Pathogenese angst:
- Een angststoornis en depressie kunnen qua symptomen erg op elkaar
lijken, het is daarom noodzakelijk dat er een goede diagnose plaatsvindt,
om de patiënt zo goed mogelijk te kunnen
helpen
- De amygdala:
Belangrijke rol bij angst, de amygdala heeft
output naar veel verschillende hersendelen:
OFC & ACC angstgevoelens
PAG van de hersenstam motorische
angstresponses (fight or flight)
Hypothalamus HPA-as activatie;
verhoogde coritsol (op lange termijn kan
dit leiden tot cardiale problemen)
PBN veranderingen in de ademhaling
LC autonome veranderingen: verhoogde hartslag en bloeddruk
Hippocampus traumatische herinneringen kunnen de amygdala
stimuleren (dit is een samenspel)
- De CSTC-baan:
Belangrijk rol bij zorgen maken
DLPFC striatum thalamus
DLPFC; leidt tot zorgen maken
o Heel veel verschillende
neurotransmitters spelen
een belangrijke rol bij de
regulatie hiervan (5HT,
GABA, glutamaat, NE, etc.)
Gegeneraliseerde angststoornis:
- Kenmerken: toegenomen alertheid,
vermoeidheid, concentratie- en
slaapproblemen én uiteraard
gegeneraliseerde angst/ zorgen maken
- Beleid:
1. SSRI’s/ SNRI’s/ buspiron
(Es)citalopram, sertraline, fluoxetine
Venlafaxine, duloxetine
Buspiron
Eventueel; benzo’s om de eerste paar weken van de behandeling te
overbruggen
2. Andere SSRI/ SNRI/ agomelatine
(Es)citalopram, sertraline, fluoxetine
Venlafaxine, duloxetine
Agomelatine indien er sprake is van veel serotonerge klachten
3. Pregabaline of lorazepam
4. Een ander middel van stap 3
Sociale angststoornis:
, - Kenmerken: verwachte paniekaanvallen,
angst voor sociale activiteiten, agorafobie
(pleinvrees), gedragsveranderingen, fobische
vermijding, zorgen maken over blootstelling
- Beleid:
1. SSRI’s
(Es)citalopram, sertraline, fluoxetine
Eventueel; benzo’s om de eerste paar
weken van de behandeling te
overbruggen
2. Ander SSRI/ SNRI
(Es)citalopram, sertraline, fluoxetine
Venlafaxine
3. MAOI
Fenelzine
4. Chronisch benzodiazepinegebruik
1e keus, middel met een lange t1/2 (zoals lorazepam)
Paniekstoornis:
- Kenmerken: geanticipeerde angst (het zorgen
maken over de angst/ paniek), onverwachte
paniekaanvallen, gedragsveranderingen en
fobische vermijding
- Beleid:
1. SSRI/ SNRI
(Es)citalopram, sertraline, fluoxetine
Venlafaxine, duloxetine
Eventueel; benzo’s om de eerste paar
weken van de behandeling te overbruggen
o Dit is het ergste bij een PS; de paniek kan de eerste weken erg
toenemen daarom langzaam insluipen
2. Een ander SSRI/ SNRI
(Es)citalopram, sertraline, fluoxetine
Venlafaxine, duloxetine
3. TCA
Clomipramine, imipramine
4. MAOI
Fenelzine
5. Chronisch benzodiazepinegebruik
1e keus, middel met een lange t1/2 (zoals lorazepam)
Geneesmiddelen:
- SSRI’s
Werking:
Remming van SERT meer 5HT in de synaptische spleet
o Escitalopram
o Citalopram
o Sertraline
o Fluoxetine
Bijwerkingen:
, 5HT3 misselijkheid/ maag-darmklachten
5HT2C remming eetlust
5HT2A seksuele disfuncties
Evidence:
GAS: +
SAS: +
PS: +
- SNRI’s
Werking:
Remming SERT & NET meer 5HT en NE in de synaptische spleet
o Venlafaxine remming NET bij hoge concentraties
o Duloxetine remming SERT en NET bij het gehele dosisbereik
Bijwerkingen:
De bovengenoemde serotongerge bijwerkingen + noradrenerge
bijwerkingen (tachycardie, veranderde bloeddruk, duizelingen)
Evidence:
GAS: +
SAS: + (alleen venlafaxine)
PS: + (alleen venlafaxine)
- TCA’s
Werking:
Remmen SERT en NET meer 5HT en NE in de synaptische spleet
Bijwerkingen:
5HT2C blokkade: gewichsttoename
M1 blokkade: anticholinerge bijwerkingen (droge mond, obstipatie)
H1 blokkade: sedatie
Alfa1 blokkade: duizeligheid & orthostatische hypotensie
Verlaagde cognitie (vooral bij ouderen)
Evidence:
GAS: -
SAS: -
PS: + (imipramine, clomipramine)
- Benzodiazepinen
Werking:
Positieve allosterische modulator van GABA; openen Cl- kanalen
remming van excitatie
Bijwerkingen:
Slaperigheid, sufheid, verminderde alertheid, tolerantie
Evidence:
GAS: +
SAS: +
PS: +
- Pregabaline
Werking:
Binding aan α2δ-domein VGCC’s minder Ca2+ instroom
glutamaat-afgifte ↓
Bijwerkingen:
Duizeligheid, slaperigheid, hoofdpijn
Evidence:
GAS: +
, SAS: -
PS: -
- Buspiron
Werking:
5HT1A-agonist minder anxiolytische effecten
Bijwerkingen:
Duizeligheid, licht gevoel in het hoofd
Evidence:
GAS: +
SAS: -
PS: -
- MAOI fenelzine (IRIMAB)
Werking:
Remming van MAO, waardoor er meer neurotransmitters intact
blijven
Bijwerkingen:
Slaapstoornissen, droge mond, duizeligheid
TYRAMINE-ARM DIEET!!!!
NIET MET SSRI’s!!!
Evidence:
GAS: -
SAS: +
PS: +
- Agomelatine
Werking:
Melatonine-agonist; meer NE en DA in de FC
Bijwerkingen:
Hoofdpijn, slaperigheid, slapeloosheid
Evidence:
GAS: + (met name bij serotonerge bijwerkingen)
SAS: -
PS: -
Cognitieve gedragstherapie:
- Therapie i.p.v. farmacotherapie
Effectief gebleken
Cognitief rationaliseren
Therapie ‘exposure’
2: Schizofrenie
Schizofrenie:
- Kenmerken:
Nature (genetica) versus nurture (drugsgebruik, traumatische
gebeurtenissen, etc.)
Dit leidt vervolgens tot dysregulaties in het glutamaat-, dopamine-
en serotoninesysteem, maar ook tot abnormale LTP (sterker maken
van synapsen; belangrijk voor geheugen) en tot abnormale
synaptische plasticiteit