Gedrag
= (waarneembare) acties en reacties van een dier op prikkels uit de omgeving (externe prikkels)
of vanuit het eigen lichaam (interne prikkels)
➔ Evolutionair doel: vergroten van overlevingskansen en voortplantingssucces
➔ Sommige gedragingen van dieren zijn niet direct waarneembaar, omdat ze plaatsvinden
in interne processen zoals motivatie, aandacht of voorbereiding op een actie
1) Reflexen
= gedrag
➢ Endocrien stelsel: hormonen (zorgen ook voor bepaald gedrag)
➢ Zenuwstelsel: stuurt heel veel van het gedrag aan (REFLEX)
Stimulatie:
➔ Vormt prikkel
➔ Wordt geleid naar ruggenmerg (afferent/sensorisch)
➔ Prikkel gaat daar overspringen naar andere zenuwcel door
neurotransmitters
➔ Prikkel gaat (efferent/motorisch) naar doelspier
➔ Spier trekt samen
= heel eenvoudige vorm van reflex
Bij complexer gedrag zullen de hersenen betrokken worden
Synaptische spleet tussen 2 neuronen/zenuwcellen:
➔ Prikkel komt aan het einde van de ene zenuwcel (neuron)
➔ Afgifte van neurotransmitters
➔ Neurotransmitters komen in de synaptische spleet
➔ Binden aan receptoren op het membraan van de volgende zenuwcel
(neuron)
➔ Zorgt weer voor elektrische prikkel en gaat verder
Clomicalm = Medicament dat angst bij dieren vermindert door de
hoeveelheid serotonine (neurotransmitter) in de synaptische spleet van
angstremmende hersengebieden te verhogen, waardoor de
prikkeloverdracht in deze gebieden toeneemt en de angstreactie afneemt.
2) De studie van dierengedrag
➢ = ethologie
➢ 19de eeuw → Charles Darwin → ‘the origin of species’
→Fundamentele invloed op de ontwikkeling van de moderne ethologie (biologie)
➢ Vanwaar komt het gedrag evolutionair gezien?
, Begin 20ste eeuw zijn ze echt begonnen met studies over gedrag → Oskar Heunroth
➢ Beschrijvende ethologie van dieren in vrije natuur (vogels, insecten,..)
➢ Beschreven uitwendig zichtbaar gedrag (nog geen weet over inwendig
aangestuurd gedrag)
➢ Ethogrammen = maakten lijsten van alle uitwendige gedragen van dat dier
- Met definitie bij die exact beschrijft wat je kan zien
- Objectieve beschrijving van wat er exact gebeurd (observatie)
- In definitie staat NIET waarom die dat doet, alleen wat je ziet gebeuren
- Gedragingen die samen horen in categorieën/clusters plaatsen
• Vb. alles met voeding valt onder cluster: voedingsgedrag
• Vb. actief, inactief, agressief, angst,…
• Vb. affiliatief gedrag = alle gedragingen die sociale banden
versterken en positieve relaties onderhouden tussen dieren
• Vb. Agonistisch gedrag = conflictgedrag (dreigen, grommen,…)
- Kan tekeningen, foto’s en filmpjes bevatten
- Species-ethogram = volledige lijst van alle mogelijke gedragingen die typisch
zijn voor 1 dierSOORT
Experimenteel ethogram = ethogram specifiek opgesteld voor één
onderzoeksvraag of experiment
• Vb. onderzoek naar voortplantingsgedrag: ethogram zal alle
gedragingen omtrent voortplanting hebben → dat beperkt lijstje is
dan het experimenteel ethogram)
• Je ziet in die lijsten (bij tabel activity):
States (=gedragingen waarvan je de duur kan opnemen vb. zitten)
Events (=wat je kan tellen en niet timen want duurt te kort)
• Altijd heel korte enthogrammen
Charles Darwin begon later (1872) naar emoties bij mens en dier te kijken
➢ Vergelijkende ethologie = gedragingen van verschillende diersoorten met elkaar
vergelijken
➢ Darwin schreef een boek: ‘het uitdrukken van emoties bij mens en dier’
• Uitdrukkingen van emoties
• Relatie tussen emoties en zichtbare gedragingen (vb. gelaatsuitdrukking)
• Vergeleek emoties met andere dierensoorten/mensen
Later in 20ste eeuw gingen ze niet alleen meer observeren, maar ook ingrijpen
➢ Experimentele ethologie = Ingrijpen in de vrije natuur en kijken hoe dieren
daarop reageren
➢ N. Tinbergen = grondlegger ethologie
• het gedrag verklaarde hij door fysiologische, hormonale of andere interne
veranderingen, of door externe prikkels, én wordt bekeken welk doel het
gedrag dient
,3) N. Tinbergen
➢ Tinbergen’s 4 vragen:
