,Deel 1: Algemeen – basisbegrippen
,Hoofdstuk 1: Waarom sociaal wetenschappelijk onderzoek
1.1 Inleiding
Sociale onderzoekers stellen voortdurend vragen bronnen voor vragen? :
Nieuwsgierigheid
Eigen ervaring
Berichtgeving in de media, colleges, wetenschappelijke literatuur, boeken,
conferenties, ....
Waarom sociaal wetenschappelijk onderzoek?
Het beschrijven van een fenomeen
Het verklaren van oorzaken en gevolgen van een fenomeen
Het voorspellen van een uitkomst
Het evalueren van een fenomeen
Het ingrijpen en ontwikkelen van goede praktijken
Empowerment (= hoe het leven van degene die we onderzoeken verbeteren?)
1.2 Enkele voorbeelden
a) Klimaatopwarming
Eerste onderzoek: door toenemende uitstoot CO₂ -> gemiddelde temperatuur op aarde ↑
Tweede onderzoek: stijging van de temperatuur -> doet CO₂ ↑ + rol van mens hierbij heel
klein
Beide visies wetenschappelijk onderbouwd
Conclusie: wetenschap is dus heel complex
b) The rotting of the big apple
1990 hoge criminaliteitscijfers in NY -> nieuwe burgemeester met nieuw systeem = laat zich
inspireren door ‘broken windows theory’ (= crimineel handelen gevolg van gebrek aan
sociale normen + controle om aan die normen te conformeren)
Hoe exact? -> kleine criminaliteit aanpakken om te vermijden dat deze grote – aantrekt
criminaliteitscijfers dalen
MAAR: cijfers waren al aan het dalen = foutief causaal verband
Voorwaarde voor causaliteit:
Relatie tussen beide
Eerst gebeurtenis A dan B (a = opruimen buurt, b = daling criminaliteit)
, Na controle C: mogelijkse andere factoren? (c = opleiding, armoede…)
c) Verkiezingspolls
Niet representatief, bv niet rekening gehouden met de ‘non-respons’ (mensen die
niet hebben geantwoord)
Slechte vraagstelling + misschien fout begrepen
Geen vermelding van foutenmarge
d) Verband gamen en agressie?
1. Wat is precies gewelddadig en wat niet?
2. Fout causaal verband (niet zomaar een verband tussen gamen en agressie) -> zou ook
kunnen dat agressieve kinderen kiezen voor games
3. Geen rekening gehouden met intermediaire variabelen (geslacht, leeftijd,
persoonlijkheidskenmerken…)
4. Op welke termijn moeten effecten gesitueerd worden?
5. Onderzoek vindt plaats in artificiële context -> is dat wel betrouwbaar?
1.3 De wetenschappelijke aanpak
1.3.1 Wetenschap: een specifieke benadering
Enkele definities:
Methodologie = het hele proces van wetenschapsbeoefening
Methoden = het geheel van specifieke technieken in wetenschappelijk onderzoek
Wat is wetenschap?
= onderzoek met strikte regels om kwaliteit te waarborgen en zo tot geldige en betrouwbare
kennis komen
Verschil alledaagse – en wetenschappelijke kennis: kwaliteit, geldigheid en betrouwbaarheid
Systeem/methode om tot gefundeerde kennis te komen
Langzaam eeuwenlang proces
Geaccumuleerde kennis: georganiseerd in theorieën en gestoeld op empirische
gegevens
Welke aanpak?
