RVR – Hoorcollege – Week 1 – Rechten en plichten van echtgenoten
Dit staat uitgewerkt in Titel 1.6 BW. Dit is van toepassing op echtgenoten, maar ook op
geregistreerd partnerschap. Beiden kunnen voor zowel man-vrouw stellen als stellen van
hetzelfde geslacht (wat verschil is met buitenland). Titel 1.6 BW is niet van toepassing op
samenwoners. Zij hebben dus minder rechten en komen minder bescherming toe.
Titel 1.6 BW ziet op alle regimes (gemeenschap van goederen en huwelijkse
voorwaarden) en is van dwingend recht. Hier kan dus niet vanaf geweken, met
uitzondering van Art. 1:84.3 jo. 1:87.4 BW. Binnen de gemeenschap van goederen gold:
- Tot 2018 -> Trouwen in algehele gemeenschap van goederen
- Na 2018 -> Trouwen in beperkte gemeenschap van goederen
Je moet dus altijd nagaan in welk jaar is getrouwd. Bij algehele gemeenschap van
goederen valt alles, ook dat wat je voor het huwelijk al had, in de gemeenschap. Bij de
beperkte gemeenschap wordt alleen wat je na het huwelijk opbouwt als gezamenlijk.
Art. 1:81 BW stelt dat echtgenoten elkaar trouw moeten zijn en het nodige moeten
verschaffen. Dit is geen afdwingbaar recht, maar geeft wel invulling aan het gezag van
Titel 1.6 BW en hier kan een grote preventieve werking vanuit gaan. Het heeft een
alimentair karakter, je moet voor elkaar zorgen.
Daarnaast moet je ook financieel voor elkaar zorgen. Dat wordt verder uitgewerkt in Art.
1:82 BW. Dit ziet op de verhouding tussen echtgenoten, niet richting kinderen (daar gaan
Art. 1:392 jo. 1:400 BW over).
Art. 1:83 BW is vooral in de praktijk heel belangrijk. Deze stelt dat je elkaar inlichtingen
over het gevoerde bestuur moet verschaffen. Dit is geen rekening en verantwoording,
maar wel belangrijk. Je moet tijdens de echtscheidingsprocedure aangeven wat je met
het geld hebt gedaan.
Echtgenoten zijn samen verantwoordelijk voor de kosten der huishouding (Art. 1:84 BW).
Dit is een interne regeling, tussen de echtgenoten. Een derde kan hier dus nooit rechten
aan ontlenen. Dit geeft beiden draagplicht. Hierbij komen kosten ten laste van:
- Het gemene inkomen (50/50)
- Privé inkomen (evenredig)
- Gemene vermogen (50/50)
- Privé vermogen (evenredig)
Als er sprake is van een scheiding van goederen, ook wanneer er een verrekenbeding is,
dan is er geen gemeen inkomen. Je kunt van bovenstaande afwijken bij schriftelijke
overeenkomst.
Onder kosten der huishouding vallen onder andere gezondheidszorg, verzekeringen,
contributies, eten en drinken, hobby’s, kleding, huispersoneel, vakanties en wonen
(rente en huur). Over of belasting hier ook onder valt is nog veel discussie.
De draagplicht gaat dus over de vraag wie het uiteindelijk in de portemonnee voelt. Maar
hier kun je dus ook zelf afspraken over maken. Naast de draagplicht heb je ook nog een
,fourneerplicht (Art. 1:84.2 BW). Deze kijkt niet naar wie uiteindelijk moet betalen, maar
meer op het van te voren: je moet van te voren voldoende geld ter beschikking stellen. Is
dit meer dan dat je uiteindelijk moet betalen (draagplicht), dan heb je dus nog recht op
een deel terug. Maar hiervoor moet je wel op tijd aan de bel trekken (Ridder te Voet).
