Geschiedenis Sascha Vermeylen 1 ba-SEW
Begrippen
Overlegeconomie
= systeem waarin werkgevers en vakbonden akkoorden sluiten waarin
afspraken gemaakt worden over lonen en arbeidsvoorwaarden
Corporate identity
= geschiedenis die gebruikt wordt om identiteit van bedrijf in:ru de verf te
zetten
Geschiedschrijving
= beschrijven van feiten die zich in het verleden hebben voorgedaan +
samenhang geven aan die feiten en daarvoor een verklaring te vingen
Histoire-bataille
= geschiedenis had aanvankelijk enkel aandacht voor het politieke en militaire
Reconstructie van het verleden
= beschrijving van de geschiedenis maar volgens specifieke methode en
gebaseerd op bronnen
Bronnen
= sporen van het verleden en kunnen verschillende vormen aannemen
Positivisme
= optimistische geloof in de objectieve en totale kenbaarheid van het verleden
Relativisme
= 1 waarheid bestaat niet, geschiedenis is een vorm van representatie
Externe kritiek
= vraag naar de authenticiteit van de bron staat centraal (eventuele
vervalsing van de bron nagaan of uitsluiten)
Interne kritiek
= omstandigheden waarin de bron tot stand kwam, wie de bron opstelde, de
bevoegdheid en het publiek waarvoor de bron bestemd was
Post-factum analyse / Hineininterpretierung
= interpretaties maken die voor tijdsgenoten (toen) niet vanzelfsprekend zijn
The benefit of hindsight
= historicus weet hoe het historisch proces is afgelopen en kan die afloop
proberen te verklaren door fenomeen in historische context te plaatsen
Anachronisme
= verkeerd in de tijd situeren van een gebeurtenis
= een van de hoofdzonden van een historicus
Operatie Gutt
= grootscheepse muntsanering waarbij alle biljetten van 100 Belgische frank
of meer niet langer geldig waren (omruilen was mogelijk tot 2000 frank)
=> maatregel diende om hoge inflatie tegen te houden
Sociaal Pact van april 1944
= voorzag verdere uitbouw van overleg tussen vakbonden, regering en
patroon-organisaties + verplichte sociale zekerheid
1
,Geschiedenis Sascha Vermeylen 1 ba-SEW
Cesuur
= breukvlak
= periode waarin veranderingen op macro-niveau zeer talrijk zijn in een
relatief kort tijdsbestek (definitie volgens Ger Harmsen)
Proto-industrie
= vorm van industriële productie voor de industriële revolutie plaatsvond
= systeem van arbeidsorganisatie waarbij de stad zorgt voor de organisatie,
coördinatie en afwerken en het platteland voor arbeid
Putting out / uitgiftesysteem / verlagsysteem
= groothandelaar of koopman-ondernemer leverde grondstoffen en kocht de
afgewerkte producten tegen een stukloon om ze dan op de binnenlandse
markt of in het buitenland te verkopen
Manufactures
= grote ateliers die producten op artisanale wijze met hand en gereedschap en
dankzij vakmanschap vervaardigden
Autoritair syndroom (Helmut Gauss)
= een gedragshouden, een denken en voelen waarin autoriteit, respect voor
gezag en volgzaamheid centraal staan
Methodenstreit
= specifieke controverse over de methode en het epistemologische karakter
van de economische wetenschap
= op intellectueel niveau: de vraag of er behalve de geschiedenis nog een
wetenschap kon bestaan, die de dynamiek van het menselijk handelen kon
verklaren
Deductieve aanpak
= theoretische kant van de methodenstreit
= theorie
Inductieve aanpak
= volgen van de geschiedenis op vlak van redeneren in de methodenstreit
= empirie
Lender of last resort
= rechtspersoon die in juni 2010 is opgericht door de Europese Unie in het
kader van het bestrijden van de Europese staatsschuldencrisis van 2010
Protectionisme
= Overheidsbeleid dat is gericht op bescherming of bevoordeling van nationale
bedrijven ten opzichte van hun buitenlandse concurrenten.
Europacentrisme
= onderverdeling volgens ontwikkelingen die Europa heeft doorgemaakt in de
wereldgeschiedenis
Padafhankelijkheden / path dependence
= proces waarbij gebeurtenissen of keuzes uit het verleden van invloed zijn op
loop van latere ontwikkelingen, vooral doordat bepaalde keuzemogelijk
heden moeilijk of uitgesloten zijn
2
, Geschiedenis Sascha Vermeylen 1 ba-SEW
Locked in
= proces waarbij het nemen van nieuwe beslissingen ‘vastzit’ door eerder
genomen beslissingen in het verleden.
