PERSOONLIJKHEIDSPSYCHOLOGI
E
LES 2: Persoonlijkheidstheorieën
psychodynamische theorieën hdb: p41 – 53
• Psychodynamische theorieën (Freud, Westen, Erikson,…)
1. Klassieke psychoanalyse
Sigmund Freud = grondlegger pychologie (medisch diploma: zenuwziekten)
Behandeling van mensen: via hypnose en gesprekken
à problemen werden opgelost = waarschijnlijk psychisch
à werkten in Wenen & Parijs
Droomduidding: fenomenen die in dromen een bepaalde betekenis hebben
1.1. Inleiding: centrale concepten
• Theorie gebaseerd op klinische ervaring
• Hysterie: lichamelijk geen defect maar allerlei onverklaarbare lichamelijke
symptomen (vb. spasmen, verlamming etc)
• Hypnose effectieve behandeling → psychische oorzaak
• Behandeling met “praten” = talking cure (welzijn verbeteren door praten)
• Symboliek: betekenis kan vervangen worden door een ander (verbaal of lichamelijk)
symbool
• Symptoom als symbool (= symptomen zijn niet lukraak, vb. je kan niet praten = je
hebt schrik om mensen verbaal te kwetsen) = je innerlijke klacht kan dus omgezet
worden in een lichamelijke klacht
• Psyche is dynamisch (symptomen kunnen veranderen): onbewuste bewegingen
= adhv gesprekstechnieken de aanleiding ondervinden
Psychische energie en driften:
Elke persoon heeft een bepaalde energie ter beschikking = blijft constant, en kan maar op
één factor tegelijkertijd ingezet worden = alles wordt erdoor aangestuurd
à Energie komt uit basisdriften
Persoonlijkheidverandering = energie verschuift
Aangeboren: 2 soorten driften
Libido: seksuele driften / levensbehoud = alle driften gericht op plezier
Thanatos = doodsdrift: neiging tot (zelf)destructie
à kunnen samenwerking: vb. verkrachting, eten van lekker eten
,2
DRIFTEN
• Onbevredigde drift → frustratie
= vb. met honger blijven zitten
• Al dan niet een duidelijk object en doel
Seksuele en agressieve driften:
- geen duidelijke biologische functie
- bevrediging hangt niet samen met 1 object, gedrag of doel
- ondernomen omwille van de lust zelf (= plezierig of opluchting)
- manifestatie via andere behoeften
- kunnen zich van object tot object verplaatsen
TOPOGRAFIE VAN DE MENSELIJKE GEEST
Bewust: wat je nu voelt, ziet, waarneemt (1/10)
Voorbewust: wat makkelijk toegankelijk is in je geest (vb. algemene kennis)
Onbewust: driften, motieven, trauma etc = verstorend voor ons functioneren, onderdrukken
ze waardoor er geen toegang is
PSYCHISCH DETERMINISME
= niets is toeval, alles wat je denkt of doet is bepaald door onze geest = lapsussen
Determinisme = alles is al reeds bepaald
Psychopathalogie van het dagelijks leven = alle psychische problemen die we hebben
worden veroorzaakt door wat we tegenkomen in het dagelijks leven
1.2. Structuur van persoonlijkheid
ID: VAT VOL PSYCHISCHE ENERGIE
• Es
• Aangeboren
• Primitief (‘oerinstinct’)
• Driften, instincten, basisbehoeften, verlangens
• Volledig onbewust (impulsief)
• Lustprincipe
® onmiddellijke behoeftebevrediging (vergelijking ongeduldig kind)
EGO: UITVOERENDE MACHT
• Ich
,3
• Ontwikkelt zich vanaf 2 à 3 jaar
• Bemiddelaar: bedwingt het id, onderhandelt met externe wereld
Subtiele omvorming om je uit de problemen te houden
• Maakt gebruik van afweermechanismen (zie verder)
• Realiteitsprincipe (= begrip dat je niet alles kan doen waar je behoeften aan
hebt)
® realistische behoeftebevrediging
® begrijpt dat driften van Id vaak in conflict zijn met realiteit en zorgt voor uitstel of
verandering directe expressie van die driften.
SUPEREGO: MORAALRIDDER
• Über-ich
• Ontwikkelt zich rond 5 jaar door socialisering
= alle regels en normen die je meekrijgt vormen je superego = vormt cultuur
• ‘Geweten’ en ‘ideaal zelfbeeld’
• Handhaaft waarden, moraal, idealen
• Schaamte, schuld, trots = afhankelijk of ze worden voldaan of net niet
• Moraliteitsprincipe: motiveert om moreel “juiste keuzes” te maken
• Niet gebonden aan realiteit (= wat wordt opgelegd = soms onrealistisch)
® perfectionistisch en moralistisch
1.3. Dynamiek van persoonlijkheid
= Voortdurende interactie tussen id, ego, superego en externe wereld
• Functie van het ego = bemiddelen tussen id, superego en de externe wereld
• Conflict? ® angst
(vb. in bakker, ligt 50EUR = ID; meepakken, superego; “jij zal niet stelen”, ego; rondvragen)
• Angst = signaal dat ego bedreigd wordt
SOORTEN ANGST
Objectieve angst = angst voor reële bedreiging vanuit de externe wereld
Neurotische angst =
angst voor overweldiging door oncontroleerbare innerlijke impulsen (< conflict tussen ego
& id) of bij verwijdering of niet kunnen voldoen aan object van lustbevrediging = libidinale
spanning die als neurotische angst wordt ervaren (ongemakkelijk voelen)
Morele angst = angst voor morele bestraffing (< conflict tussen ego en superego)
AFWEERMECHANISMEN
Twee functies: ego beschermen & angst minimaliseren
Wordt gebruikt door het ego om met conflicten om te gaan
, 4
VERDRINGING
= onaanvaardbare gevoelens, gedachten, conflicten… uit het bewuste houden
• Ontkenning
• Verplaatsing/verschuiving
• Rationalisatie
• Projectie
• Sublimatie
ONTKENNING
= Weigeren de realiteit onder ogen te zien (ook in gedrag!!)
VERPLAATSING / VERSCHUIVING
= Bedreigende of onaanvaardbare impuls wordt gekanaliseerd naar een niet-bedreigend doel
Vb. iemand heeft veel frustratie maar kan het niet uiten op de bron à uiting op ander
RATIONALISATIE
= Aanvaardbare redenen verzinnen voor sociaal onaanvaardbaar gedrag door intellectuele
uitleg
Vb. gefaald voor examen, “vragen waren niet eerlijk opgesteld” = attributiestijl
PROJECTIE
= Projecteren of toeschrijven van de eigen onacceptabele eigenschappen aan een andere
persoon.
à “effect van de valse consensus” (vb. het is niet erg dat je roddelt = iedereen doet het)
vb. jaloers zijn op iemand, doordat je zelf niet te vertrouwen bent
SUBLIMATIE
= meest mature manier om ergens mee om te gaan volgens Freud
= Kanaliseren van onaanvaardbare instincten naar sociaal wenselijke activiteiten
Vb. ipv agressief te zijn = gaan boxen of ernaar kijken
AFWEERMECHANISMEN IN HET DAGELIJKSE LEVEN
Meestal adaptieve, beschermende copingmechanismen
Wanneer problematisch? = bij te veel gebruik:
• Negatieve invloed op werk/productiviteit
• Negatieve invloed op liefde/relaties
® “Lieben und arbeiten”
= Kenmerk van maturiteit, volwassenheid (= kan je werk blijven doen en langdurige relaties
te behouden)