Waar Art. 1:84 BW ziet op de interne verhouding, ziet Art. 1:85 BW op de externe
verhouding, de verhouding met derden. Deze gaat over aansprakelijkheid voor kosten
van de gewone gang van de huishouding. Dit is beperkter (en onderdeel van) de kosten
der huishouding. Wat hieronder valt is mede afhankelijk van de leefwijze en financiële
situatie van het gezin en wat derden daaromtrent hadden mogen begrijpen.
Vuistregel: Onder gewone gang van huishouding vallen de dingen waarvan een
echtgenoot kan denken dat hij/zij de partner daarvoor niet hoeft te vragen,
en dat de partner daar ook niet over bevraagd zou willen worden. Art. 1:85
BW creëert daarbij een aansprakelijkheid voor de gemaakte kosten, voor
beide partners. Hierbij gaat het om hoofdelijke aansprakelijkheid, niet
alleen op het gemeen vermogen, maar ook op het privévermogen.
Wat in ieder geval onder de gewone gang van het huishouden valt is kosten van de
kinderen, huispersoneel, kleding, inboedel en boodschappen. Maar vanuit
jurisprudentie volgt ook dat onder omstandigheden een overeenkomst van geldlening
hier ook onder kan vallen. Je kunt dus een schuld aangaan, waar je partner geen
contractspartij bij is, maar waar hij wel aansprakelijk voor is.
Je moet goed onderscheid maken tussen:
- Draagplicht: intern -> Wie moet het dragen?
- Verhaal – Extern -> Waarop kan de schuldeiser zich verhalen?
- Aansprakelijkheid – Extern -> Wie kan de schuldeiser aanspreken?
Art. 1:87 BW ziet op vergoedingsrechten, daarbij gaat het om vermogensverschuiving
tussen privévermogens. Het vermogen van de één wordt verrijkt ten koste van het
vermogen van de ander.
Art. 1:87.2a BW ziet op wanneer de één een goed verkrijgt en de ander daarvan (een
deel) betaalt, of wanneer de ander een schuld met betrekking tot een privégoed betaalt
die voor de ander is (bijvoorbeeld door aflossing). Er ontstaat dan een plicht tot
vergoeding. Bijvoorbeeld wanneer je een huis koopt en je partner een deel betaalt, of
wanneer je partner later een deel van de hypotheek aflost. Het vergoedingsrecht is dan
gebaseerd op de investering, gerelateerd aan de aankoopsom, vermenigvuldigd met de
waarde op de peildatum.
Formule Investering / aankoopsom x waarde peildatum
Art. 1:87.2b BW ziet op verbouwing en/of verbetering van het goed van A met investering
van B. hierbij moet je voor de vergoeding kijken naar de investering in de
verbouwing/(aankoopsom of waarde ttv verbouwing) + totale verbouwingskosten, en dat
vermenigvuldig je met de waarde op de peildatum.
,Formule Investering / (waarde goed t.t.v. verbouwing + totale
verbouwingskosten) x waarde peildatum
Dus stel: A koopt woning voor 200.000. B lost daar 20.000 van af. Bij scheiding is het
huis 600.000 waard. B heeft dan recht op een vergoeding van 20.000/200.000 x 600.000
= 60.000,-. Had B niet afgelost maar een verbouwing van 20.000 gefinancierd, waarbij
ten tijde van de verbouwing het huis al 400.000 waard was, dan heeft B recht op
20.000/420.000 x 600.000 = 28571.
Op deze beleggingsleer uit sub b zijn wel enkele uitzonderingen:
- Tot 2012 geldt Kriek/Smit -> Je krijgt nominaal terug
- Je krijgt minimaal de nominale waarde terug als je geen toestemming hebt
gegeven voor de investering – Art. 1:87.3a BW
- Je krijgt altijd de nominale waarde terug als je investeert in een goed dat in
waarde daalt – Art. 1:87.3b BW
- Je kunt anders overeenkomen – Art. 1:87.4 BW -> Dit moet bij overeenkomst, en
kan dus ook mondeling afgesproken.