1. Causaliteit: Waardoor wordt het gedrag veroorzaakt?
2. Functie: Wat is de functie van het gedrag?
3. Ontogenetisch: Hoe ontwikkelt het gedrag zich tijdens de levensloop van
een individu?
4. Fylogenetisch: Hoe is het gedrag evolutionair gezien ontstaan
➢ Deed verschillende experimenten zoals:
- Welk prikkel lokt kuiken uit om te pikken naar het rode stipje op bek van
moeder?
- Waarom valt een mannetjes mus (vogel) een ander mannetje vaak aan? (door
rode kleur)
- Eirolbeweging gans
→Sleutelprikkel = prikkel die vastliggend soortspecifiek gedragspatroon
uitlokt (aangeboren, moeten het niet leren) = fixed action pattem
→Later aangepast naar model action pattem omdat er variatie mogelijk
is dus niet 100% vastliggend, beïnvloeding door context, ervaring,…
→Welbepaalde prikkel roept welbepaalde reactie op
→Supranormale prikkels = prikkel die een bepaald gedrag beter uitlokt
dan de normale, natuurlijke sleutelprikkel voor dit gedrag
➢ Vb. kuiken pikt veel harder naar felrood, lang en smal pennetje
➢ Vb. ouders van kuiken geeft eten aan ander kuiken i.p.v. eigen
kuikens omdat bek veel meer open staat en veel luider piept
➢ Supranormale stimuli = Overdreven prikkels die in de natuur niet
te vinden zijn en een sterkere reactie oproepen van de dieren dan
de normale natuurlijke sleutelprikkels
4) K. Lorenz
➢ Inprenting bij kuiken eend:
- Volgreactie: aangeboren + soortspecifiek
→In sensitieve periode (13-16u na uitkomen) gaan volgreactie van start
→Experimenten waarbij mens ouderfiguur inneemt: kuikens volgen
- Inprenting: leerproces ‘wie/wat’ volgen (herkenning van ouderfiguur)
- Later gezien dat het toch flexibel is en de voorkeur van volgouder aangepast
kan worden
➢ Inprenting bij zoogdieren:
- Vaak nestblijvers (hebben tijd nodig om zelfstandig te worden)
- Inprenting: herkenning en hechting aan ouderdier
- Pups (hond) hebben socialisatieperiode →in contact komen met anderen
, 5) K. Frisch
➢ Veel met bijen gewerkt
- Heeft gezien dat bijen onderling communiceren
- Vb. bij danst om anderen te informeren waar eten is
➔ N. Tinbergen, K. Lorenz en K. Van Frisch = GRONDLEGGERS ethologie!!
6) Cognitieve ethologie
➢ Subjectieve ervaringen van dieren
➢ Hoe zit het met de denkprocessen, hoe leren ze, wat voelen ze?
➢ Ethologische kennis toepassen op gedomesticeerde diersoorten
- Essentiële gedragingen? Kunnen deze gerangschikt worden naar
belangrijkheid? Effect als deze niet mogelijk zijn?
- Optimaliseren van productie
→Optimalisatie door kennis van ethologie
→Vb. betere voederconversie bij soortspecifiek(e) voedingsritme en
sociale context
- Gedragscontrole
→Technische innovatie: diervriendelijkere applicatie door kennis van
ethologie
- Ongewenst en abnormaal gedrag bij dieren
→Kan gedrag zijn dat normaal is voor dier, maar mens niet leuk vindt
→Is niet perse slecht
→Soms kan het medisch zijn (vb. veel likken aan poot, haar weg)
- Mens-dier interacties
→Effect van ons gedrag op dieren
(→Misschien geeft koe meer melkproductie als je zacht praat)