1. Volgens systematische procedures:
Gebaseerd op gestructureerde, empirische observatie
Onderzoek = herhaalbaar (voorkomt lukrake pogingen om kennis te verzamelen)
,2. Op objectieve wijze:
Onbevooroordeeld en objectief observeren, analyseren en rapporteren
MAAR zal altijd sprake zijn van een zekere subjectiviteit
3. Toetsbaar en falsifieerbaar:
Onderzoek moet geverifieerd kunnen worden (daarom ! om onderzoek openbaar te
delen)
Peer review
4. Volgens een bepaalde cyclus:
1.3.2 Alternatieve bronnen van kennis
Eigen waarnemingen en ervaringen
Pers en media
Ideologieën
1.3.3 Positie van mens en maatschappij wetenschappen
Alfa-, beta- en gammawetenschappen
= scheiding tussen natuur- en geesteswetenschappen
- Natuurwetenschappen (bètawetenschappen) 19de eeuw: natuurwetten = doen aan
experimenteel onderzoek
- Geesteswetenschappen (alfawetenschappen) 19de eeuw: studie van product
menselijk handelen
- Sociale wetenschappen (gammawetenschappen) 20ste eeuw: studie van menselijk
handelen
methodestrijd (allemaal verschillende onderzoeksmethodes)
3 onderzoekers hadden verschillende opinies hierover:
a) W. Dilthey (1833-1911):
Sociale wetenschappen: eigen methodologische grond
Object sociale wetenschappen kan niet benaderd worden via experimentele methode
(natuurwetenschappen) of introspectie (geesteswetenschappen)
,b) E. Durkheim (1858-1917):
Sociale fenomenen (trends, gedrag…) voltrekken zich volgens onderliggende
wetmatigheden
Beinvloed door onderliggende patronen = onderzocht door sociale
wetenschappen
c) M. Weber (1864-1924):
Sociale verschijnselen: product van eigen wil en onderliggende wetmatigheden
1.4 Context van sociaalwetenschappelijk onderzoek
= vindt plaats in context bepalende elementen van deze context:
Theorieën
Bestaande kennis
Visie op de relatie tussen theorie en onderzoek
Epistemologische beschouwingen: hoe krijgen we kennis?
Ontologische beschouwingen: wat er bestaat? – hoe dingen met elkaar verbonden
zijn?
Ethische beschouwingen
Doel onderzoek
Politieke context
Persoonlijkheid van de onderzoeker
,Hoofdstuk 2: bouwstenen en soorten
sociaalwetenschappelijk onderzoek
2.2 Bouwstenen voor sociaalwetenschappelijk onderzoek
2.2.1 Theorie en empirie
Sociaalwetenschappelijk onderzoek: samenspel van theorie en empirie
a) Wat is een theorie?
= verhalen over hoe en waarom verschijnselen optreden
Kenmerken van een theorie:
Logisch samenhangend geheel van uitspraken over relaties tussen concepten
Empirisch (=wat op waarneming berust) toetsbaar : verifieerbaar of falsifieerbaar
Veralgemeenbaar: meer dan éénmalig fenomeen
Classificatiecriteria:
Richting van de theoretisering: deductie (algemene naar specifieke, bv via theorie) en
inductie (specifieke naar algemene, bv via observeren)
Niveau: micro (individu), meso (school), macro (land)
Reikwijdte theorie: formele theorie, Grand – en Middle-range –
Robert Merton, Theories of the Middle Range:
= kleine theorieën die minder abstract zijn creëren om bij grote abstracte theorieën kunnen
aansluiten
Grand theorieën: te abstract + niet verifieerbaar -> onbruikbaar voor onderzoek
b) Wat is empirie?
= ervaren van de wereld rondom ons door waarneming
Door inductie: observatie empiricisme (van observatie naar theorie)
Door deductie: rationaal denken observatie (van theorie naar observatie)
2.2.2 Inductie en deductie
In wetenschap 2 bronnen van kennis als legitiem beschouwd:
a) Rationalisme: kennis door rede -> door deductie
Vooral in 17de eeuw in Frankrijk en Duitsland
René Descartes: Alleen in de rede vindt “eeuwige
waarheid” een solide grond
,b) Empiricisme: kennis via observatie en ervaring -> door inductie
Rede is te beperkt (omgekeerde van rationalisme)
Vooral in Groot-Brittannië
John Locke: mens wordt geboren als een ‘tabula rasa’ (een leeg blad) -> bestaat geen
aangeboren ware kennis
Theorieën = veralgemeningen en abstracties van particuliere observaties -> moeten
verificatie doorstaan
=> in moderne wetenschap wordt gebruik gemaakt van beide
2.2.3. Empirische cyclus
2.3 Evaluatiecriteria onderzoek
Waarom evaluatiecriteria?