RVR – Werkcollege – Week 1
Art. 1:81 BW is niet in rechte afdwingbaar, tenzij in combinatie met Art. 1:84 BW.
Opdracht 1: Eduard en Alexandra zijn buiten gvg gehuwd. Eduard verdiend 36.000,- per
jaar, Alexandra 12.000,-. Eduard krijgt daarnaast 2000,- aan rente per jaar. Alexandra
krijgt daarnaast 66.000,- per jaar aan huurinkomsten. Kosten huishouding zijn 32.500,-.
V1.1: Moet Eduard een deel van zijn salaris aan Alexandra ter beschikking stellen
voor kosten van levensonderhoud? -> Echtgenoten moeten elkaar het nodige
verschaffen (Art. 1:81 BW). Hierbij moeten beiden naar evenredigheid bijdragen in de
kosten der huishouding (Art. 1:84 BW). Hier vallen ook gevraagde kosten voor
levensonderhoud onder. Dus het klopt inderdaad dat, gezien er geen gezamenlijk
inkomen is, Eduard uit eigen inkomen moet bijdragen in de kosten van levensonderhoud.
Maar dit gaat wel naar evenredigheid. En gezien Alexandra meer verdient zal juist zij
moeten fourneren.
V1.2: Wat is de draagplicht van beiden? -> Ze hebben een gezamenlijk inkomen van
(38.000,- + 78.000,-) 116.000,- per jaar. Daarbij is de verhouding 32,8% Eduard en 67,2%
Alexandra. Daarmee moet Eduard 33% bijdragen in de kosten huishouding, dus 10.647,-
per jaar. 21.856,- is dan nog voor Alexandra. Alexandra moet dus fourneren omdat
Eduard als hij de helft bijdraagt, veel te veel bijdraagt.
Let op: Percentages niet afronden, helemaal doorrekenen.
Let op: Een gezamenlijke rekening wordt geen gezamenlijk geld. Je eigen inleg blijft
je eigen geld. Een gezamenlijke rekening zet dit niet om naar een
gemeenschap als je niet in gvg bent getrouwd.
Alexandra stopt met werken en wil vastleggen dat de kosten van de huishouding in de
, eerste plaats ten laste van inkomsten uit arbeid komen. Ze plannen voor een kind en
verwachten dat de KH zullen stijgen met 12.000,- per jaar.
V1.3: Wat betekent dit voor de draagplicht? -> Draagplicht komt nu volledig ten laste
van Eduard, voor zover hij dit kan dragen. Gezien hij uit arbeid 36.000,- verdient en de KH
nu 44.500,- zijn, gaat zijn gehele inkomen hiernaar toe. Het resterende deel (8500,-)
komt vervolgens alsnog naar evenredigheid ten laste van de overige inkomsten (inkomen
uit vermogen) van beiden. Dit is 2000 + 66.000 = 68.000. Rato is hier dus 2,9% vs 97,1%.
Eduard betaald uit overige inkomsten daarom nog 250,-. Alexandra betaalt de rest
(8250,-). Gezien Alexandra veel passief inkomen heeft, en daar zeer weinig van hoeft in
te leggen, terwijl Eduard nog maar 1750 over houdt is dit niet rechtvaardig.
Opdracht 3: Jonas en Laura zijn gehuwd buiten gvg en hebben twee kinderen. Ze zijn uit
elkaar (maar nog niet gescheiden), wanneer Jonas een ongeluk krijgt. Hij was niet
verzekerd en de kosten lopen op. Laura heeft daarnaast de kinderen, zonder overleg met
Jonas, naar de crèche gedaan. Ook deze rekeningen worden niet betaald.
V3.1: Kan het ziekenhuis Laura aanspreken voor de medische kosten? -> Nee, op
grond van Art. 1:85 BW zijn echtgenoten alleen hoofdelijk aansprakelijk voor aangegane
verbintenissen die zijn aangegaan ten behoeve van de gewone gang van de huishouding.
