LINGUÏSTIEK – DEEL 1
MORFOLOGIE
= de leer van de woordstructuur en de woordvorming.
• De morfoloog bestudeert de mogelijkheden die er zijn in een taal om morfemen te combineren tot
woorden. Website = onzetaal vlaanderen.be
MORFEEM
= betekeniseenheid, een woord of een deel van woord met eigen betekenis
→ Foneem: klanken die leiden tot betekenis onderscheid
o Gebonden morfeem (woorddeeltje met betekenis, niet alleen bestaan)
§ = morfeem dat niet zelfstandig kan functioneren
§ = affix: prefix – suffix – circumfix (ge-berg-te/ ge-hemel-te → beide deeltjes nodig
voor woord betekenis + ook VD) interfix/infix
§ = vormt samen met een vrij morfeem een geleed woord
o Vrij morfeem bv. word = vrij morfeem + t = derde pers. Enkelvoud
§ = een morfeem dat als zelfstandig woord kan functioneren
§ = grondwoord = ongeleed woord
o Geleed woord = meer dan 1 lid; meerdere delen, bv. boekenkast
o Ongeleed woord = vrij morfeem, bv. Kast, boek
WOORDVORMING
o Flexionele morfologie – Flexie – Buiging
= woord aanpassen aan de grammaticale context
o Vervoeging (werkwoorden) – conjugatie
o Verbuiging (naamwoorden) – declinatie
§ Zelfstandig naamwoord
• Enkelvoud – meervoud
• Verkleinwoorden (altijd onzijdig)
§ Adjectieven
• Verbogen en onverbogen vorm
• Trappen van vergelijking
§ Voornaamwoord ons – onze
§ Naamvallen - Genitief/ bezitsvorm - Vaste combi’s - Voornaamwoorden
• Bv. Jan ziet Piet
→ woordvolgorde belangrijk, in duits gaat de woordsoorten verbuigen
o Lexicale morfologie (geleed morfeem)
o Samenstelling – compositie → rechts is de baas
o Afleiding = derivatie (voor- of achtervoegsels)
Ella Van Reusel - logopedie en audiologie 1
, OLOD - communiceren - schriftelijke communicatie - linguïstiek
WOORDSOORTEN
WOORDLEER = Taalkundig ontleden = Bepalen welke woordsoort.
• geeft aan tot welke categorie een bepaald woord hoort.
• van de meeste woorden ligt de woordsoort vast.
→ Hond is altijd een zelfstandig naamwoord
• Voor bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden, hangt het wel van de zin af tot welke
woordsoort ze behoren.
• volgorde waarin je een woordsoort bepaald is niet belangrijk
WOORDSOORTEN:
• Zelfstandig naamwoord - substantief
• Bijvoeglijk naamwoord - adjectief
• Werkwoord - verbum
• Telwoord - numerale
• Voornaamwoord - pronomen
• Lidwoord - artikel
• Bijwoord - adverbium
• Voorzetsel - prepositie
• Voegwoord - conjunctie
• Tussenwerpsel - interjectie
• lijdend voorwerp - wie/ wat?
• meewerkend voorwerp - aan wie/wat of voor wie/wat?
• CATEGORIEËN
• inhoudswoorden - betekenisdragend
• functiewoorden - op zich weinig betekenis
• verbindingswoorden - geven structuur
BASISBEGRIPPEN:
• Genus – Geslacht van een woord
• Mannelijk
• Vrouwelijk
• Onzijdig (grammaticaal!)
• Getal
• Enkelvoud
• Meervoud
• Vormen van het werkwoord
• Infinitief
• Persoonsvorm
• Voltooid deelwoord
• Congruentie onderwerp en persoonsvorm – Overeenkomst in getal en geslacht
• Zinnen
• Enkelvoudig en samengesteld
• Nevenschikking en onderschikking
Ella Van Reusel - logopedie en audiologie 2