Psychologie een inleiding
Begrippenlijst
Philip Zimbardo, Robert Johnson & Vivian Mccann
Hoofdstuk 1: Geest, gedrag en psychologische wetenschap
Psychologie en beroepsgroepen
Psychologie: De wetenschap die gedrag en mentale processen onderzoekt. Het
gaat zowel om wat mensen doen als om processen zoals denken, voelen,
waarnemen en herinneren.
Gedrag: Waarneembare handelingen van een mens of dier, zoals praten, lopen,
huilen of iemand helpen.
Mentale processen: Innerlijke activiteiten die niet rechtstreeks zichtbaar zijn, zoals
gedachten, emoties, herinneringen en verwachtingen.
Experimenteel psycholoog/ onderzoekspsycholoog: Een psycholoog die
wetenschappelijk onderzoek uitvoert om psychologische processen te begrijpen.
Docent psychologie: Iemand die psychologische kennis en
onderzoeksvaardigheden onderwijst.
Toegepast psycholoog: Een psycholoog die wetenschappelijke inzichten gebruikt
om praktische problemen aan te pakken.
Arbeids- en organisatiepsychologie: Het vakgebied dat gedrag op het werk
onderzoekt, bijvoorbeeld motivatie, leiderschap, samenwerking en
personeelsselectie.
Sportpsychologie: Het vakgebied dat onderzoekt hoe psychologische factoren
samenhangen met sport, bewegen en prestaties.
Schoolpsychologie: Psychologie gericht op leren, ontwikkeling, gedrag en
begeleiding binnen het onderwijs.
Klinische psychologie: Het vakgebied dat zich bezighoudt met het onderzoeken en
behandelen van psychische problemen en stoornissen.
1
,Psychologie, Een Inleiding (Begrippenlijst)
Counseling: Begeleiding bij persoonlijke, emotionele of sociale problemen en
moeilijke keuzes.
Forensische psychologie: De toepassing van psychologie binnen het
rechtssysteem, bijvoorbeeld bij onderzoek naar daders, getuigen of risico op
herhaling.
Omgevingspsychologie: Onderzoek naar de wisselwerking tussen mensen en hun
fysieke omgeving, zoals woningen, steden en natuur.
Gerontopsychologie: Psychologie gericht op ouder worden en het psychologisch
functioneren en welzijn van ouderen.
Neuropsychologie: Onderzoek naar de relatie tussen hersenfuncties en gedrag,
bijvoorbeeld bij hersenletsel of geheugenproblemen.
Psychiater: Een arts die gespecialiseerd is in psychische stoornissen en onder
andere medicatie kan voorschrijven.
Psycholoog: Een deskundige in gedrag en mentale processen. De werkzaamheden
hangen af van opleiding en specialisatie; een psycholoog is niet automatisch arts.
Kritisch denken
Pseudopsychologie: Beweringen over gedrag of de geest die als wetenschappelijk
worden gepresenteerd, terwijl voldoende wetenschappelijke onderbouwing ontbreekt.
Parapsychologie: Onderzoek naar veronderstelde verschijnselen zoals telepathie of
helderziendheid. Het gebruik van psychologische termen maakt zulke claims op
zichzelf niet wetenschappelijk bewezen.
Kritisch denken: Informatie zorgvuldig beoordelen door te kijken naar de bron, het
bewijs, mogelijke vertekeningen en alternatieve verklaringen.
Anekdotisch bewijs: Een persoonlijk verhaal dat als bewijs voor een algemene
uitspraak wordt gebruikt. Eén ervaring laat niet zien of iets voor iedereen geldt.
Bias / vertekening: Een systematische afwijking in waarnemen, denken,
onderzoeken of oordelen.
Emotionele bias: Een vertekening waarbij gevoelens sterk bepalen hoe iemand
informatie beoordeelt.
Confirmation bias / bevestigingsbias: Vooral informatie zoeken of onthouden die je
bestaande overtuiging bevestigt, terwijl je tegenbewijs minder aandacht geeft.
Correlatie: Een statistisch verband tussen twee variabelen.
Causaliteit: Een oorzaak-gevolgrelatie waarbij een verandering in de ene factor een
verandering in de andere factor veroorzaakt.
Correlatie-causaliteitdenkfout: Aannemen dat een verband automatisch een
oorzaak-gevolgrelatie betekent. Bijvoorbeeld: ijsverkoop en verdrinkingen nemen
beide toe bij warm weer, maar ijs eten veroorzaakt geen verdrinkingen.
2
,Psychologie, Een Inleiding (Begrippenlijst)
Holisme: De benadering waarbij je een verschijnsel als geheel en in samenhang met
verschillende factoren bekijkt.