Het aangaan van een verbintenis tot zorg, voortkomend uit een ongeval wegens
drankgebruik, kan niet tot de gewone gang gerekend. Dit zijn exorbitant hoge kosten van
iemand die onverzekerd is, dat valt niet onder Art. 1:85 BW (Rb. Alkmaar 13 september
2004). Jonas is wel aansprakelijk op grond van een geneeskundige
behandelingsovereenkomst (vanuit de wet op de geneeskundige
behandelingsovereenkomst). Hij is contractspartij.
V3.2: Kan de crèche Jonas aanspreken? -> Ja, dit kan. Op grond van Art. 1:84 lid 1 BW
behoren kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen namelijk tot de kosten der
huishouding en een verbintenis tot opvang ten behoeve van die verzorging valt daarmee
onder de gewone gang van de huishouding, waarmee beide echtgenoten voor het geheel
aansprakelijk zijn (Art. 1:85 BW). Maar op grond van Art. 1:92a BW geldt dit niet voor
echtgenoten gescheiden van tafel en bed.
V3.3: Wie is aansprakelijk voor achterstallige inkomstenbelasting van Jonas? ->
Alleen Jonas zelf. Dit is een verbintenis uit wet, en niet vanuit de gewone gang van de
huishouding (Inkomstenbelasting - 21 mei 2010 HR). Inkomstenbelasting valt niet
onder de Art. 1:85 BW schuld.
Opdracht 4: Mohamed en Alima zijn gehuwd buiten gvg. Mohamed koopt in 2015 voor
500.000,- een huis middels aflossingsvrije lening. In 2018 verbouwen zij voor 160.000,-,
waarvan Mohamed 90.000,- uit privévermogen betaalt en 70.000,- leent. Woningwaarde
is op dat moment 400.000,-. In 2019 lost Alima door erfenis de lening voor verbouwing
af. woningwaarde is op dat moment 580.000,-. In 2020 is de woning 800.000,- waard en
op dat moment heeft Mohamed ook al 300.000,- van de aflossingsvrije lening afgelost.
Dit staat uitgewerkt in Titel 1.6 BW. Dit is van toepassing op echtgenoten, maar ook op
geregistreerd partnerschap. Beiden kunnen voor zowel man-vrouw stellen als stellen van
hetzelfde geslacht (wat verschil is met buitenland). Titel 1.6 BW is niet van toepassing op
samenwoners. Zij hebben dus minder rechten en komen minder bescherming toe.
Titel 1.6 BW ziet op alle regimes (gemeenschap van goederen en huwelijkse
voorwaarden) en is van dwingend recht. Hier kan dus niet vanaf geweken, met
uitzondering van Art. 1:84.3 jo. 1:87.4 BW. Binnen de gemeenschap van goederen gold:
- Tot 2018 -> Trouwen in algehele gemeenschap van goederen
- Na 2018 -> Trouwen in beperkte gemeenschap van goederen
Je moet dus altijd nagaan in welk jaar is getrouwd. Bij algehele gemeenschap van
goederen valt alles, ook dat wat je voor het huwelijk al had, in de gemeenschap. Bij de
beperkte gemeenschap wordt alleen wat je na het huwelijk opbouwt als gezamenlijk.
Art. 1:81 BW stelt dat echtgenoten elkaar trouw moeten zijn en het nodige moeten
verschaffen. Dit is geen afdwingbaar recht, maar geeft wel invulling aan het gezag van
Titel 1.6 BW en hier kan een grote preventieve werking vanuit gaan. Het heeft een
alimentair karakter, je moet voor elkaar zorgen.
Daarnaast moet je ook financieel voor elkaar zorgen. Dat wordt verder uitgewerkt in Art.
1:82 BW. Dit ziet op de verhouding tussen echtgenoten, niet richting kinderen (daar gaan
Art. 1:392 jo. 1:400 BW over).
