, Deel 1: De sociologie ontdekken
2
,Hoofdstuk 1: De sociologische verzuchting
1. Wat is sociologie
= niet zien als een levenloos object dat in een paar moeilijke zinnen kan worden gedefinieerd
2. Wat de sociologie ons leert
Alles is contingent, maar daarom niet arbitrair.
= alles is toevallig (het had ook anders kunnen zijn), maar daarom niet compleet willekeurig
(er geen goede redenen bestaan waarom het nu zo is).
Voorbeeld, het huwelijk:
George Murdock – Murdock Files: 565 culturen bestudeert -> monogamie 20%, polygamie
80% (voornamelijk polygynie – man met meerdere vrouwen)
Conclusie:
Iets vanzelfsprekend zoals huwelijk varieert over cultuur en ruimte (= contigent)
In die variatie zitten wel patronen (= niet arbitrair), bijvoorbeeld meer polyandrie
wanneer vrouwen grond erven
Howard Becker – het besef van het contingente:
Afwijkend gedrag wordt door samenleving geproduceerd -> niet bv door ongelukkige jeugd
=> maar wel dat de normen om gedrag te beoordelen verschillen per samenleving
Hij vond het dus belangrijk om:
Te verklaren waarom individuen tot afwijking gedrag komen
Bepaalde afwijkingen in de ene samenleving afwijkend zijn en de andere niet
3. Contingent, maar niet arbitrair
Jean Jacques Rousseau (1712-1778):
1. Vond het evident dat mensen wetten en regels opvolgden zolang zijn geloofde dat deze
van buitenaf werden opgelegd
Maar als mensen beseffen dat dit eigen ontworpen zaken zijn stopt het opvolgen
2. Had kritiek op het Christendom = droeg niet bij tot burgerdeugd (goede burgers kweken)
Nieuwe religies die dit wel deden = civiele religies of burger religies
3
,Waarom is het contingente niet arbitrair?
3 voorbeelden:
1. Verlichting en Tegen-verlichting
Verlichting: eigen rede en redeneervermogen -> samenleving die vooruitgaat
Religie niet nodig in samenleving
Tegen-Verlichting: redelijk handelen -> egoïsme, sociale ontreddering en vervreemding
Godsdienst en gezag nodig in samenleving
Conclusie: vroege 19e-eeuwse sociologie probeerden deze twee te verzoenen
2. Grondlegger van de sociologie: Auguste Comte
- Bedacht term sociologie (niet per se grondlegger)
- Voorstander verlichting, maar gevoelig voor argumenten tegen Verlichting (bv regels
worden niet zomaar gerespecteerd)
- 3 stadia van ontwikkelingen samenlevingen:
Die van religieuze
Die van metafysische
Die van wetenschappelijk denken (in deze werd menselijk handelen en
samenleving geleid door rede
- Sociologie moet zich focussen op beantwoordbare vragen
- Oude religies hadden slecht hun functie uitgevoerd
- Twee grote krachten in menselijk handelen en geschiedenis
Rede = gestuurd door wetenschap (kind doet voetbal en tennis, vindt voetbal
leuker dus stopt tennis)
Emotie = gestuurd door religie
Conclusie: religie der mensheid = geen God, maar de capaciteit van mensen om hun energie
op wenselijke doelen te richten
(Achtergrond-info: op het einde van zijn leven bouwde hij deze tot in detail uit, aan de hand
van kalenders, een eigen tijdrekening…-> hierdoor werd hij niet meer echt serieus genomen
+ na zijn dood werd sociologie voor een lange tijd in de doofpot gestoken)
3. Debat tussen Habermas en Luhmann
Habermas:
Wetenschap geeft geen antwoord op waarom vraag = probleem
Meer rede in hedendaagse leven (bv op cafés met elkaar in discussie gaan met juiste
argumenten)
Redelijke, eerlijke mensen worden het eens
Conclusie: wanneer iedereen meedoet, zijn mening geeft -> regels niet zomaar opgelegd
door een paar mensen => iedereen staat er achter (= niet arbitraire regels)
4
,Luhmann:
Mensen geraken het nooit eens
Moeten leren omgaan met het arbitraire + het contingente aanvaarden
Voorbeelden van arbitraire aanvaarden:
Meerderheidsregel ontstaan omdat we het toch nooit eens worden -> betekent niet
dat de meerderheid juist is => maar anders ontstaat er chaos
Rechtspositivisme: wet verdient respect ongeacht haar inhoud, doel zolang ze correct
in stand is gekomen => want: over wat rechtvaardigheid is worden we het toch nooit
