Psychologische kenmerken voor plegen criminaliteit, op individueel niveau, micro
Sociologische en economische verklaringen criminaliteit --> op macro en meso niveau
Hoe leiden anomie en deprivatie tot criminaliteit?
Anomie
- Snelle maatschappelijke veranderingen leiden tot normloosheid
- Socioloog uit 19e eeuw, Durkheim (1897), werkte in gebied (in Frankrijk/Duitsland) die te
maken kreeg met industriële revolutie.
- Tijdens urbanisatie en industrialisatie verdwenen oude normen
Mensen weten niet meer welke regels gelden, wat het gewenste gedrag is, welke
verwachtingen bestaan
> Gevolg: meer afwijkend gedrag en criminaliteit (vooral in arbeidswijken in de stad)
- Aantal zelfdoding nam in deze periode toe --> verklaring hiervoor was anomie
Mensen leefde in gebieden met veel gewoonterecht, iedereen kenden elkaar. In stad
kende veel mensen elkaar niet, normen en waarden vielen weg, rechten en regels
onduidelijk. Mensen konden niet tegen onduidelijkheid dus veel zelfdoding.
Deprivatie
- Bonger (1905)
- Absolute deprivatie (achterstand): echte armoede --> vergroot criminaliteit
- Invloed van Marxisme (kritiek op klassen) en socialisme (streeft naar gelijkheid) – hoe groter
de economische ongelijkheid en armoede, hoe groter de kans op criminaliteit.
- Verband tussen prijs brood en criminaliteit – economische condities en criminaliteit
Strain
- Relatieve deprivatie (je kijkt naar anderen, wat is de norm, spanning tussen wat jij bent en
wat je moet bereiken)
Instrumentele anomietheorie (Merton, 1938) – doelen maar niet iedereen heeft de
middelen om deze doelen te bereiken
- American dream
- Succesdoelen: welvaart en status – culturele
doelen
- Deze doelen moeten we via legale middelen
bereiken (school, hard werken) – structuur
(middelen)
- Strain = spanning tussen opgelegde doelen (zoals
American Dream, middelen zijn ongelijk verdeeld,
niet iedereen heeft toegang tot deze middelen)
Alternatieve manier om rijk te worden (maffia bijv.) -->
innovatie (wel doel, maar niet de middelen)
Subcultuur