Politicologie bachelor 1
→ Meeste examenvragen vanop pwp slides
Inleiding
Belang van politiek
Politiek = belangrijk, heeft invloed op van alles!
Invoering van de autogordel -> waardoor minder doden MAAR veel verzet, waarom zou de politiek bemoeien?
→ Burgers vonden dat een privézaak, overheid moest zich niet bemoeien (toch ong. 30.000 minder doden in B & NL)
Politiek heeft impact -> MAAR beperkte maakbaarheid = niet alles kunnen sturen/controleren
samenleving is complex en wordt ook beïnvloed door: Economie (inflatie/werkloosheid) &v Mentaliteit
(hoe mensen denken/ hun waarden & gedrag0029
voorbeelden van uitdagingen: Migratencrisis, vluchtelingencrisis, radicalisering, corona, Oekraïne
=> nationale politiek mist een greep, niet alles in handen (Burgers ervaren soms dat lokale politici weinig
kunnen veranderen bv. Klimaatbeleid/migratie/energie – afhankelijk van internationale afspraken)
Deze cursus kijken we naar de bouwstenen van de politiek:
• Actor = Personen of groepen die invloed uitoefenen op het politieke proces (politici, partijen/
ministers…)
• Instellingen: formele structuren (parlement, regering, rechtbanken…) = vormen kader waarin
politieke besluitvorming plaatsvindt
• Functioneren: Hoe deze actoren en instellingen samenwerken, conflicten oplossen, beleid maken
en uitvoeren
→ Deze elementen in breder kader plaatsen van dagdagelijks versnipperd politiek nieuws (dagelijkse
politieke nieuws — vaak fragmentarisch en oppervlakkig — beter begrijpen door het te koppelen
aan de onderliggende politieke structuren en processen)
→ Historisch Kader: politieke instellingen en praktijken zijn historisch gegroeid, door het verleden
te begrijpen, zie je waarom bepaalde structuren vandaag bestaan
Bv. Vakbonden zijn opgericht door individuen, staat heeft dit overgenomen, beheren zo mee
de sociale zekerheid
→ Vergelijken (comparatief) – leren hoe andere landen hun democratie organiseren, wat de impact
is van verschillende kiesstelsels, partijstructuren, beleidsvormen
Comparative politics
= belangrijke tak in de politieke wetenschappen (naast bestuurskunde, internationale politiek en
politieke filosofie)
‘If you only knows one country, you do not know any country at all’
België (Nederland) voortdurend vergelijken met andere landen
bv. sterkte van rechts-populistische partijen (vgl. met Franstalig België)
1
,H1: politiek en politicologie
Politiek
Politiek = alles wat te maken heeft met het besturen van de (een) samenleving
-> afspraken nodig als mensen iets samen doen Bv. Afspraken bij gezin, vereniging, sportclub…
MAAR hoe grotere groep (samenleving) = hoe meer afspraken = formeel (op papier, officieel via de wet,
niet meer mondeling)
Πολιτικα (politika) = dat wat met de staat (polis) te maken heeft (Polis = samenleving)
Afspraken geven dus per definitie ook conflicten (meningsverschillen, discussies door geslacht, afkomst,
leeftijd…) over besturen van de samenleving -> politiek is dus het oplossen van een conflict op een
vreedzame manier
MAAR politiek = brede definitie, want politiek is overal, overal waar er regels bestaan -> ook in
verenigingen en organisaties
Politiekers zijn gevormd door het zitten in verenigen, organisaties -> dus dit zijn leerscholen voor de
‘grote’ politiek
Variaties in politiek
1) Territorium
Welk soort samenleving wordt gestuurd? Een vereniging… (vrijwillig) of een gemeente… (niet vrijwillig)
Samenlevingen met en zonder territorium voor dewelke afspraken gelden
Kan je er uit stappen of niet?
• Uitstappen: van een fietsclub kan je ontsnappen, je stopt met fietsen
• Niet uitstappen: kan niet ontsnappen uit de Belgische politiek als Belg, buiten door te verhuizen,
maar dan heb je daar (op je nieuwe woonplek) ook territoriale politiek
MET territorium = omvattender en dwingender
staat = politieke organisatie met een eigen grondgebied waarover hij soeverein is = geen hogere macht
erkent binnen dat gebied = definitie van een staat
De Katholieke Kerk had vroeger ook klein territorium (Vaticaanstad) en wilde ook ‘sturen (politieke
invloed uitoefenen)
Bv. Russische referenda in Oekraïens gebied, houden zich niet aan de soevereiniteit =
(Rusland hield stemmingen (referenda) in delen van Oekraïne die het had bezet. Daarmee wilde Rusland doen alsof die
gebieden nu bij Rusland horen. Maar Oekraïne en veel andere landen zeggen: “Dat is niet geldig, want dat is Oekraïens
grondgebied.” Een staat mag alleen beslissingen nemen over zijn eigen grondgebied. Dus Rusland heeft daar geen recht om te
stemmen of wetten te maken)
→ Niet alleen staten hebben grondgebied! (decentralisatie (regio’s) en internationalisering (NAVO) -
Gemeenten, kantons… hebben grondgebied maar de staat is de hoogste macht !!
