Literatuur
Week 1
6.4 Verdragen
Verdragen zijn overeenkomsten die o.g.v. internationaal recht verbindend zijn tussen
partijen en door het internationaal publiekrecht worden beheerst. Schriftelijk, mondeling
zou ook kunnen. Kan ook met handvest, protocol of statuut worden aangeduid, zijn allemaal
juridisch bindende documenten.
Verdragen gebruiken boven gewoonterecht omwille van zekerheid en duidelijkheid, als ook
sneller totstandkoming en grotere invloed – ook kunnen rechten en plichten duidelijker
geformuleerd worden.
Verdragenrecht heel breed: niet alleen rechtsvormende taak maar ook interpretatie,
toepassing, wijziging en beëindiging.
Juridische binding aan verdragen vloeit voort uit wilsovereenstemming tussen staten om een
door internationaal recht beheerste rechtsbetrekking te vormen. In beginsel geen binding
zonder wilsuiting om gebonden te worden.
- Het is de wil om gebonden te worden dat verdragen onderscheid van niet-juridisch
bindende (politieke bijv.) documenten.
- Hierbij zaak IGH Qatar-Bahrein van belang: IGH oordeelde dat de notulen een
opsomming gaven van verplichtingen waarmee de staten hebben ingestemd.
Hiermee creëerde de notulen rechten en plichten door internationaal recht beheerst
voor de partijen. De commitments beschouwden het hof als geobjectiveerde intentie
waarmee Bahrein had bedoeld een bindende overeenkomst tot stand te brengen.
Leerstuk van pacta sunt servanda beheerst ook het verdragenrecht – gebonden partijen
moeten het verdrag naleven, zie mede 26 WVV.
Gewoonterecht creëert algemeen toepasselijk recht, verdragen niet die creëren wederzijdse
rechten en plichten voor aangesloten staten. Echter kunnen heel grote en breed gedragen
verdragen wel aangenomen worden als rechtscheppende of collectieve verdragen – denk
aan het VN-zeerechtenverdrag of het Geneefse verdrag inzake humanitair recht (elke staat is
aangesloten).
Dispositieve verdragen zijn verdragen die toch werking hebben op derden, of die door
derden niet genegeerd kunnen worden. Denk aan verdragen die gaan over het samenvoegen
van staten.
Vaststelling van inhoud van verdragen is relatief simpel, VN Handvest artikel 102 eist dat een
verdrag door VN leden gesloten wordt geregistreerd en gepubliceerd bij het Secretariaat. In
NL gaat dat via de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, publicatie in
Tractatenblad.
Bepalingen van verdragen kunnen samenlopen met die van het gewoonterecht, kan
ontstaan doordat verdragen leiden tot de vorming van gewoonterecht, of als staten kiezen
om geldend gewoonterecht te codificeren. Het gewoonterecht blijft dan in beginsel gewoon
, Internationaal publiekrecht
bestaan. Dit is van belang, omdat bij geschillen tussen 2 staten waarbij de een lid is van een
verdrag en een ander niet, regels van gewoonterecht ervoor zorgen dat bepaalde delen van
dat verdrag toch van toepassing is op de staat die niet lid is – omdat de regels tot het
gewoonterecht behoren. Dit geldt mede voor het Weens Verdragenverdrag: 115 staten zijn
partij en 75 niet. Toch zijn op deze 75 de meeste en belangrijke bepalingen toch van
toepassing omdat deze immers tot het gewoonterecht behoren.
Ook kan de samenloop van verdrag/gewoonterecht van belang zijn voor de doorwerking in
de nationale rechtsorde.
7.1
Algemene regels over verdragenrecht zijn in WVV neergelegd – dat uitsluitend ziet op
schriftelijk gesloten verdragen tussen staten (artikel 1). Het is van toepassing op verdragen
die na de inwerkingtreding van het WVV zijn gesloten (artikel 4), voor eerdere verdragen
geldt het gewoonterecht. Bepalingen van het WVV zijn hoofdzakelijk subsidiair van aard,
inhoudende dat ze van toepassing zijn voor zover een verdrag zelf geen regels heeft gesteld
voor wat betreft de rechtsvraag. Dit voorbehoud is zichtbaar in de artikelen van WVV.