Art. 1:83 BW is vooral in de praktijk heel belangrijk. Deze stelt dat je elkaar inlichtingen
over het gevoerde bestuur moet verschaffen. Dit is geen rekening en verantwoording,
maar wel belangrijk. Je moet tijdens de echtscheidingsprocedure aangeven wat je met
het geld hebt gedaan.
Echtgenoten zijn samen verantwoordelijk voor de kosten der huishouding (Art. 1:84 BW).
Dit is een interne regeling, tussen de echtgenoten. Een derde kan hier dus nooit rechten
aan ontlenen. Dit geeft beiden draagplicht. Hierbij komen kosten ten laste van:
- Het gemene inkomen (50/50)
- Privé inkomen (evenredig)
- Gemene vermogen (50/50)
- Privé vermogen (evenredig)
Als er sprake is van een scheiding van goederen, ook wanneer er een verrekenbeding is,
dan is er geen gemeen inkomen. Je kunt van bovenstaande afwijken bij schriftelijke
overeenkomst.
Onder kosten der huishouding vallen onder andere gezondheidszorg, verzekeringen,
contributies, eten en drinken, hobby’s, kleding, huispersoneel, vakanties en wonen
(rente en huur). Over of belasting hier ook onder valt is nog veel discussie.
De draagplicht gaat dus over de vraag wie het uiteindelijk in de portemonnee voelt. Maar
hier kun je dus ook zelf afspraken over maken. Naast de draagplicht heb je ook nog een
,fourneerplicht (Art. 1:84.2 BW). Deze kijkt niet naar wie uiteindelijk moet betalen, maar
meer op het van te voren: je moet van te voren voldoende geld ter beschikking stellen. Is
dit meer dan dat je uiteindelijk moet betalen (draagplicht), dan heb je dus nog recht op
een deel terug. Maar hiervoor moet je wel op tijd aan de bel trekken (Ridder te Voet).
Waar Art. 1:84 BW ziet op de interne verhouding, ziet Art. 1:85 BW op de externe
verhouding, de verhouding met derden. Deze gaat over aansprakelijkheid voor kosten
van de gewone gang van de huishouding. Dit is beperkter (en onderdeel van) de kosten
der huishouding. Wat hieronder valt is mede afhankelijk van de leefwijze en financiële
situatie van het gezin en wat derden daaromtrent hadden mogen begrijpen.
Vuistregel: Onder gewone gang van huishouding vallen de dingen waarvan een
echtgenoot kan denken dat hij/zij de partner daarvoor niet hoeft te vragen,
en dat de partner daar ook niet over bevraagd zou willen worden. Art. 1:85
BW creëert daarbij een aansprakelijkheid voor de gemaakte kosten, voor
beide partners. Hierbij gaat het om hoofdelijke aansprakelijkheid, niet
alleen op het gemeen vermogen, maar ook op het privévermogen.
Wat in ieder geval onder de gewone gang van het huishouden valt is kosten van de
kinderen, huispersoneel, kleding, inboedel en boodschappen. Maar vanuit
jurisprudentie volgt ook dat onder omstandigheden een overeenkomst van geldlening
hier ook onder kan vallen. Je kunt dus een schuld aangaan, waar je partner geen
contractspartij bij is, maar waar hij wel aansprakelijk voor is.
Je moet goed onderscheid maken tussen:
- Draagplicht: intern -> Wie moet het dragen?
- Verhaal – Extern -> Waarop kan de schuldeiser zich verhalen?
- Aansprakelijkheid – Extern -> Wie kan de schuldeiser aanspreken?
Art. 1:87 BW ziet op vergoedingsrechten, daarbij gaat het om vermogensverschuiving
tussen privévermogens. Het vermogen van de één wordt verrijkt ten koste van het
vermogen van de ander.