2
,2) Cultureel
Verschillende opvattingen over mate waarin regels mogen ingrijpen (reikwijdte) -> dramatisch
verschoven
- 19de eeuwse ‘nachtwakersstaat’, staat deed niks (was alleen ordehandhaving, defensie, belastingen)
NU is er steeds meer vraag om domeinen ‘politiek’ te regelen -> bij problemen wordt er altijd gekeken
naar de overheid
→ Sociale bescherming: hulp van de overheid bij ziekte, ouderdom, werkloosheid of armoede
→ veel later milieu en klimaat -> zorgen over vervuiling en opwarming → politiek maakt regels en akkoorden
→ Arbeidsbeweging: wetten voor loon, werkuren, veiligheid → politiek regelde sociale bescherming (vrije economie
inperken)
Enorme explosie van politiek ingrijpen! Vroeger minder kijk naar zo’n onderwerpen
→ homohuwelijk en adoptie
Politieke cultuur wijzigt: grenzen tussen privé en publiek verschuiven
Bv. verplicht aanwerven van mensen met een migratieachtergrond door werkgevers, praktijktesten, roken in bijzijn van kinderen,
verplaatsingsverbod tijdens Corona, partnergeweld…
Technologische ontwikkelingen (afluisterapparatuur, bijhouden van computerinformatie…) zorgen ervoor
dat deze grens verkleint
3) Vormen (van de politiek)
Welke vorm neemt de sturing van de (territoriale) samenleving aan? Wat zijn de verschillen tussen
politieke systemen (‘regimes’)
Classificaties
▪ Democratische vs. autoritaire regimes
- Democratisch regime (bv. België) = macht is tijdelijk & verspreid (scheiding der machten) over
verschillende verkozen groepen, burgers kiezen zelf en fundamentele vrijheden worden
beschermd (bv. vrijheid van meningsuiting, vereniging en pers)
(Land waar basisrechten van individuele burger niet gerespecteerd wordt -> onmogelijk democratisch!)
- Autoritaire regimes (bv. Noord-Korea) = Macht ligt bij één persoon of een kleine groep, vaak
zonder verkiezingen of met gecontroleerde verkiezingen, beperkte of geen fundamentele
vrijheden & kritiek op de overheid wordt vaak onderdrukt
▪ unitaire vs. federale staten
- unitaire staat: bestuurd vanuit 1 centraal punt
- federale staat: Macht is verdeeld tussen een nationaal niveau en deelstaten of regio’s.
▪ variaties in instellingen en procedures
- Verkiezingen, partijen, parlement (Wetgevende macht), grondwet (Basisdocument dat rechten,
plichten en instellingen vastlegt), staatshoofd (koning of president)…
→ Studie van de variatie in de politieke vormen centraal in politieke wetenschap
Wat doet een politicoloog?
Doel = regelmaat (patronen) ontdekken in fenomenen & complexe patronen vereenvoudigen
Bv. Meisjes worden meer pro groen en jongens meer Vlaams Belang
3
, Sociale werkelijkheid = complex want reflexief (kennis gebruikt om voorspelde voorwaarde onderuit te
halen bv. voorspelling omzeilen – er iets aan doen, ze willen voorkomen dat de voorspelling uitkomt)
Werkelijkheid ‘formaliseren’ in variabelen / analytisch (geslacht, leeftijd…) → Politicologen zetten
abstracte begrippen om in meetbare gegevens om ze te kunnen bestuderen
Structuren: posities en rollen determineren gedrag -> gedrag wordt bepaald door de context of omgeving
(niet alleen persoonlijkheden, maar zie Georges-Louis Bouchez, die zich niet laat voorschrijven hoe hij
zich zou moeten gedragen, doet zijn eigen ding)
Bv. Bart de Wever is veranderd na zijn verandering van functie, moet een andere rol spelen
Politicologen vergelijken situaties om patronen te vinden
Patronen zie je door te vergelijken, twee manieren:
1. veel waarnemingen (grote N): kijken naar heel veel gevallen, bijvoorbeeld honderden verkiezingen
2. goed gekozen waarnemingen (kleine N): kiezen een paar heel relevante voorbeelden om die diep te
bestuderen
Politieke wetenschap
• Veel groepen praten over politiek (burgers, journalisten, kunstenaars…)
• Politieke wetenschappers en journalisten willen politieke gebeurtenissen en instellingen beschrijven,
begrijpen en verklaren en NIET beoordelen!