7.2 Vorm
In beginsel verdragen vormvrij. IGH is zeer flexibel – zie Qatar-Bahrein zaak waarin notulen
van een gesprek als bindende overeenkomst gezien moesten worden. Mondeling kan maar
in de praktijk uitzonderlijk: NL doet er niet aan.
Maak onderscheid tussen overeenkomsten gesloten in verdragsvorm en overeenkomsten
gesloten in vereenvoudigde vorm.
- Verdragsvorm: vaak formeler van aard – bevat een preambule met materiële
bepalingen en sluit af met testimonium.
- Vereenvoudigde vorm: kan al heel simpel zijn, bijv. een briefwisseling waarin
gevraagd wordt een verdrag te verlengen en dit gebeurt.
Er bestaat overigens geen verschil in juridische status tussen de twee.
7.3 Structuur
Verdragen bevatten over algemeen een aantal vaste onderdelen:
- Preambule geeft redenen tot sluiten verdrag en omschrijft het doel. Geeft geen
zelfstandige rechten of plichten maar helpt bij bepalen voorwerp en doel als ook de
interpretatie.
- Materiële bepalingen bevatten de inhoud van de afspraken. Dit zijn gewoon de
artikelen.
- Bijlagen kunnen belangrijk zijn voor en verdrag en hebben daardoor dezelfde
rechtskracht als het verdrag zelf. Vaak kan een bijlage iets makkelijker worden
gewijzigd, waardoor het losgetrokken wordt van de hoofdtekst.
- Formele bepalingen (vaak slotbepalingen) betreffen het verdrag als regelgevend
instrument zelf. Denk aan hoe geschillen worden beslecht. Ook dit zijn de artikelen.
- Multilaterale verdragen bevatten ook een bepaling over de depositaris: de beheerder
van het verdrag. Dit is een staat of organisatie.
7.4
De totstandkoming van verdragen verloopt via een aantal stappen.
, Internationaal publiekrecht
1. Onderhandeling
Verdragen komen tot stand na onderhandelingen tussen staten, welke dit zijn is afhankelijk
van het onderwerp. Hoeveel staten bij de onderhandelingen aangesloten zijn verschilt, als
ook hoelang de onderhandelingen duren. Groot verschil tussen bilaterale of multilaterale
verdragen. Als het om complexe kwesties gaat kan het zelfs jaren duren.
Onderhandelingen weinig onder invloed van internationaal recht, behalve dat het beginsel
van goede trouw van toepassing is.
Onderhandelingen waarbij veel staten betrokken zijn kunnen plaatsvinden via procedures.
Deze kunnen veel bepalen, zoals wie de onderhandelingen voorzit, hoeveel stemmen nodig
zijn, of er plenair wordt gediscussieerd of in groepen enzovoort.
2. Sluiting en inwerkingtreding
Verdrag is pas juridisch bindend indien voldoende staten hun instemming tot uitdrukking
hebben gebracht om gebonden te zijn: consent to be bound. Dit vereiste is van
fundamenteel belang voor het beginsel van wilsovereenstemming in het internationale
recht. Zonder deze wil om gebonden te worden zal een staat in beginsel niet gebonden
worden.
Er zijn veel verschillen hoe intern in staten de werking van verdragen geregeld is: sommige
staten hebben nog toestemming van het parlement nodig, anderen niet. Artikelen 11-18
WVV houden rekening met deze verschillen. Echter: ook deze regeling is subsidiair, dus hoe
precies te weten op welke wijze een staat zijn instemming om gebonden te worden kan
geven zal in het verdrag zelf gekeken moeten worden. Beslissend is wat de staten zelf
hebben willen regelen.
Na onderhandeling volgt het aannemen van de verdragstekst (artikel 9 WVV), dit geeft nog
geen juridische binding.
Na de sluiting zal er ondertekening van het verdrag plaatsvinden (12 WVV). Dit geschiedt
door vertegenwoordigers van de staten die daartoe bevoegd zijn. Dit kunnen personen zijn
die gevolmachtigd zijn (artikel 7 WVV), of staatshoofden, regeringsleiders en minister BuZa.
Soms leidt ondertekening direct tot binding, bijv. bij bilaterale verdragen of verdragen die
strekken tot uitvoering van eerdere verdragen.
