Hoofdstuk 1: Inleiding (Van der Horst, Kok & Luijk)
Kern: De inleiding laat zien waarom de gehechtheidstheorie zo belangrijk is: het gaat om de
balans tussen verbondenheid en autonomie. Daarna verbinden de auteurs deze theorie aan de
praktijk via de trap van pedagogische ondersteuning, waar de rest van het boek in past.
Verbondenheid en autonomie
Bijna elke stroming in de psychologie heeft het over de spanning tussen erbij horen en
zelfstandig zijn. Voorbeelden: Freud (innerlijke driften: libido en agressie), Rogers
(autonomie vanuit verbondenheid met therapeut), de systeemtheorie en de
zelfdeterminatietheorie van Deci en Ryan (competentie, autonomie en verbondenheid).
In de gehechtheidstheorie bouw je zelfstandigheid op vertrouwen in anderen. Een kind
dat ervaart dat de ander beschikbaar, liefdevol en sensitief is, kan later emotioneel
zelfstandig functioneren.
Kernideeën uit de theorie
Veilige basis en veilige haven: het kind verkent de wereld vanuit de verzorger als
veilige basis en komt terug bij angst, verdriet of pijn als veilige haven.
Vraagkijken (social referencing): het kind kijkt naar de verzorger om te zien of iets
veillig is.
Intern werkmodel: door vroege ervaringen krijg je verwachtingen over of anderen er
voor je zijn en een beeld van je eigen waarde. Dat kan later nog bijgesteld worden.
Coregulatie (dyadische regulatie): emoties regel je niet alleen zelf, maar ook samen
met een ander. Een baby kalmeert doordat de ouder troost, en volwassenen doen dat
bij een partner of vriend.
Meerstemmigheid: Bowlby vond het prima om met verschillende stemmen te
spreken, een woord hoeft niet overal hetzelfde te betekenen. Daardoor hebben
woorden als gehechtheid, sensitiviteit en emotionele veiligheid verschillende
betekenissen in wetenschap, praktijk en dagelijks leven (zie hoofdstuk 3).
De trap van pedagogische ondersteuning
De auteurs bouwen voort op het continuüm van opvoedproblemen (Timmers-Huigens):
opvoedingsonzekerheid, -spanning, -crisis en -nood. Bij elk niveau hoort een trede:
1. Normaliseren en informeren (onzekerheid)
2. Adviseren en ondersteunen, bijvoorbeeld via het Centrum Jeugd en Gezin (spanning)
3. Intensievere hulp thuis via het wijkteam (crisis)
4. Complexe zorg in de gespecialiseerde jeugdzorg (nood)
Belangrijk: anders dan Blokland (2022) vinden de auteurs dat pedagogische ondersteuning op
het hele spectrum kan helpen. Het verschil tussen preventie en interventie is hier minder
,belangrijk, want pedagogen doen op alle treden allebei. Ter context: ruim een kwart van de
ouders maakt zich zorgen over de opvoeding, bijna 80 procent praat erover in het eigen
netwerk, en bij 85 procent worden geen opvoedproblemen gezien. Zorgen horen dus gewoon
bij opvoeden.
Hoofdstuk 2: De historische wortels van de gehechtheidstheorie (Van
Rosmalen & Van der Horst)
Kern: De gehechtheidstheorie komt niet van één persoon. Er zitten drie wetenschappers
achter: Bowlby, Ainsworth en Blatz. Bowlby onderzocht de gevolgen van scheiding en
combineerde psychoanalyse met ethologie. Blatz bedacht in Toronto de Security Theory.
Ainsworth had bij Blatz gewerkt, bracht beide lijnen samen en deed eigen onderzoek.
Historische context
Rond 1900 werd de volksgezondheid beter en daalde de kindersterfte, dus er kwam
ruimte voor aandacht voor geestelijke gezondheid (Mental Hygiene Movement).
Er kwam meer onderzoek naar kinderen (Child Study Movement van G. Stanley Hall)
en Freud leidde problemen van volwassenen terug naar de kindertijd.
Gevolg: opvoeding, en vooral de moeder, werd gezien als bepalend voor hoe een kind
zich ontwikkelt.
William Blatz en de Security Theory
Blatz zag gedrag als aanpassing (adjustment) aan een omgeving die steeds verandert.
Hij ging daarmee tegen het behaviorisme (passief kind) en de psychoanalyse (kind als
speelbal van driften) in.
Hij deed liever empirisch, longitudinaal onderzoek in natuurlijke situaties, dan
retrospectieve analyses of kunstmatig labwerk.
