1. Kenmerken en classificatie
De belangrijkste symptomen/kenmerken van de drie angststoornissen. Begrip van de termen
paniekaanval, anticipatieangst en agorafobie.
- gegeneraliseerde angststoornis (GAD, GAS)
- sociale angststoornis (sociale fobie; SAD, SAS)
- paniekstoornis (PD, PS)
- Angststoornissen
Hoewel een angststoornis en een depressie verschillen van
hoofdsymptomen, lijken deze twee aandoeningen ook wel weer veel op
elkaar
Omdat deze aandoeningen veel op elkaar lijken (en het voor de
behandeling uit kan maken wat voor precieze diagnose een patiënt
heeft) is het belangrijk om een patiënt op een juiste manier te
diagnosticeren
1. Gegeneraliseerde angststoornis
Toegenomen arousal (alertheid), vermoeidheid, concentratie- en
slaapproblemen én uiteraard de gegeneraliseerde angst/ zorgen
maken
2. Paniekstoornis
Geanticipeerde angst: het zorgen maken óver paniekaanvallen,
onverwachte paniekaanvallen, gedragsveranderingen/ fobische
vermijding
, 3. Sociale angststoornis
Verwachte paniekaanvallen, gedragsveranderingen/ fobische
vermijding, zorgen maken over blootstelling, angst voor sociale
activiteiten
Alle angststoornissen gaan gepaard met zorgen maken en angst
Angst: amygdala
Zorgen maken: CSTC-baan
2. Pathogenese
De bij angst betrokken hersencircuits en processen ( Stahl)
- De amygdala en angst (wordt gereguleerd door veel neurotransmitters)
De amygdala is belangrijk om te bepalen óf er angst nodig is output naar;
Orbitofrontale cortex (OFC) en anterior cingulate cortex (ACC) angstgevoelens
Peraqueductale gray area van de hersenstam (PAG) motorische angstresponsies
(fight or flight/ freeze)
Hypothalamus HPA-as activatie, dit leidt tot hoge levels cortisol (dit kan op lange
termijn leiden tot een verhoogd risico op DMT2 en een infarct)
Parabrachiale nucleus (PBN) veranderingen in de ademhaling
Locus coereleus (LC) autonome veranderingen (verhoogde hartslag en bloeddruk)
Hippocampus (samenspel) traumatische herinneringen kunnen de amygdala
stimuleren
,- De CSTC-baan en zorgen maken
Baan die begint en eindigt in de DLPFC ( striatum, thalamus, DLPFC); overactivatie leidt
tot zorgen maken
, 3. Geneesmiddelen
- SSRI’s en SNRI’s: werkingsmechanisme, evidence voor effectiviteit bij de drie
bovengenoemde angststoornissen (let op: per angststoornis kijken naar
evidence voor de SSRI’s als groep, niet per indivduele SSRI), CYP-interacties,
bijwerkingen en de verklaring daarvan, werkingsinzet, etc.
- TCA’s (clomipramine, imipramine): werkingsmechanisme, verschillen
tussen de middelen, evidence voor effectiviteit bij de drie
bovengenoemde angststoornissen, belangrijkste bijwerkingen en de
verklaring daarvan.
- Benzodiazepines: werkingsmechanisme, plaats in de behandeling, evidence
voor effectiviteit bij de drie bovengenoemde angststoornissen (let op: per
angststoornis kijken naar de evidence voor de benzodiazepines als groep,
niet per individuele benzodiazepine), bijwerkingen en de verklaring daarvan,
afhankelijkheid.
- Pregabaline en gabapentine: werkingsmechanisme, belangrijkste
bijwerkingen en de verklaring daarvan. Plaats in de behandeling van de drie
bovengenoemde angststoornissen en de evidence voor effectiviteit.
- Buspiron: werkingsmechanisme, belangrijkste bijwerkingen en de verklaring
daarvan. Plaats in de behandeling van de drie bovengenoemde
angststoornissen en de evidence voor effectiviteit.
Werking Bijwerkingen Effectiviteit Toepasbaarheid
GAS SAS PS GAS SAS PS
SSRI’s Remmin Serotonerg + + + 1e 1e 1e
g SERT Escitalopra (Es)citalop (Es)citalopra keus keus keus
SE in m ram m
synaps Sertraline Paroxetine Paroxetine
Paroxetine Sertraline Sertraline
↑
Fluoxetine
SNRI’s Remmin Serotonerg + noradrenerg + + + 1e 2e 1e
g SERT Duloxetine Venlafaxin Venlafaxine keus keus keus
& NERT Venlafaxine e
SE en
NE in