Onderzoek moet voldoen aan bepaalde criteria voor het ‘wetenschappelijk’ genoemd
mag worden
Twee soorten bedreigingen: toevalsfouten en systematische fouten
Verschillende criteria:
1. Herhaalbaar
= want onderzoek moet weerlegbaar zijn
2. Betrouwbaarheid: vrij van toevalfouten
= als je het opnieuw doet krijg je dan hetzelfde resultaat? + zijn de conclusies stabiel?
Voorbeeld: schutter schiet ernaast en ver uit elkaar
Bronnen van toevalfouten (=toevallige eigenaardigheden):
Toevallig niet registreren van ! gebeurtenis
Respondenten die vraag overslaan
Codeerfouten…
,Wat eraan te doen?
Betere procedures: experiment, steekproef…
Herhalen van metingen -> toevalfouten vallen weg
Verschillende codeurs
3. Geldigheid of validiteit: vrij van systematische fouten
Voorbeeld: schutter schiet dicht bij elkaar + ernaast
Bronnen van validiteit:
a) Inhoudsvaliditeit (meetgeldigheid):
= enige soort van validiteit die voorafgaat aan de dataverzameling
Fout voorbeeld: “hoe vaak bent u de laatste maand naar de dokter geweest” -> rekening
houdend met: inkomen, aanwezigheid van dokter, angst om dokter te bezoeken, geheugen…
Bedreigingen:
Sociale wenselijkheid: mensen antwoorden wat ze denken dat ‘juist’ is
Instem-neiging: tendens om met de vragen in te stemmen, ongeacht inhoud
Remedie:
Zorgvuldig meetinstrument opstellen en voorafgaand aan onderzoek testen
Sommige woorden/ uitdrukkingen betekenen niet hetzelfde voor verschillende
groepen
b) Interne validiteit (gericht op relaties en verklaren)
Is de waargenomen relatie in een studie een correcte weerspiegeling van de realiteit?
- Statistische validiteit: Is de conclusie over de aan- of afwezigheid van een statistisch
verband tussen 2 variabelen juist?
- Causale-interpretatie validiteit: gaat het werkelijk om een causaal verband of zijn er
andere factoren in het spel?
c) Externe validiteit
- Generaliseerbaarheid van onderzoek conclusies?
- In hoeverre zijn de resultaten generaliseerbaar naar algemene begrippen, andere
populaties en andere contexten
d) Ecologische validiteit
- Toepasbaarheid van de resultaten op dagelijkse, natuurlijke, sociale context waarin
mensen vertoeven?
- Bruikbaarheid van de onderzoeksresultaten?
,2.4 Soorten wetenschappelijk onderzoek
2.4.1. Theoriegericht versus praktijkgericht
a) Theoriegericht
- Op theorievorming gericht
- Kennisvorming
- Fundamenteel of academisch onderzoek
b) Praktijkgericht
- Probeert praktische problemen op te lossen
- Evaluatieonderzoek
- Actieonderzoek: verspreiding van kennis en macht bij deelnemers
2.4.2. Kwantitatief versus kwalitatief:
Eerst enkele definities:
Methodologie = geheel van methodes, concepten,
theorieën en basisprincipes aan de grondslag van
wetenschappelijk onderzoek
Onderzoeksstrategie = en cluster van overtuigingen
en dictaten die beïnvloedt wat er moet onderzocht
worden
Onderzoekdesign = biedt een begeleidend kader voor het uitvoeren van de
onderzoeksmethode en het analyseren van de verzamelde data
Onderzoeksmethode = een techniek om data te verzamelen
Kwantitatief vs kwalitatief:
a) Kwantitatief:
Deductieve benadering: testen van theorieën
Positivisme: natuurwetenschappelijke methode
Gegevens en getallen: via bijvoorbeeld enquêtes
b) Kwalitatief:
Inductieve benadering: generen van nieuwe theorieën
Tegen de natuurwetenschappelijke methode
Handeling: participeren – via bijvoorbeeld observatie, interviews…
Evaluatiecriteria: kwalitatief onderzoek
Volgens sommige moet dit gelijk zijn met die van kwantitatief:
maar is er niet één realiteit