Daarom volgen ze eigen regels:
1. intellectuele distantie
Doel = niet in de eerste plaats te zeggen hoe het moet en om zelf deel te nemen
•
MAAR neutraliteit bestaat niet, worden nog steeds beïnvloed door voorkeuren, belangen,
interesses… (= essentie van sociale wetenschappen, mensen bepaald door hun omgeving)
• Keuze van onderwerpen (bv. Terrorisme) hangen ook af van de onderzoeker -> doen onderzoek naar
wat zij een probleem vinden MAAR de conclusie zou neutraal moeten zijn!
• Politicoloog doet verslag van zijn bevindingen (kan dan gebruikt worden door anderen)
2. wetenschappelijke methode = manier van onderzoeken waarbij stap voor stap betrouwbare kennis verzamelt
• vele, bewust ingezamelde waarnemingen afnemen (vaak zaken vergelijken)
- Systematische inzameling van gegevens (gepland)
- Gebeurtenis duiden als fenomeen dat uiting is van een bredere categorie, gebeurtenissen
begrijpen als deel van een groter geheel (algemeen verschijnsel) (vb. Belgisch confederalisme, niet
zomaar een politiek idee, maar een voorbeeld van hoe landen macht verdelen)
- Vergelijking, bewust zoeken naar gelijkaardige en verschillende cases
• keuze van onderzoekstechnieken
- Hoe data analyseren?
- Kwantitatief = veel cijfers en metingen → handig om algemene conclusies te trekken
- Kwalitatief = kwalitatieve observaties → handig om iets goed te begrijpen
→ makkelijker generaliseren met veel waarnemingen
• Open rapporteren over wat en waarom
- legt duidelijk uit wat je hebt gedaan en waarom
4
→ Meeste examenvragen vanop pwp slides
Inleiding
Belang van politiek
Politiek = belangrijk, heeft invloed op van alles!
Invoering van de autogordel -> waardoor minder doden MAAR veel verzet, waarom zou de politiek bemoeien?
→ Burgers vonden dat een privézaak, overheid moest zich niet bemoeien (toch ong. 30.000 minder doden in B & NL)
Politiek heeft impact -> MAAR beperkte maakbaarheid = niet alles kunnen sturen/controleren
samenleving is complex en wordt ook beïnvloed door: Economie (inflatie/werkloosheid) &v Mentaliteit
(hoe mensen denken/ hun waarden & gedrag0029
voorbeelden van uitdagingen: Migratencrisis, vluchtelingencrisis, radicalisering, corona, Oekraïne
=> nationale politiek mist een greep, niet alles in handen (Burgers ervaren soms dat lokale politici weinig
kunnen veranderen bv. Klimaatbeleid/migratie/energie – afhankelijk van internationale afspraken)
Deze cursus kijken we naar de bouwstenen van de politiek:
• Actor = Personen of groepen die invloed uitoefenen op het politieke proces (politici, partijen/
ministers…)
• Instellingen: formele structuren (parlement, regering, rechtbanken…) = vormen kader waarin
politieke besluitvorming plaatsvindt
• Functioneren: Hoe deze actoren en instellingen samenwerken, conflicten oplossen, beleid maken
en uitvoeren
→ Deze elementen in breder kader plaatsen van dagdagelijks versnipperd politiek nieuws (dagelijkse
politieke nieuws — vaak fragmentarisch en oppervlakkig — beter begrijpen door het te koppelen
aan de onderliggende politieke structuren en processen)
→ Historisch Kader: politieke instellingen en praktijken zijn historisch gegroeid, door het verleden
te begrijpen, zie je waarom bepaalde structuren vandaag bestaan
Bv. Vakbonden zijn opgericht door individuen, staat heeft dit overgenomen, beheren zo mee
de sociale zekerheid
→ Vergelijken (comparatief) – leren hoe andere landen hun democratie organiseren, wat de impact
is van verschillende kiesstelsels, partijstructuren, beleidsvormen
Comparative politics
= belangrijke tak in de politieke wetenschappen (naast bestuurskunde, internationale politiek en
politieke filosofie)
‘If you only knows one country, you do not know any country at all’
België (Nederland) voortdurend vergelijken met andere landen
bv. sterkte van rechts-populistische partijen (vgl. met Franstalig België)
1
,H1: politiek en politicologie
Politiek
Politiek = alles wat te maken heeft met het besturen van de (een) samenleving