eens, tenzij deze er via een meerderheid is gekomen
4. Waarom al die zorgen om orde?
Sociale orde = het behoud van de mogelijkheid om tot nageleefde regels te komen
Voorbeeld verkeersregels: maakt niet uit of we links of rechts rijden -> gewoon een afspraak
nodig die iedereen naleeft
2 elementen komen terug binnen sociale orde:
Voorspelbaarheid (dat de trein op het juiste uur rijdt)
Berekenbaarheid (dat je in een ziekenhuis op goede zorg kan rekenen)
2 belangrijke sociologische vragen:
1. Hoe krijgt ons leven een zekere mate van voorspelbaarheid? = ‘probleem van de orde’
2. Welke regels zijn absoluut nodig en dus niet arbitrair? = ‘niet arbitraire contingentie’
5. Legitimerende verhalen: natuur, geschiedenis en samenhang
3 verhalen met aspecten buiten de wil van de mens liggen en dus aanvaard dient te
worden (het niet-contingente):
1. Natuur
Mensen = fysieke organismen met beperkingen (beperkte levensduur) die invloed hebben op
maatschappelijke organisatie + alle individuen hebben zelfde natuur
Voorbeeld beperking: mensen kunnen niet vliegen
Deze kunnen wel overwonnen worden
Ontstaan van vliegtuigen
Verleden: natuur vaak gebruikt als rechtvaardiging voor sociale ordeningen
Friedrich Hayek: vrije markt weerspiegelt aangeboren instincten van mensen = in
huidige maatschappij niet wetenschappelijk
5
,Conclusie: natuur legt ons beperking op -> maar onduidelijk welke, wat de invloed er van is
Aannemen dat veel wat we doen contingent is
2. Geschiedenis
= verleden van de samenleving
Heeft een invloed op de huidige samenleving (“pad afhankelijkheid”)
- August Comte: Culturen gaan vroeg of laat overstappen naar een meer positivistische,
wetenschappelijk wijze van denken. Het positivisme is een logisch gevolg van de geschiedenis
- Karl Marx: Geschiedenis kende een dwingende ontwikkeling, waarbij toekomst kon worden
voorspeld (luxe, afwezigheid beperkingen, orde waarin niets nog arbitrair)?
- Jeffrey Alexander: behoefte aan theorie van de geschiedenis. Zegt on iets over wie we zijn.
Identiteit. Manier om keuzes te beperken.
Conclusie:
Hoewel geschiedenis ongetwijfeld beperkingen oplegt aan samenlevingen, is het vaak
onduidelijk welke beperkingen dat precies zijn en hoe dwingend ze werkelijk zijn. Zoals bij de
natuur, wordt een beroep op de geschiedenis vaak gebruikt om keuzevrijheid te beperken en
mensen te overtuigen van bepaalde maatschappelijke regels en ontwikkelingen. Sociologen
zoals Jeffrey Alexander stellen dat mensen niet alleen geschiedenis nodig hebben voor
kennis, maar ook om hun identiteit te vormen en zich te situeren in tijd en ruimte.
3. Samenhang
= instelling als het gezin kan vele vormen aannemen net zoals een economie
Nucleair gezin en de industriële economie: man werkt, vrouw blijft thuis
Zorgde voor economische efficiëntie, maar opkomst van tweeverdienersgezinnen
zorgde voor nieuwe spanningen (stress, laag geboortecijfer…)
Conclusie: Hoewel samenhang beperkingen oplegt, is vaak onduidelijk hoe dwingend deze
zijn. Het gebruik van samenhang als legitimerende bron is daarom een manier om de
bestaande orde te verantwoorden door het te presenteren als iets dat buiten de menselijke
wil ligt.
