STATISTIEK VOOR
PSYCHOLOGEN
DEEL 1
begrippen eenvoudig uitgelegd
Hoorcollege 1 t.e.m. 5
Begrippen • voorbeelden • berekeningen • symbolen
, STATISTIEK IN MAKKELIJKE TAAL
Hoorcollege 1 t.e.m. 5 | Begrippen vóór formules
Ons vaste voorbeeld
Vijf studenten halen op een toets: 4, 6, 6, 8 en 10. We gebruiken deze punten zo vaak mogelijk. Voor verbanden gebruiken we studietijd (X)
en examenpunten (Y).
HC 1 — De basis
Term / symbool Wat betekent het, écht? En Wat doe je? Wanneer gebruik je dit?
waarom doen we dit?
Beschrijvende statistiek Je beschrijft de gegevens die je Voorbeeld: Orden de vijf Als je de gegevens van de
hebt. toetspunten. onderzochte groep moet
WAAROM? Zo maak je een Stap: Kijk naar de verzamelde ordenen of samenvatten.
grote hoop cijfers overzichtelijk. gegevens.
Inductieve statistiek Je gebruikt een kleinere groep Voorbeeld: Vraag 100 studenten Als je met een onderzochte
om iets over een grotere groep naar hun studietijd om iets over groep iets wilt zeggen over een
te zeggen. alle studenten te leren. grotere groep.
WAAROM? Je kunt onmogelijk Stap: Denk: steekproef →
iedereen onderzoeken; met een populatie.
kleinere groep probeer je toch
iets over de hele groep te leren.
Onderzoekseenheid Wie of wat je onderzoekt. Voorbeeld: Eén student. Als je moet bepalen over wie of
WAAROM? Je moet weten over Stap: Tel hoeveel gevallen er wat elke rij gegevens gaat.
wie of wat elk rijtje gegevens zijn.
gaat.
Variabele X Een eigenschap die je meet en Voorbeeld: X = toetspunt. Als je moet benoemen welke
die kan verschillen. Stap: Kies de juiste kolom. eigenschap wordt gemeten.
WAAROM? Je moet eerst weten
wát je precies vergelijkt.
Observatie xᵢ De waarde van één geval op X. Voorbeeld: x₁ = 4. Als je één gemeten waarde bij
WAAROM? Dit is het concrete Stap: Zoek de waarde bij één persoon moet aanduiden.
antwoord van één persoon, niet nummer i.
de hele groep.
n Het aantal waarnemingen. Voorbeeld: n = 5. Als je moet tellen hoeveel
WAAROM? Zo weet je door Stap: Tel alle scores, ook metingen of personen er zijn.
hoeveel waarnemingen je dubbele.
bijvoorbeeld moet delen.
Kwalitatieve variabele Een naam, groep of categorie; Voorbeeld: Studierichting = Als de antwoorden soorten of
ermee rekenen heeft geen zin. psychologie of rechten. namen zijn, zoals woonplaats.
WAAROM? Een woonplaats kun Stap: Tel categorieën.
je niet zinvol optellen of
middelen.
Kwantitatieve variabele Een getal waarbij rekenen Voorbeeld: Toetspunt = 6. Als de antwoorden
betekenis heeft. Stap: Je kunt gemiddelde of hoeveelheden zijn, zoals aantal
WAAROM? Met punten of spreiding berekenen. uren.
leeftijden kun je wél rekenen.