Industrialisatie
= van kleine wareneconomie naar een groot industrieel kapitalisme
Gemeinschaft
= gemeenschapsleven
Gesellschaft
= gezelschapsleven (individualisme en fragmentatie belangrijker)
Rationalisering
= toenemend belang van wetenschap en techniek
Secularisering
= verwereldlijking
= proces waarbij sectoren van het maatschappelijk leven worden onttrokken
aan het gezag van de kerk en het geloof.
Delokalisatie van arbeid
= bedrijven in kapitalistische (rijke) landen verplaatsen hun productie naar
lageloonlanden waar de arbeidskosten veel lager zijn.
Externaliseren
= uitbesteden (bijvoorbeeld ‘propere’ lucht kopen van andere landen
milieunorm te kunnen halen)
Pajoratieve betekenis van industriële revolutie
= een ongunstige of negatieve associatie van de industriële revolutie
(kinderarbeid, armoede)
Take-off
= metafoor voor vliegtuig dat begint te vliegen die de industriële revolutie in
Engeland vertegenwoordigt
Continuïteitsthese
= graduale overgang van proto-industrie naar fabrieksarbeid
Sweatshops
= industriële ondernemingen waar werknemers te weinig betaald krijgen en
te veel moeten werken in nauwelijks verdraagbare omstandigheden
Confectie
= kleding gemaakt op grote oplage volgens standaardmaten
Arbeidsdeling
= opsplitsen van arbeid in afzonderlijke taken
Subcontracting
= arbeidsverdeling en arbeidsspecialisatie volgens keten van onderaanneming
Degradatie van arbeid
= toenemende arbeidsdeling en arbeidsspecialisatie
Bottlenecks
= de gestegen vraag kan niet worden beantwoord door de bestaande
arbeidsorganisatie waardoor knelpunt ontstaat. Men gaat dit oplossen aan
de hand van fabrieksproductie (verbetering technieken, arbeidsdeling,…)
3
Begrippen
Overlegeconomie
= systeem waarin werkgevers en vakbonden akkoorden sluiten waarin
afspraken gemaakt worden over lonen en arbeidsvoorwaarden
Corporate identity
= geschiedenis die gebruikt wordt om identiteit van bedrijf in:ru de verf te
zetten
Geschiedschrijving
= beschrijven van feiten die zich in het verleden hebben voorgedaan +
samenhang geven aan die feiten en daarvoor een verklaring te vingen
Histoire-bataille
= geschiedenis had aanvankelijk enkel aandacht voor het politieke en militaire
Reconstructie van het verleden
= beschrijving van de geschiedenis maar volgens specifieke methode en
gebaseerd op bronnen
Bronnen
= sporen van het verleden en kunnen verschillende vormen aannemen
Positivisme
= optimistische geloof in de objectieve en totale kenbaarheid van het verleden
Relativisme
= 1 waarheid bestaat niet, geschiedenis is een vorm van representatie
Externe kritiek
= vraag naar de authenticiteit van de bron staat centraal (eventuele
vervalsing van de bron nagaan of uitsluiten)
Interne kritiek
= omstandigheden waarin de bron tot stand kwam, wie de bron opstelde, de
bevoegdheid en het publiek waarvoor de bron bestemd was
Post-factum analyse / Hineininterpretierung
= interpretaties maken die voor tijdsgenoten (toen) niet vanzelfsprekend zijn
The benefit of hindsight
= historicus weet hoe het historisch proces is afgelopen en kan die afloop
proberen te verklaren door fenomeen in historische context te plaatsen
Anachronisme
= verkeerd in de tijd situeren van een gebeurtenis
= een van de hoofdzonden van een historicus
Operatie Gutt
= grootscheepse muntsanering waarbij alle biljetten van 100 Belgische frank
of meer niet langer geldig waren (omruilen was mogelijk tot 2000 frank)
=> maatregel diende om hoge inflatie tegen te houden
Sociaal Pact van april 1944
= voorzag verdere uitbouw van overleg tussen vakbonden, regering en
patroon-organisaties + verplichte sociale zekerheid
1
,Geschiedenis Sascha Vermeylen 1 ba-SEW
Cesuur
= breukvlak
= periode waarin veranderingen op macro-niveau zeer talrijk zijn in een