In andere gevallen (meestal) leidt ondertekening niet direct tot binding, maar is slechts een
stap in het geven van consent. Veel verdragen bevatten bepalingen dat staten die verdrag
tekenen later nog hun instemming geven (ratificatie). Wel geeft de ondertekening voor
ratificatie enkele verplichtingen, zie artikel 18 WVV, om bijv. geen handelingen te verrichten
die het voorwerp en doel van het verdrag zouden ontnemen.
- Deze drempel van ‘in strijd met voorwerp en doel’ ligt erg hoog. NL standpunt is: pas
in strijd als toekomstige toepassing van verdrag onmogelijk wordt.
- Soms kan ondertekening rechtsgevolg hebben als daarmee het verdrag voorlopig
wordt toegepast, vaak bij spoedeisende verdragen.
Onderscheid dus het verdrag dat direct na ondertekening van kracht wordt (artikel 12 WVV)
van het verdrag dat nog extra procedures vereist (artikel 14 WVV).
, Internationaal publiekrecht
In algemene zin is dit proces door artikel 14 WVV voorzien, maar meestal volgt dit uit het
verdrag zelf. Vaak gaat dit via bekrachtiging: ratificatie. Dit is een internationale handeling
waarmee een staat zijn instemming kenbaar maakt om door een verdrag te worden
gebonden. Vaak gebeurt dit via het neerleggen van een akte van bekrachtiging bij de
depositaris van het verdrag.
De toetreding loopt via een andere procedure, voor staten die niet bij onderhandeling
deelnamen. Vaak staan verdragen gedurende beperkte tijd open voor ondertekening,
vervolgens staat mogelijkheid van toetreding open.
Fase van bekrachtiging (ratificatie) en toetreding geeft staten tijd om in nationale
rechtsorders de juiste procedures te doorlopen. In NL is toestemming, democratische
legitimering, van Staten-Generaal nodig (91 Gw). Voor sommige verdragen is dit niet nodig,
die artikel 7 Rgbv (XII.18 in bundel).
Goedkeuring door SG kan stilzwijgend of uitdrukkelijk worden gegeven (3 Rgbv). Parlement
kan insisteren op uitdrukkelijke goedkeuring (5 Rgbv). Dit wordt verleend in vorm van een
goedkeuringswet. Verdragen die afwijken van de Grondwet behoeven een 2/3meerderheid
in de beide Kamers (6 Rgbv).
Een verdrag treedt in werking (wordt van kracht) als voldoende staten hun instemming om
geboden te worden tot uitdrukking hebben gebracht (24 WVV). Bekrachtiging en toetreding
dus rechtsgevolg als voldoende andere staten verdrag ook hebben bekrachtigd. Het vereiste
aantal ratificaties verschilt: bij bilaterale verdragen wanneer beide staten het verdrag
bekrachtigd hebben, bij multilaterale verdragen varieert het aanzienlijk. Is vaak een
afweging van effectiviteit en wederkerigheid tegenover tijdige inwerkingtreding.
7.5 Geldigheid
Instemming om aan een verdrag gebonden te zijn is niet onaantastbaar, in bijzondere
omstandigheden kan een formeel in werking getreden verdrag zonder rechtsgevolg blijven.
Onderscheid 4 situaties:
1. De uitdrukking van wil van staat was onzuiver. Kan gaan om dwaling, bedrog,
corruptie of overschrijding van nationale bevoegdheden, zie 46-50 WVV. De
instemming is dan vernietigbaar. Het is de staat zelf die dit moet inroepen om zo
instemming met het verdrag ongeldig te laten verklaren.
De belangrijkste grond is de vernietigbaarheid in gevallen van het buiten bevoegdheid
treden. Denk aan het ondertekenen van een verdrag door een onbevoegde ambtenaar. De
vraag is dan of deze bevoegdheidsoverschrijding mag worden ingeroepen om de instemming
ongeldig te verklaren.
- Twee punten tegenover elkaar: enerzijds de rechtszekerheid van andere betrokken
staten die niet kennis hoeven te dragen van nationale bevoegdheidsregels van
andere staten, anderzijds is het onwenselijk als staten gebonden worden aan
verdragen die tot stand gekomen zijn in strijd met hun constitutionele ordening.
46 WVV lost enigszins op: nationale bevoegdheidsoverschrijding mag ingeroepen worden ter
ongeldigverklaring, maar alleen als die ‘strijdigheid onmiskenbaar was en het een regel van
fundamenteel belang van het nationale recht betrof’.