praten)
Cognitief component: gedachten (iedereen gaat me uitlachen)
- Innerlijke gedragsaspecten (mentale processen achter waarneembaar gedrag) →
objectief observeerbaar
De gedachten, gevoelens en handelingen van mensen zijn innerlijke gedragsaspecten die objectief kunnen
worden geobserveerd.
1) Directe weg → gevoelens direct vaststellen ;bijvoorbeeld een feitelijke keuze laten
maken
Vb pupillen worden groter door opwinding
2) Indirecte weg → je kan geen gedachten lezen; bijvoorbeeld het laten beoordelen van
uitspraken vb ik voel me comfortabel in een multiculturele groep
,De feitelijke, voorgestelde of geïmpliceerde aanwezigheid van anderen:
- Feitelijke of directe aanwezigheid
→ Anderen zijn écht aanwezig en beïnvloeden rechtstreeks je gedrag.
Voorbeeld: je praat zachter in de bibliotheek omdat er mensen om je heen zitten.
- Voorgestelde aanwezigheid
→ De persoon in kwestie word beïnvloed door iemand die er (nog) niet is
Maken van keuzes rekening houdend met de mening van personen die niet aanwezig zijn
Bv. Tinderdate klaarmaken/ mooi maken je stelt jezelf voor dat iemand (al) bij je is
- Impliciete aanwezigheid
→ Je gedrag wordt beïnvloed door “onzichtbare” anderen of systemen, vaak zonder dat
je je daar bewust van bent
Voorbeeld: je volgt verkeersregels omdat “de maatschappij” dat verwacht, ook als er geen politie
in de buurt is.
Enkele aanvullingen op de definitie van Allport:
- Ook hoe we zelf actief inspelen op anderen → we beïnvloeden elkaar in onze interacties
- Bewuste (intentionele) beïnvloeding en onbewuste beïnvloeding
→ bewust: Wanneer iemand doelbewust probeert jouw gedrag, gedachten of gevoelens
te sturen of omgekeerd
vb uitleggen waarom studeren belangrijk is
→ onbewust: Wanneer je gedrag of mening beïnvloed wordt zonder dat je het doorhebt.
(chameleon effect, dat is iemand nadoen en vooral in houding)
vb Je koopt een product omdat je het merk vaak op sociale media hebt gezien
Conclusie: het gaat niet om een specifiek gedrag, elk gedrag kan sociaal zijn. Het gaat om de
wijze waarop naar het gedrag wordt gekeken.
, Onderscheid met de sociologie:
Sociologie = aandacht voor de meer globale groepskenmerken van het gedrag
Bv. onderzoek naar echtscheidingen
→ psychologie: kenmerken van de maatschappij kijken, vrouwen werken meer, dus is het
makkelijker om te scheiden.
→ sociologie: kijkt men naar de interactie met elkaar.
De eigen invalshoek van de sociale psychologie:
Een sterke expermintele traditie:
- Op een eenduidige manier aantonen welke factoren invloed hebben
- Storende variabelen kunnen onder controle worden gehouden
- Eerste sociaal psychologische experimenten dateren van het einde van de 19de eeuw
→ experiment van Norman Triplett: hij liet kinderen naast elkaar aan een hengel draaien
(molen vislijn) en hij ging vergelijken of ze het beter deden als ze alleen waren of als er
andere kinderen bij waren
Conclusie: deden het beter als ze met andere kinderen waren
Nauwe band tussen theorie en praktijk:
- Invloed van de WOII
- Praktische problemen die moesten worden opgelost → problemen vanuit de praktijk
oplossen
● Hoe het moreel van de troepen op peil houden?
● Hoe de burgerbevolking mobiliseren?