Art. 1:87.2a BW ziet op wanneer de één een goed verkrijgt en de ander daarvan (een
deel) betaalt, of wanneer de ander een schuld met betrekking tot een privégoed betaalt
die voor de ander is (bijvoorbeeld door aflossing). Er ontstaat dan een plicht tot
vergoeding. Bijvoorbeeld wanneer je een huis koopt en je partner een deel betaalt, of
wanneer je partner later een deel van de hypotheek aflost. Het vergoedingsrecht is dan
gebaseerd op de investering, gerelateerd aan de aankoopsom, vermenigvuldigd met de
waarde op de peildatum.
Formule Investering / aankoopsom x waarde peildatum
Art. 1:87.2b BW ziet op verbouwing en/of verbetering van het goed van A met investering
van B. hierbij moet je voor de vergoeding kijken naar de investering in de
verbouwing/(aankoopsom of waarde ttv verbouwing) + totale verbouwingskosten, en dat
vermenigvuldig je met de waarde op de peildatum.
,Formule Investering / (waarde goed t.t.v. verbouwing + totale
verbouwingskosten) x waarde peildatum
Dus stel: A koopt woning voor 200.000. B lost daar 20.000 van af. Bij scheiding is het
huis 600.000 waard. B heeft dan recht op een vergoeding van 20.000/200.000 x 600.000
= 60.000,-. Had B niet afgelost maar een verbouwing van 20.000 gefinancierd, waarbij
ten tijde van de verbouwing het huis al 400.000 waard was, dan heeft B recht op
20.000/420.000 x 600.000 = 28571.
Op deze beleggingsleer uit sub b zijn wel enkele uitzonderingen:
- Tot 2012 geldt Kriek/Smit -> Je krijgt nominaal terug
- Je krijgt minimaal de nominale waarde terug als je geen toestemming hebt
gegeven voor de investering – Art. 1:87.3a BW
- Je krijgt altijd de nominale waarde terug als je investeert in een goed dat in
waarde daalt – Art. 1:87.3b BW
- Je kunt anders overeenkomen – Art. 1:87.4 BW -> Dit moet bij overeenkomst, en
kan dus ook mondeling afgesproken.
RVR – Werkcollege – Week 1
Art. 1:81 BW is niet in rechte afdwingbaar, tenzij in combinatie met Art. 1:84 BW.
Opdracht 1: Eduard en Alexandra zijn buiten gvg gehuwd. Eduard verdiend 36.000,- per
jaar, Alexandra 12.000,-. Eduard krijgt daarnaast 2000,- aan rente per jaar. Alexandra
krijgt daarnaast 66.000,- per jaar aan huurinkomsten. Kosten huishouding zijn 32.500,-.
V1.1: Moet Eduard een deel van zijn salaris aan Alexandra ter beschikking stellen
voor kosten van levensonderhoud? -> Echtgenoten moeten elkaar het nodige
verschaffen (Art. 1:81 BW). Hierbij moeten beiden naar evenredigheid bijdragen in de
kosten der huishouding (Art. 1:84 BW). Hier vallen ook gevraagde kosten voor
levensonderhoud onder. Dus het klopt inderdaad dat, gezien er geen gezamenlijk
inkomen is, Eduard uit eigen inkomen moet bijdragen in de kosten van levensonderhoud.
Maar dit gaat wel naar evenredigheid. En gezien Alexandra meer verdient zal juist zij
moeten fourneren.
V1.2: Wat is de draagplicht van beiden? -> Ze hebben een gezamenlijk inkomen van
(38.000,- + 78.000,-) 116.000,- per jaar. Daarbij is de verhouding 32,8% Eduard en 67,2%
Alexandra. Daarmee moet Eduard 33% bijdragen in de kosten huishouding, dus 10.647,-
per jaar. 21.856,- is dan nog voor Alexandra. Alexandra moet dus fourneren omdat
Eduard als hij de helft bijdraagt, veel te veel bijdraagt.
Let op: Percentages niet afronden, helemaal doorrekenen.
Let op: Een gezamenlijke rekening wordt geen gezamenlijk geld. Je eigen inleg blijft
je eigen geld. Een gezamenlijke rekening zet dit niet om naar een
gemeenschap als je niet in gvg bent getrouwd.
