systeem 1.2: bronnen van het internationaal recht 3
systeem 2.1: rechtsmacht en immuniteit 7
systeem 2.2: staatsaansprakelijkheid 10
systeem 3.1: mensenrechten 14
systeem 3.2: diplomatieke bescherming en procesbevoegdheid 16
systeem 4.1: collectieve veiligheid 19
systeem 4.2: europees recht: wetgeving en rechtsbescherming 20
systeem 5.1: rechtsbescherming in de EU 26
systeem 5.2: vrij verkeer van goederen 29
★ Stappenplan vrij verkeer van goederen: 32
systeem 6.1: vrij verkeer van personen 34
★ Stappenplan vrij verkeer van werknemers 24 VWEU 34
systeem 7.1: vrij verkeer van vestiging en diensten 37
★ Stappenplan vrij verkeer van vestiging 37
★ Stappenplan vrij verkeer van diensten 38
★ Stappenplan beroepskwalificatie 39
systeem 7.2: mededingingsrecht 40
★ Stappenplan kartelverbod 101 lid 1 VWEU 40
★ Stappenplan machtsmisbruik 102 VWEU 42
, systeem 1.1: introductie van het internationaal recht
- criteria van staat
- erkenning
- zelfbeschikkingsrecht
- rechtspersoonlijkheid van andere entiteiten dan staten
Rechtssubjecten kunnen:
- rechtshandelingen verrichten
- internationale rechten bezitten
- rechten afdwingen
- aansprakelijk gesteld worden
(alleen staten hebben volledige rechtspersoonlijkheid)
→ Andere groepen met rechtspersoonlijkheid zijn: internationale organisaties, facto-regimes,
bevrijdingsbewegingen, NGO´s en multinationals. Zij hebben een bepaalde mate van
rechtspersoonlijkheid.
De criteria van een staat → 1 Montevideo
1. vaste bevolking
2. afgebakend grondgebied (je mag absoluut geen grondgebied afnemen d.m.v geweld)
3. effectieve regering (de regel van continuïteit zorgt ervoor dat als een staat eenmaal
bestaat dat het land niet zomaar ophoudt als de regering wegvalt)
4. vermogen tot het aangaan van relaties met andere staten
hierbij is erkenning heel belangrijk. Het is geen 5de criteria maar wel een factor om te
kunnen voldoen aan de 4de criteria
Afscheiding: slechts in uitzonderlijke gevallen steun voor eenzijdige afscheiding
Ontbinding: uiteenvallen in meerdere nieuwe staten. Het centrale gezag stopt met
functioneren, bij afscheiding stopt het niet met functioneren
Aaneensluiting: twee staten besluiten samen 1 nieuwe staat te worden, of een staat sluit
zich aan bij een andere staat
Uitvallen: een staat valt volledig uit elkaar in nieuwe, kleinere staten
→ voortzettingsstaat: blijft juridisch gezien hetzelfde land, dus dezelfde rechten en plichten
→ opvolgerstaat: een volledig nieuw land en beginnen dus in principe met een schone lei
(het clean slate-beginsel geldt voor nieuwe staten die ontstaan door ontbinding of
afscheiding, niet door overgang van grondgebied)
Theorieën staat erkennen:
→ declaratoire theorie: een staat bestaat gewoon zodra aan de 4 voorwaarde is voldaan.
Dit staat ook zo in 3 Montevideo.
→ constitutieve theorie: erkenning is allesbepalend. Een gebied is pas echt een staat als
andere landen het erkennen. (maar als niemand je erkend kan je geen verdragen sluiten etc,
dus dit is eigenlijk de praktijk)
Zelfbeschikkingsrecht: volkeren mogen zelf bepalen onder welk politiek systeem ze willen
leven en hoe ze hun economie inrichten
→ Kosovo: de eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring was niet in strijd met het
internationaal recht. Het Hof gaf echter ook niet echt antwoord of Kosovo het recht had om
af te splitsen op basis van zelfbeschikkingsrecht. p78 Kosovo: internationaal recht blijft
1
,neutraal over de onafhankelijkheidsverklaringen, geen verbod maar ook geen expliciete
toestemming
- externe zelfbeschikking: kan een grond vormen voor de stichting van een eigen
staat, dit kan in geval van kolonisatie of bij een buitenlandse beschikking.
Territoriale integriteit: het grondgebied en de grenzen van een land zijn beschermd en
mogen niet door geweld of dwang door andere landen worden veranderd.
