Tijdlijn internationaal recht:
1. mesopotamië: steden maken afspraken over handel en grenzen
2. 2. Vrede van Westfalen: einde dertig- en tachtig jarige oorlog → begin internationaal
recht
3. eerste wereld oorlog: sovjet-unie en VS worden groter, koloniën worden minder →
minder invloed vanuit Europa
4. tweede wereldoorlog: VN-Handvest gaf recht op zelfbeschikking een centrale plek
Dualisme gaat ervan uit dat internationaal en nationaal recht 2 volledig gescheiden
systemen zijn.
Monisme gaat ervan uit dat internationaal en nationaal recht samen 1 rechtsorde zijn.
Nederland is een gematigd monistsch systeem: sommige bepalingen hebben directe
werking, andere moeten eerst worden omgezet in nationale wetgeving.
Rechtsbronnen: alleen normen die uit vooraf bepaalde rechtsbronnen voortvloeien behoren
tot het internationaal publiekrecht.
Rechtsregels zijn onderdeel van een systeem dat de schending van een norm verbindt met
een sanctie.
Veel wereldproblemen vereisen samenwerking, daarom bestaat een recht op
samenwerking. Soms gaat die samenwerking verder, en dragen staten bevoegdheden
over, dat heet integratie.
Het algemene deel van het internationaal recht ziet op de basisregels en uitgangspunten
die voor het gehele systeem gelden (formele en fundamentele beginselen).
Bijzondere deel gaat over specifieke onderwerpen (bv milieurecht of handelsrecht)
Rechtssubjecten: personen of entiteiten die de bekwaamheid bezitten om deel te nemen
aan het rechtsverkeer in de internationale rechtsorde. Zij kunnen:
- rechtshandelingen verrichten
- internationale rechten bezitten
- rechten afdwingen (bv een procedure starten voor een tribunaal)
- aansprakelijk gesteld worden
(alleen staten bezitten volledige rechtssubjectiviteit)
Er bestaat geen geschreven regel die bepaalt wie rechtssubjecten zijn, maar de vuistregel
is: personen bezitten rechtssubjectiviteit wanneer zij internationale bevoegdheden, rechten
of plichten bezitten. En het effectiviteitsbeginsel is van belang: het uitoefenen van macht
en gezag (wordt dus gezien als een grondslag voor rechtssubjectiviteit)
, ● internationale organisaties: hebben rechtspersoonlijkheid en nemen deel aan het
rechtsverkeer. De reikwijdte van de bevoegdheden is wel beperkter dan die van
staten. Ze hebben ook uitsluitend bevoegdheden die de staten aan hen toekennen.
● facto-regimes: georganiseerde groep die gezag uitoefenen over een deel van het
grondgebied van een bestaande staat (bv ISIL/ISIS). Hebben een zwakkere mate
van rechtssubjectiviteit. Deze regimes veel bevoegdheden toekennen kan de positie
van de staat verzwakken, maar aan de andere kant kunnen staten gedwongen zijn
hun een rechtssubjectiviteit toe te kennen, om hen zo te onderwerpen aan
verplichtingen en aansprakelijkheid.
● bevrijdingsbewegingen: groeperingen die vechten tegen een koloniale mogendheid
of bezettende macht. Hebben vaak een verdergaande rechtssubjectiviteit van de
facto-regimes.
● NGO´s: private organisaties die grensoverschrijdend opereren. Hebben over het
algemeen geen rechtssubjectiviteit en worden vooral beheerst door het nationaal
recht van de staat waarin ze zijn gevestigd.
● multinationals: ondernemingen die in meer dan 1 staat economisch actief zijn.
Hebben in beginsel alleen rechtssubjectiviteit in de nationale rechtsorde van de staat
van nationaliteit.
● natuurlijke personen: de rechtspositie wordt beheerd door de nationale rechtsorde.
Hebben wel individuelen rechten op internationaal niveau (bv EVRM)
Rechtsbronnen (38 Statuut IGH)
Gewoonterecht: wordt gevormd door staten. 2 voorwaarden
1. algemene praktijk: staten gedragen zich gedurende een bepaalde periode op een
bepaalde manier. Uniform houdt in dat de regel voldoende consistent moet zijn, en
extensive dat het door relatief veel staten moet worden gevolg.
2. opinio juris: staten moeten de overtuiging hebben dat deze gedragingen door
internationaal recht worden toegestaan.
(North Sea Continental Shelf-zaak)
De opinio juris is belangrijker dan de algemene praktijk als:
- de praktijk bestaat uit het onthouden van handelingen (er is dan dus geen
waarneembare praktijk)
- een afwijkende praktijk leidt niet altijd tot een wijziging van de regel, als de regel
ondersteund kan blijven door de rechtsovertuiging (Nicaragua-zaak)
Regionaal gewoonterecht: een praktijk en opinio juris wordt slechts in een bepaalde regio
gevolgd.
Persistent objectors: als een staat regelmatig te kennen geeft dat hij deze regel niet als
gewoonterecht aanvaardt.
, Verdragen: de juridische binding vloeit voort uit de wilsovereenstemming van de staten. Dit
kan uitdrukking tot uiting worden gebracht. Als dat niet voortkomt, moet het worden afgeleid
uit de aard, inhoud en omstandigheden.
Verdragen hebben voorkeur boven gewoonterecht:
1. sneller
2. staten hebben meer invloed op de inhoud
3. meer detail in de formulatie van de rechten en plichten
Bevatten alleen rechten en plichten voor de betrokken staten 34 WVV. Worden gepubliceerd
bij het Secretariaat 102 VN Handvest.
Besluiten van internationale organisaties: de procedure is vastgelegd in de
oprichtingsverdragen. 3 type besluitvorming:
1. unanimiteit: iedereen moet instemmen
2. consensus: na onderhandeling wordt vastgesteld dat alle leden met een besluit
kunnen leven
3. meerderheid van stemmen
Bij een opt-out-procedure kunnen er besluiten zijn die gelden voor alle leden, tenzij de staat
formeel bezwaar aangetekend. In de regel zijn besluiten alleen bindend voor leden van de
organisatie. Ze worden gepubliceerd door de organisatie zelf.
Algemene rechtsbeginselen:
1. beginselen die inherent zijn aan het concept recht (bv. goede trouw en billijkheid)
2. algemene concepties van rechtvaardigheid en menselijkheid
3. beginselen die gemeenschappelijk zijn aan nationale rechtssystemen
4. algemene beginselen van internationaal recht
Billijkheid: de toepassing van algemene regels in concrete gevallen wordt rechtvaardig en
redelijk betracht
Eenzijdige handelingen:
1. feitelijke handelingen: zo kan een staat zijn oordeel laten blijken over de betekenis
van een nieuwe regel
2. berusting: stilzwijgend aanvaarden van een door een andere staat gecreëerde
situatie
3. erkenning: een actieve handeling die is gericht op het aanvaarden van een situatie
4. protest: zo kan een staat voorkomen dat een handeling van een andere staat een
juridische betekenis krijgt
5. eenzijdige toezegging: door publieke toe te zeggen een handeling te verrichten,
kunnen staten daarop een beroep doen
6. estoppel: door niet terug te komen op een verrichte handeling kan een andere staat
daarop vertrouwen
Rechterlijke uitspraken: zijn geen rechtsbronnen. Maar kunnen wel verhelderen wat de
stand van het recht is en daarmee een hulpmiddel zijn voor het bepalen van rechtsregels
Soft law: zijn niet-juridisch bindend.