relatief kort tijdsbestek (definitie volgens Ger Harmsen)
Proto-industrie
= vorm van industriële productie voor de industriële revolutie plaatsvond
= systeem van arbeidsorganisatie waarbij de stad zorgt voor de organisatie,
coördinatie en afwerken en het platteland voor arbeid
Putting out / uitgiftesysteem / verlagsysteem
= groothandelaar of koopman-ondernemer leverde grondstoffen en kocht de
afgewerkte producten tegen een stukloon om ze dan op de binnenlandse
markt of in het buitenland te verkopen
Manufactures
= grote ateliers die producten op artisanale wijze met hand en gereedschap en
dankzij vakmanschap vervaardigden
Autoritair syndroom (Helmut Gauss)
= een gedragshouden, een denken en voelen waarin autoriteit, respect voor
gezag en volgzaamheid centraal staan
Methodenstreit
= specifieke controverse over de methode en het epistemologische karakter
van de economische wetenschap
= op intellectueel niveau: de vraag of er behalve de geschiedenis nog een
wetenschap kon bestaan, die de dynamiek van het menselijk handelen kon
verklaren
Deductieve aanpak
= theoretische kant van de methodenstreit
= theorie
Inductieve aanpak
= volgen van de geschiedenis op vlak van redeneren in de methodenstreit
= empirie
Lender of last resort
= rechtspersoon die in juni 2010 is opgericht door de Europese Unie in het
kader van het bestrijden van de Europese staatsschuldencrisis van 2010
Protectionisme
= Overheidsbeleid dat is gericht op bescherming of bevoordeling van nationale
bedrijven ten opzichte van hun buitenlandse concurrenten.
Europacentrisme
= onderverdeling volgens ontwikkelingen die Europa heeft doorgemaakt in de
wereldgeschiedenis
Padafhankelijkheden / path dependence
= proces waarbij gebeurtenissen of keuzes uit het verleden van invloed zijn op
loop van latere ontwikkelingen, vooral doordat bepaalde keuzemogelijk
heden moeilijk of uitgesloten zijn
2
, Geschiedenis Sascha Vermeylen 1 ba-SEW
Locked in
= proces waarbij het nemen van nieuwe beslissingen ‘vastzit’ door eerder
genomen beslissingen in het verleden.
Industrialisatie
= van kleine wareneconomie naar een groot industrieel kapitalisme
Gemeinschaft
= gemeenschapsleven
Gesellschaft
= gezelschapsleven (individualisme en fragmentatie belangrijker)
Rationalisering
= toenemend belang van wetenschap en techniek
Secularisering
= verwereldlijking
= proces waarbij sectoren van het maatschappelijk leven worden onttrokken
aan het gezag van de kerk en het geloof.
Delokalisatie van arbeid
= bedrijven in kapitalistische (rijke) landen verplaatsen hun productie naar
lageloonlanden waar de arbeidskosten veel lager zijn.
Externaliseren
= uitbesteden (bijvoorbeeld ‘propere’ lucht kopen van andere landen
milieunorm te kunnen halen)
Pajoratieve betekenis van industriële revolutie
= een ongunstige of negatieve associatie van de industriële revolutie
(kinderarbeid, armoede)
Take-off
= metafoor voor vliegtuig dat begint te vliegen die de industriële revolutie in
Engeland vertegenwoordigt
Continuïteitsthese
= graduale overgang van proto-industrie naar fabrieksarbeid
Sweatshops
= industriële ondernemingen waar werknemers te weinig betaald krijgen en
te veel moeten werken in nauwelijks verdraagbare omstandigheden
Confectie
= kleding gemaakt op grote oplage volgens standaardmaten
Arbeidsdeling
= opsplitsen van arbeid in afzonderlijke taken
Subcontracting
= arbeidsverdeling en arbeidsspecialisatie volgens keten van onderaanneming
Degradatie van arbeid
= toenemende arbeidsdeling en arbeidsspecialisatie
Bottlenecks
= de gestegen vraag kan niet worden beantwoord door de bestaande
arbeidsorganisatie waardoor knelpunt ontstaat. Men gaat dit oplossen aan
de hand van fabrieksproductie (verbetering technieken, arbeidsdeling,…)
3