Plicht tot collectieve niet-erkenning: als een nieuw gebied ontstaat op een manier die
zwaar in strijd is met internationale regels. Dan hebben alle andere landen de plicht om dat
nieuwe gebied absoluut niet te erkennen. Deze landen kunnen dan bv geen lid worden van
de VN, het is dus een heel machtig wapen.
Erkenning van een regering:
→ de jure erkenning: officiële en volledige erkenning dat een regering de wettige en
rechtmatige baas is van het land
→ de facto erkenning: je geeft toe dat een bepaalde groep de feitelijke macht heeft, maar
dat je nog twijfels hebt over de wettigheid of de toekomst ervan.
(een niet-erkende regering kan geen claims indienen bij de rechter en kan een beroep doen
op immuniteit. Soms maakt een rechter voor privé zaken van burgers uitzonderingen bv een
huwelijk)
Statenopvolging van verdragen:
- lokale verdragen: gaan automatisch over op de nieuwe staat (hebben direct te
maken met grondgebied)
- verdragen bij dekolonisatie: clean slate
- verdragen bij afsplitsing of uiteenvallen: lopende verdragsverplichtingen gaan wel
over op de nieuwe staten om de stabiliteit in de wereld te bewaren
- mensenrechtenverdragen: gelden altijd voor de mensen die in het gebied wonen
Internationale organisaties: worden door staten opgericht om samen te werken aan
doelen die ze niet in hun eentje kunnen bereiken. Ze worden door verdragen opgericht en
hebben eigen internationale rechtspersoonlijkheden. (2a ARIO)
3 belangrijke voorwaarde:
1. leden zijn voornamelijk staten (gesloten lidmaatschap en doelgericht lidmaatschap)
2. De organisatie moet een eigen wil hebben die losstaat van de wil van de
afzonderlijke lidstaten. Ze moeten dus organen hebben (secretariaat of een raad) die
besluiten kunnen nemen van de organisatie zelf
3. het moet zijn opgericht en worden beheerst door het internationale recht. Meestal
gebeurt dit door een verdrag, uitzonderingen:
- resoluties: organisatie wordt opgericht door een besluit van een al bestaande
organisatie
- geleidelijke opbouw: heel langzaam ontstaan uit een serie van conferenties
en verklaringen, niet 1 groot verdrag
- unieke gevallen gezamenlijke verklaring na bemiddeling
Reparations for injuries suffered Q1a 1b en II: de VN heeft een objectieve internationale
rechtspersoonlijkheid. Zelfs landen die geen lid zijn moeten accepteren dat de VN bestaat
2
, en rechten heeft. Dit betekent dus dat internationale organisaties, ook al zijn zij geen staten,
internationale rechtspersoonlijkheid kunnen hebben en dus in staat zijn internationale claims
in te dienen tegen staten die schade veroorzaken.
Een internationale organisatie mag alleen dingen doen die hen uitdrukkelijk zijn toegewezen
door de staten → attributiebeginsel
Ze hebben ook impliciete bevoegdheden: deze staat niet letterlijk in het verdrag maar
voortvloeiend uit de taken die wel zijn opgeschreven.
7 ARIO: een organisatie is verantwoordelijk voor de daden van mensen die door een staat
ter beschikking zijn gesteld, mits de organisatie effectieve controle heeft over hun specifieke
gedrag op dat moment. Soms kan er ook sprake zijn van gedeelde verantwoordelijkheid
waarbij de organisatie en de staat aansprakelijk zijn.
103 VN-Handvest: suprematie clausule, als een land een verplichting heeft onder het
VN-handvest, en dit botst met een afspraak uit een ander verdrag, gaan de regels van het
Handvest altijd voor.
Organen van de VN: (Hiervan staan alle artikelen in het VN-handvest)
- de Algemene Vergadering (9 VN-handvest) de besluiten zijn niet bindend voor de
lidstaten (gewone meerderheid van stemmen, tenzij heel belangrijk dan ⅔)
- de Veiligheidsraad: besluiten zijn wel bindend (min 9 v/d 15 stemmen)
(bij belangrijke besluiten moeten alle 5 permanente leden het eens zijn: vetorecht)
- Economische en Sociale raad (ECOSOC)
- Secretariaat
- Trustschapsraad
- Internationale Gerechtshof
De VN werkt samen met gespecialiseerde organisaties. Dit zijn zelfstandige internationale
organisaties maar ze hebben een speciale samenwerkingsovereenkomst met de VN. (bv het
WHO en de Wereldbank)
3