Kinderen hebben steeds terugkerende verlangens (appetites): honger, dorst, slaap,
ontlasting en spel/verandering. Het verlangen naar verandering zet kinderen aan tot
verkennen, en verkennen leidt tot leren.
Ontwikkeling van security: het kind is eerst helemaal afhankelijk (infantile
dependent security). Als het erop kan vertrouwen dat de ouder er is, durft het te
verkennen met de ouder als veilige basis. Zo wordt het uiteindelijk independent
secure.
Lukt dat op een gebied niet, dan kun je terugvallen op dependent security (een ander
lost het op). Anders volgen afweermechanismen (rationalisatie, compensatie,
sublimatie).
Security is geen vast kenmerk, het verschilt per levensgebied. Blatz verwierp
bovendien het onbewuste van Freud.
Voorbeeld uit het hoofdstuk: leren fietsen. Eerst achterop bij moeder, dan zelf leren, of
altijd achterop bij een partner, of anders uitvluchten zoals "fietsen is toch niks voor
mij".
Drie ideeën van Blatz die je terugziet in de gehechtheidstheorie: (1) een stabiele
moederfiguur is belangrijk, (2) de verzorger is een veilige basis om vanuit te verkennen, (3)
, security bestaat uit typen in plaats van een glijdende schaal. Dat laatste zie je terug in de
categorieën van Ainsworth.
John Bowlby en separatie
Opgegroeid in een Victoriaans gezin met kindermeisjes en kostschool. Misschien komt
daar zijn interesse in scheiding vandaan.
Zijn opleiding bij psychoanalyticus Melanie Klein botste met zijn visie: hij vond de
omgeving van het kind en observatie belangrijker dan onbewuste fantasie.
Onderzoek bij jeugdige delinquenten (1944): scheiding van de moeder kwam daar
vaker voor. Meer aanwijzingen kwamen uit evacuaties, kindertehuizen,
ziekenhuisopnames en studies van Spitz, Bakwin en Goldfarb.
WHO-rapport (1951) over deprivatie van moederzorg: langdurig gebrek eraan kan
grote gevolgen hebben. Maar een verklaring ontbrak nog.
Ethologie als oplossing: Lorenz (imprinting) en Tinbergen (vier vragen: oorzaak,
oorsprong, functie en evolutie van gedrag). Volgens Bowlby (1958) is de band tussen
moeder en kind aangeboren en evolutionair te verklaren, en niet het gevolg van
voeding (anders dan psychoanalyse en leertheorie beweerden).
Harlow: resusaapjes gingen naar de zachte badstofmoeder, ook als de
ijzerdraadmoeder de voeding gaf. Dat was de eerste empirische steun voor Bowlby.
Bij gescheiden apen en kinderen zie je dezelfde fasen: protest, wanhoop, onthechting.
Mary Ainsworth als brug
Studeerde en promoveerde bij Blatz (zelfrapportageschalen voor security). Vanaf 1950
bij de Tavistock Clinic in Londen met Bowlby en Robertson.
Daarna Oeganda (observatiestudie, Infancy in Uganda) en Baltimore.
In het eerste gezamenlijke artikel (1954) hadden ze het nog over een secure
dependency relationship. Pas in 1956 werd dat attachment. Ainsworth noemde Blatz
later de rode draad in haar loopbaan.
Drie kernonderdelen van de theorie
1. Gehechtheidssysteem: aangeboren neiging om dichtbij de verzorger te zijn. Gaat aan
bij stress en uit bij geruststelling (Bowlby: een thermostaat). Vier fasen: geen
onderscheid tussen personen (0-2 mnd), signalen op enkele verzorgers (2-6 mnd),
echte gehechtheid met eenkennigheid en scheidingsangst (6 mnd-4 jr), en vanaf
ongeveer 4 jaar een relatie waarin het kind rekening houdt met de opvoeder. Rond één
jaar is een ruwe versie van het intern werkmodel klaar, en dat is niet deterministisch
(het ligt niet vast).
2. Gehechtheidscategorieën (Ainsworth, later Main & Solomon): veilig, onveilig-
ambivalent, onveilig-vermijdend en onveilig-gedesorganiseerd.
3. Sensitiviteit: de mate waarin het de opvoeder lukt om gevoelig te zijn voor de
signalen van het kind: begrijpt hij of zij die signalen en reageert hij of zij er goed op?
Hoe beter dat lukt, hoe veiliger het kind zich voelt en hoe beter het met emoties leert
omgaan (hoofdstuk 3 werkt de definitie nauwkeuriger uit). Zo ontstaat zelfregulatie