-> afspraken nodig als mensen iets samen doen Bv. Afspraken bij gezin, vereniging, sportclub…
MAAR hoe grotere groep (samenleving) = hoe meer afspraken = formeel (op papier, officieel via de wet,
niet meer mondeling)
Πολιτικα (politika) = dat wat met de staat (polis) te maken heeft (Polis = samenleving)
Afspraken geven dus per definitie ook conflicten (meningsverschillen, discussies door geslacht, afkomst,
leeftijd…) over besturen van de samenleving -> politiek is dus het oplossen van een conflict op een
vreedzame manier
MAAR politiek = brede definitie, want politiek is overal, overal waar er regels bestaan -> ook in
verenigingen en organisaties
Politiekers zijn gevormd door het zitten in verenigen, organisaties -> dus dit zijn leerscholen voor de
‘grote’ politiek
Variaties in politiek
1) Territorium
Welk soort samenleving wordt gestuurd? Een vereniging… (vrijwillig) of een gemeente… (niet vrijwillig)
Samenlevingen met en zonder territorium voor dewelke afspraken gelden
Kan je er uit stappen of niet?
• Uitstappen: van een fietsclub kan je ontsnappen, je stopt met fietsen
• Niet uitstappen: kan niet ontsnappen uit de Belgische politiek als Belg, buiten door te verhuizen,
maar dan heb je daar (op je nieuwe woonplek) ook territoriale politiek
MET territorium = omvattender en dwingender
staat = politieke organisatie met een eigen grondgebied waarover hij soeverein is = geen hogere macht
erkent binnen dat gebied = definitie van een staat
De Katholieke Kerk had vroeger ook klein territorium (Vaticaanstad) en wilde ook ‘sturen (politieke
invloed uitoefenen)
Bv. Russische referenda in Oekraïens gebied, houden zich niet aan de soevereiniteit =
(Rusland hield stemmingen (referenda) in delen van Oekraïne die het had bezet. Daarmee wilde Rusland doen alsof die
gebieden nu bij Rusland horen. Maar Oekraïne en veel andere landen zeggen: “Dat is niet geldig, want dat is Oekraïens
grondgebied.” Een staat mag alleen beslissingen nemen over zijn eigen grondgebied. Dus Rusland heeft daar geen recht om te
stemmen of wetten te maken)
→ Niet alleen staten hebben grondgebied! (decentralisatie (regio’s) en internationalisering (NAVO) -
Gemeenten, kantons… hebben grondgebied maar de staat is de hoogste macht !!
2
,2) Cultureel
Verschillende opvattingen over mate waarin regels mogen ingrijpen (reikwijdte) -> dramatisch
verschoven
- 19de eeuwse ‘nachtwakersstaat’, staat deed niks (was alleen ordehandhaving, defensie, belastingen)
NU is er steeds meer vraag om domeinen ‘politiek’ te regelen -> bij problemen wordt er altijd gekeken
naar de overheid
→ Sociale bescherming: hulp van de overheid bij ziekte, ouderdom, werkloosheid of armoede
→ veel later milieu en klimaat -> zorgen over vervuiling en opwarming → politiek maakt regels en akkoorden
→ Arbeidsbeweging: wetten voor loon, werkuren, veiligheid → politiek regelde sociale bescherming (vrije economie
inperken)
Enorme explosie van politiek ingrijpen! Vroeger minder kijk naar zo’n onderwerpen
→ homohuwelijk en adoptie
Politieke cultuur wijzigt: grenzen tussen privé en publiek verschuiven
Bv. verplicht aanwerven van mensen met een migratieachtergrond door werkgevers, praktijktesten, roken in bijzijn van kinderen,
verplaatsingsverbod tijdens Corona, partnergeweld…
Technologische ontwikkelingen (afluisterapparatuur, bijhouden van computerinformatie…) zorgen ervoor
dat deze grens verkleint
3) Vormen (van de politiek)
Welke vorm neemt de sturing van de (territoriale) samenleving aan? Wat zijn de verschillen tussen
politieke systemen (‘regimes’)
Classificaties
▪ Democratische vs. autoritaire regimes
- Democratisch regime (bv. België) = macht is tijdelijk & verspreid (scheiding der machten) over
verschillende verkozen groepen, burgers kiezen zelf en fundamentele vrijheden worden
beschermd (bv. vrijheid van meningsuiting, vereniging en pers)
(Land waar basisrechten van individuele burger niet gerespecteerd wordt -> onmogelijk democratisch!)