Algemene conclusie:
Het beroep op de natuur, de geschiedenis en de samenhang is dus een manier om de
bestaande orde te verantwoorden en te legitimeren. Het is dus eigenlijk een beroep op een
legitimerende derde die buiten of boven de wil van de mensen staat. We zouden nog een
vierde legitimerende derde kunnen toevoegen: de vanzelfsprekendheid. In Amerika: “we
hold these truths as selfevident”. Geen verantwoording moet gegeven worden.
6
,Hoofdstuk 2: De taak en de houding van de socioloog
1. De taak van de socioloog
Elias Norbert: sociologie moet de sociale werkelijkheid voor mensen doorzichtig en
beheersbaar maken
Via kennis mensen meer greep geven op hun eigen leven
Huidige maatschappij + relatienetwerken: steeds complexer + groter
Mensen verliezen overzicht
Taak socioloog: overzicht weer zichtbaar maken
1. De empirische-analytische taak – de cijferaar
= betrouwbare kennis verwerven over de samenleving
Inzicht verwerven in samenhangen (samenlevingsvormen, organisaties…) + vat krijgen
op de regelmaten en oorzaak-gevolgrelaties
Uitgebreid voorbeeld:
In 1998 duiken geruchten op dat meisjes het op school beter doen als jongens
Wat moet de socioloog zich dan afvragen: Is dat echt zo? Is dat een nieuw verschijnsel? Is dat
in andere landen ook het geval?
Bleek effectief waar te zijn en als sinds 1957 de werkelijkheid te zijn
Maar waarom?
Slechter presteren kwam door houdingen (stoer doen, agressie, stereotiep denken…)
Deze houdingen leden tot probleemgedrag (minder inzet voor school, conflictueuze
relatie met leerkracht…)
Echter kan men niet vaststellen dat het puur door deze houdingen en probleemgedrag kwam
Wat wel duidelijk werd: meisjes verloren hun voorsprong op de arbeidsmarkt
Arbeidsmarkt waren meer opzoek naar ‘mannelijke houdingen’
Ander voorbeeld:
In jaren ’90 van 20ste eeuw neemt gevoel van onveiligheid toe
Rechtse en extreemrechtse partijen worpen zich op dit thema en pleitte voor een
harde aanpak
Maar:
- Is een harde, repressieve aanpak de meest doeltreffende manier tegen criminaliteit?
7
,- Zijn de hoge gevoelens van onveiligheid wel te linken aan gevolg van criminaliteit?
Conclusie:
Onderzoekers Kury en Ferdinand concludeerde dar onveiligheidsgevoelens slechts op geringe
mate aan slachtofferschap worden toegeschreven
Betekende helaas niet dat extreemrechtse partijen hun mening veranderde
___
Moeilijkste fase: analyse van onderzoeksproces -> opzoek gaan naar samenhangen +
verklaringen
Interpretatie is belangrijk aan de hand van theorieën (= algemene uitspraken over
menselijk gedrag waarvan de specificatie de waarnemingen kan verklaren)
Onderzoek cyclus:
2. De kritische taak – de mythejager
a) Onderzoek wordt moedwillig verzwegen of weerstand tegen nieuwe kennis (zie
voorbeeld van criminaliteit)
Belang van socioloog om kritisch te zijn
Maar zal ook tot conflicten, spanningen leiden
Onderzoeker kan ook bondgenoot van overheid worden:
Jaren ’90: groot lerarentekort in Nederland
Men dacht dat dit kwam door lage lonen en verlies van status
Maar dat was eigenlijk niet het geval -> Nederlandse overheid nam initiatief om een
journalist een boek te laten schrijven waar dat bewezen werd
Conclusie: Problematiek van leerkrachten en foute percepties verminderde
8