Metafoor: Een vergelijking die een ingewikkeld begrip verduidelijkt door het te
verbinden aan iets bekends, zoals het geheugen vergelijken met een archief.
Psychologische perspectieven
Biologisch perspectief: Verklaart gedrag en mentale processen vanuit onder
andere hersenen, genen, zenuwstelsel en hormonen.
Neurowetenschap: Het wetenschappelijke onderzoek naar de bouw en werking van
het zenuwstelsel.
Evolutionaire psychologie: Onderzoekt hoe natuurlijke selectie heeft bijgedragen
aan psychologische eigenschappen en gedrag.
Rationalisme: De opvatting dat redeneren een belangrijke bron van kennis vormt.
Dualisme: De opvatting dat geest en lichaam twee verschillende soorten
verschijnselen zijn. Descartes is een belangrijke vertegenwoordiger.
Cognitief perspectief: Onderzoekt mentale processen, zoals aandacht, geheugen,
taal, denken en probleemoplossing.
Introspectie: Het onderzoeken en beschrijven van je eigen bewuste ervaringen.
Structuralisme: Een vroege stroming die bewuste ervaringen probeerde uiteen te
leggen in hun basiselementen.
Functionalisme: Een vroege stroming die vroeg welke functie mentale processen
hebben bij het aanpassen aan de omgeving.
Gestaltpsychologie: Een benadering die benadrukt dat mensen samenhangende
gehelen waarnemen en dat die niet volledig te begrijpen zijn door alleen losse
onderdelen te bekijken.
Behavioristisch perspectief / behaviorisme: Een benadering die de nadruk legt op
waarneembaar gedrag en de invloed van de omgeving daarop.
Stimulus: Een prikkel of gebeurtenis waarop een organisme kan reageren.
Respons: De reactie op een stimulus.
Black box: De beeldspraak waarmee behavioristen de moeilijk rechtstreeks
waarneembare innerlijke processen aanduidden.
Tabula rasa: Het idee van de mens als een onbeschreven blad, waarbij ervaringen
bepalend zijn voor wat iemand leert.
Whole-personbenadering: Een verzameling perspectieven die de persoon als
geheel probeert te begrijpen, inclusief motieven, persoonlijkheid en zelfbeeld.
Psychodynamisch perspectief: Verklaart gedrag mede vanuit onbewuste motieven,
innerlijke conflicten en vroege ervaringen.
3
, Psychologie, Een Inleiding (Begrippenlijst)
Psychoanalyse: Zowel Freuds theorie over de geest en persoonlijkheid als de
daaruit ontwikkelde behandelmethode.
Humanistische psychologie: Benadrukt menselijke mogelijkheden, keuzevrijheid,
persoonlijke groei en zingeving.
Karaktertrek: Een relatief stabiele eigenschap waarin mensen van elkaar verschillen,
zoals zorgvuldigheid of extraversie.
Temperament: Vroeg zichtbare, deels biologisch beïnvloede verschillen in
bijvoorbeeld activiteit, stemming en emotionele reacties.
Ontwikkelingsperspectief: Onderzoekt verandering en continuïteit gedurende de
levensloop.
Sociocultureel perspectief: Verklaart gedrag vanuit sociale relaties,
groepsinvloeden en cultuur.
Cultuur: Gedeelde waarden, normen, gebruiken, taal en betekenissen binnen een
groep.
Crossculturele psychologie: Vergelijkt psychologische processen en gedrag tussen
culturele contexten.
Nature: Erfelijke en biologische invloeden op ontwikkeling en gedrag.
Nurture: Invloeden vanuit opvoeding, ervaringen, leren en de omgeving.
Nature-nurture-interactie: Het samenspel tussen aanleg en omgeving. Deze
factoren beïnvloeden elkaar voortdurend.
Wetenschappelijk onderzoek
Wetenschappelijke methode: Een systematische werkwijze waarbij onderzoekers
vragen formuleren, voorspellingen toetsen, gegevens analyseren en resultaten
openbaar maken.
Empirisch onderzoek: Onderzoek dat berust op waarnemingen of metingen.
Hypothese: Een specifieke, toetsbare verwachting over een verschijnsel of een
verband.
Falsifieerbaarheid: De mogelijkheid dat een uitspraak door onderzoeksresultaten
wordt weerlegd.
Variabele: Een kenmerk dat verschillende waarden kan aannemen, zoals leeftijd,
stressniveau of toetsscore.
Operationele definitie: Een precieze beschrijving van hoe een begrip in een
onderzoek wordt gemeten of gemanipuleerd.
Data: De gegevens die tijdens onderzoek worden verzameld.
Onafhankelijke variabele: De factor die de onderzoeker in een experiment
verandert.
4