- Autoritaire regimes (bv. Noord-Korea) = Macht ligt bij één persoon of een kleine groep, vaak
zonder verkiezingen of met gecontroleerde verkiezingen, beperkte of geen fundamentele
vrijheden & kritiek op de overheid wordt vaak onderdrukt
▪ unitaire vs. federale staten
- unitaire staat: bestuurd vanuit 1 centraal punt
- federale staat: Macht is verdeeld tussen een nationaal niveau en deelstaten of regio’s.
▪ variaties in instellingen en procedures
- Verkiezingen, partijen, parlement (Wetgevende macht), grondwet (Basisdocument dat rechten,
plichten en instellingen vastlegt), staatshoofd (koning of president)…
→ Studie van de variatie in de politieke vormen centraal in politieke wetenschap
Wat doet een politicoloog?
Doel = regelmaat (patronen) ontdekken in fenomenen & complexe patronen vereenvoudigen
Bv. Meisjes worden meer pro groen en jongens meer Vlaams Belang
3
, Sociale werkelijkheid = complex want reflexief (kennis gebruikt om voorspelde voorwaarde onderuit te
halen bv. voorspelling omzeilen – er iets aan doen, ze willen voorkomen dat de voorspelling uitkomt)
Werkelijkheid ‘formaliseren’ in variabelen / analytisch (geslacht, leeftijd…) → Politicologen zetten
abstracte begrippen om in meetbare gegevens om ze te kunnen bestuderen
Structuren: posities en rollen determineren gedrag -> gedrag wordt bepaald door de context of omgeving
(niet alleen persoonlijkheden, maar zie Georges-Louis Bouchez, die zich niet laat voorschrijven hoe hij
zich zou moeten gedragen, doet zijn eigen ding)
Bv. Bart de Wever is veranderd na zijn verandering van functie, moet een andere rol spelen
Politicologen vergelijken situaties om patronen te vinden
Patronen zie je door te vergelijken, twee manieren:
1. veel waarnemingen (grote N): kijken naar heel veel gevallen, bijvoorbeeld honderden verkiezingen
2. goed gekozen waarnemingen (kleine N): kiezen een paar heel relevante voorbeelden om die diep te
bestuderen
Politieke wetenschap
• Veel groepen praten over politiek (burgers, journalisten, kunstenaars…)
• Politieke wetenschappers en journalisten willen politieke gebeurtenissen en instellingen beschrijven,
begrijpen en verklaren en NIET beoordelen!
Daarom volgen ze eigen regels:
1. intellectuele distantie
Doel = niet in de eerste plaats te zeggen hoe het moet en om zelf deel te nemen
•
MAAR neutraliteit bestaat niet, worden nog steeds beïnvloed door voorkeuren, belangen,
interesses… (= essentie van sociale wetenschappen, mensen bepaald door hun omgeving)
• Keuze van onderwerpen (bv. Terrorisme) hangen ook af van de onderzoeker -> doen onderzoek naar
wat zij een probleem vinden MAAR de conclusie zou neutraal moeten zijn!
• Politicoloog doet verslag van zijn bevindingen (kan dan gebruikt worden door anderen)
2. wetenschappelijke methode = manier van onderzoeken waarbij stap voor stap betrouwbare kennis verzamelt
• vele, bewust ingezamelde waarnemingen afnemen (vaak zaken vergelijken)
- Systematische inzameling van gegevens (gepland)
- Gebeurtenis duiden als fenomeen dat uiting is van een bredere categorie, gebeurtenissen
begrijpen als deel van een groter geheel (algemeen verschijnsel) (vb. Belgisch confederalisme, niet
zomaar een politiek idee, maar een voorbeeld van hoe landen macht verdelen)
- Vergelijking, bewust zoeken naar gelijkaardige en verschillende cases
• keuze van onderzoekstechnieken
- Hoe data analyseren?
- Kwantitatief = veel cijfers en metingen → handig om algemene conclusies te trekken
- Kwalitatief = kwalitatieve observaties → handig om iets goed te begrijpen
→ makkelijker generaliseren met veel waarnemingen
• Open rapporteren over wat en waarom
- legt duidelijk uit wat je hebt gedaan en waarom
4