LINGUÏSTIEK
Werkwoorden
Tegenwoordige tijd Verleden tijd Gebiedende wijs – bevel
Basisregel = STAM
STAM + t Met ‘u’
Zwak = STAM + te(n) / de(n)
Uitzonderingen: Niet reflexief (ww zonder
-te = ’t kofschip
ik ‘zich’)
-de = einde van stam is
inversie jij/ je STAM + t
stemhebbend
gebiedende wijs Reflexief (ww met ‘zich’)
Sterk = klinkerverandering
U + zich = STAM + t
Enkel ‘u’ = STAM
Voltooid deelwoord Engelse werkwoorden
-t = Stemloze klank
-d = Klinker/ stemhebbende klank
-en = Schrijven zoals je het hoort Vernederlandst infinitief = + en
-e = VD als bijvoeglijk nw Dubbele medeklinker vervalt als de uitspraak
Uitzonderingen: niet verandert
Klinkers worden voluit geschreven -e eindigt = bewaren
Sommige ww hebben gelijkluidende vorm in Tenzij vorige lettergreep ‘-o’
TT als VD
Het gebeurt – het is gebeurd
Hij verzet – ik heb verzet
Buigingsvormen
Meervoud Verkleinwoorden
Suffix -s
Vastgehecht = bij klinkercombinatie, = + -je, -tje, -pje, -etje
doffe ‘e’, é en niet hoorbare medeklinker
Met apostrof = enkel bij vrije klinker Verdubbelingsregel:
Suffix -en Vrije klinker finaal
Trema Autootje, menuutje,..
Klemtoon voor ‘ie’ = trema + n Finaal ‘é’
Klemtoon op ‘ie’ = + ën Cafeetje, comiteetje
Klemtoon op de ‘ee’ = + ën Finaal ‘i’
Skietje, taxietje
Uitzonderingen: Finaal ‘y’ = apostrof
-ik, -es, -it, et, -el = +en Finaal ‘u’ klinkend als /oe/ = apostrof
-us / -is = verdubbeling +en Letter, symbool, cijfer = apostrof
Tussen teken / afkorting = apostrof
Bezitsvorm / genitief Vreemde of geleende woorden
= + s vastgehecht = uitgang van Nederlands
Ook bij klinkercombinatie, doffe ‘e’, é en niet
hoorbare medeklinker Frans grondwoord:
Uitgang bij -ir, -er, -esse, -ousse, -ice
Uitzonderingen: behouden
‘s = vrije klinker Vernederlandst grondwoord
‘ = grondwoord eindigt op sisklank
Engels grondwoord:
Behoud -e
1
, OLOD – communiceren – linguïstiek
SPELLING EN GRAMMATICA
OEFENINGEN VERBETERING – FORM HOGENT ACCOUNT
Beide correcties niet altijd correct
1. De media = meervoud
beïnvloeden
o congruentie = ondw + pv moeten overeenkomen met enkv./ mv
2. Behoort tot beste voetballers/ je bent een van de beste voetballers
Contaminatie = uitdrukkingen door elkaar
3. Lexicale fouten = dialectisme
4. Electronica = verzamelnaam enkelvoud
5. Dan – evenwicht, als – onevenwicht
Fouten met voegwoorden = comparatief = vergelijkingen
6. Enigst = mooi, enigen = enkelingen
7. Akkoord gaan, eens zijn
8. Iets irriteert je of je ergeren aan
9. Bedoening ipv bedoeling = malapropisme/ context fout
Verkeerd ingesteld
10. Alweer/ weeral
Alweer = correct Nederlands
Vast en zeker niet zeker en vast
Al de rest is dialect
11. We komen aan in het station, in het station aangekomen
1e zin = verzwegen ondw. Mag enkel bij herhaling fout
Woord, functie + plaats van het onderwerp moet hetzelfde zijn
12. VD voor of achter andere werkwoorden – niet ertussen in
13. Zijn/ haar docenten – zijn is correct
Die mag je gebruiken om een persoon in het enkelvoud aan te duiden
14. Los staande bijzin – kan niet wanneer er te weinig info is
15. Maar en echter zijn synoniemen = Tautologie
16. Pleonasme = woord x = onderdeel van ander woord
17. Onzijdig woord verwijzen met /dat/
18. Veel meer – dan ik = ongelijkheid
19. Hen/ hun – persoonlijk voornaamwoord
Hen = na een voorzetsel of bij lijdend voorwerp
Hun = bij meewerkend voorwerp
OEFENINGEN
2