Alexandra stopt met werken en wil vastleggen dat de kosten van de huishouding in de
, eerste plaats ten laste van inkomsten uit arbeid komen. Ze plannen voor een kind en
verwachten dat de KH zullen stijgen met 12.000,- per jaar.
V1.3: Wat betekent dit voor de draagplicht? -> Draagplicht komt nu volledig ten laste
van Eduard, voor zover hij dit kan dragen. Gezien hij uit arbeid 36.000,- verdient en de KH
nu 44.500,- zijn, gaat zijn gehele inkomen hiernaar toe. Het resterende deel (8500,-)
komt vervolgens alsnog naar evenredigheid ten laste van de overige inkomsten (inkomen
uit vermogen) van beiden. Dit is 2000 + 66.000 = 68.000. Rato is hier dus 2,9% vs 97,1%.
Eduard betaald uit overige inkomsten daarom nog 250,-. Alexandra betaalt de rest
(8250,-). Gezien Alexandra veel passief inkomen heeft, en daar zeer weinig van hoeft in
te leggen, terwijl Eduard nog maar 1750 over houdt is dit niet rechtvaardig.
Opdracht 3: Jonas en Laura zijn gehuwd buiten gvg en hebben twee kinderen. Ze zijn uit
elkaar (maar nog niet gescheiden), wanneer Jonas een ongeluk krijgt. Hij was niet
verzekerd en de kosten lopen op. Laura heeft daarnaast de kinderen, zonder overleg met
Jonas, naar de crèche gedaan. Ook deze rekeningen worden niet betaald.
V3.1: Kan het ziekenhuis Laura aanspreken voor de medische kosten? -> Nee, op
grond van Art. 1:85 BW zijn echtgenoten alleen hoofdelijk aansprakelijk voor aangegane
verbintenissen die zijn aangegaan ten behoeve van de gewone gang van de huishouding.
Het aangaan van een verbintenis tot zorg, voortkomend uit een ongeval wegens
drankgebruik, kan niet tot de gewone gang gerekend. Dit zijn exorbitant hoge kosten van
iemand die onverzekerd is, dat valt niet onder Art. 1:85 BW (Rb. Alkmaar 13 september
2004). Jonas is wel aansprakelijk op grond van een geneeskundige
behandelingsovereenkomst (vanuit de wet op de geneeskundige
behandelingsovereenkomst). Hij is contractspartij.
V3.2: Kan de crèche Jonas aanspreken? -> Ja, dit kan. Op grond van Art. 1:84 lid 1 BW
behoren kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen namelijk tot de kosten der
huishouding en een verbintenis tot opvang ten behoeve van die verzorging valt daarmee
onder de gewone gang van de huishouding, waarmee beide echtgenoten voor het geheel
aansprakelijk zijn (Art. 1:85 BW). Maar op grond van Art. 1:92a BW geldt dit niet voor
echtgenoten gescheiden van tafel en bed.
V3.3: Wie is aansprakelijk voor achterstallige inkomstenbelasting van Jonas? ->
Alleen Jonas zelf. Dit is een verbintenis uit wet, en niet vanuit de gewone gang van de
huishouding (Inkomstenbelasting - 21 mei 2010 HR). Inkomstenbelasting valt niet
onder de Art. 1:85 BW schuld.
Opdracht 4: Mohamed en Alima zijn gehuwd buiten gvg. Mohamed koopt in 2015 voor
500.000,- een huis middels aflossingsvrije lening. In 2018 verbouwen zij voor 160.000,-,
waarvan Mohamed 90.000,- uit privévermogen betaalt en 70.000,- leent. Woningwaarde
is op dat moment 400.000,-. In 2019 lost Alima door erfenis de lening voor verbouwing
af. woningwaarde is op dat moment 580.000,-. In 2020 is de woning 800.000,- waard en
op dat moment heeft Mohamed ook al 300.000,- van de aflossingsvrije lening afgelost.