Hoofdcontext 1
1.1~Steden in Vlaanderen en Artesië (1050-1302)
~Door betere landbouwtechnieken (zoals betere ploegen) en nieuwe akkers hadden boeren
opeens veel meer eten dan ze zelf nodig hadden. Hierdoor groeide de bevolking en gingen
steeds meer mensen in steden wonen om spullen te maken of te verkopen. Er ontstond weer
een monetaire economie, wat betekent dat mensen gingen betalen met geld in plaats van
te ruilen. De stad en het platteland hadden elkaar hard nodig: het platteland werd het
verzorgingsgebied van de stad, waar mensen naartoe gingen voor spullen zoals kleding en
gereedschap, terwijl de stad weer grondstoffen kocht van de boeren. Veel steden kochten
stadsrechten van de edelman, waardoor de burgers zelf de stad mochten besturen, al bleven
arme mensen en nieuwkomers vaak buitengesloten.~
~In het gebied Artesië ontstond een enorme dynamiek (veel handel en beweging) in steden
zoals Atrecht en Rijsel. Dat kwam vooral door het maken van laken, een hele dikke, geweven
stof van wol. Iedereen had hierin zijn eigen taak, van het spinnen en weven tot het verven
van de stof. Rijke handelaren uit Atrecht staken veel geld in deze handel en verkochten het
laken op grote internationale markten, de jaarmarkten. Omdat deze kooplieden zoveel geld
verdienden, kregen ze via hun gilden de macht in het stadsbestuur en leenden ze zelfs geld
uit aan vorsten die krap bij kas zaten.~
~Toen de handel met het noorden belangrijker werd via de Hanze (een groep
samenwerkende handelssteden), nam Vlaanderen de koppositie van Artesië over. Vooral
havenstad Brugge werd ontzettend rijk door de handel in laken. In Vlaamse steden greep een
kleine, rijke groep kooplieden de macht: zij werden patriciërs genoemd. Het gewone volk,
dat het gemeen werd genoemd, vond dat oneerlijk en kwam in opstand tegen de rijken.
Toen er oorlog kwam, koos het gemeen de kant van de Vlaamse graaf en de patriciërs de kant
van de Franse koning. Tijdens de Guldensporenslag in 1302 won het gewone volk, waardoor
de gilden voortaan ook mochten meebeslissen in het bestuur van de stad.~
1.2~Steden, netwerken en bestuurders
~In de veertiende en vijftiende eeuw was Brugge het belangrijkste handelscentrum van
Noord-Europa als hoofdkantoor van de Hanze en als eerste stapelmarkt, waar goederen
langdurig werden opgeslagen en doorverkocht. Brugge vormde het financiële knooppunt
tussen Noord-Europa en Italië en kreeg zelfs de allereerste beurs voor handel en
geldtransacties. Rond 1500 nam Antwerpen deze rol over doordat de toegangsweg naar
Brugge verzandde en Antwerpen via de Westerschelde veel beter bereikbaar was voor grote
zeeschepen met koloniale waar uit Spanje en Portugal. Amsterdam groeide in diezelfde
periode op binnen het netwerk rond de Oostzee: omdat de drassige Hollandse veengronden
niet geschikt waren voor eigen akkerbouw, specialiseerden Hollandse schippers zich in de
grootschalige graanhandel (de moedernegotie) en veeteelt, waardoor Amsterdam eerst de
graanvoorhaven van Antwerpen werd en later de belangrijkste stapelmarkt van de regio.~
~In de steden kregen de burgers steeds meer zelfvertrouwen en macht vanuit het idee van
het bonum commune (het algemeen belang), waardoor het stadsbestuur taken zoals
armenzorg, ziekenzorg en onderwijs deels overnam van de kerk. Ook de geestelijkheid paste