Open Universiteit
PM0212 Psychodiagnostiek in de
klinische psychologie
Oefenvragen: 160 meerkeuzevragen
Dit document bevat alle oefenvragen van hoofdstuk 1 t/m 8 en 30 integratievragen die stof uit
meerdere hoofdstukken combineren.
Deel 1 bevat alleen de vragen, doorlopend genummerd van 1 t/m 160.
Deel 2 bevat de antwoorden met uitleg, in dezelfde volgorde en met dezelfde nummers. Je kunt dus
eerst alle vragen maken en daarna nakijken.
Inhoud
Hoofdstuk 1 – Psychodiagnostiek binnen de klinische psychologie (vraag 1–10)
Hoofdstuk 2 – De diagnostische cyclus (vraag 11–20)
Hoofdstuk 3 – Kwaliteit en obstakels in de diagnostiek (set 1) (vraag 21–30)
Hoofdstuk 3 – Kwaliteit en obstakels in de diagnostiek (set 2) (vraag 31–40)
Hoofdstuk 4 – Intelligentietests (set 1) (vraag 41–50)
Hoofdstuk 4 – Intelligentietests (set 2) (vraag 51–60)
Hoofdstuk 5 – Neuropsychologische diagnostiek (set 1) (vraag 61–70)
Hoofdstuk 5 – Neuropsychologische diagnostiek (set 2) (vraag 71–80)
Hoofdstuk 6 – Persoonlijkheidsdiagnostiek (set 1) (vraag 81–90)
Hoofdstuk 6 – Persoonlijkheidsdiagnostiek (set 2) (vraag 91–100)
Hoofdstuk 7 – Probleemgerichte vragenlijsten (vraag 101–110)
Hoofdstuk 8 – Indirecte methoden, observaties en interviews (set 1) (vraag 111–120)
Hoofdstuk 8 – Indirecte methoden, observaties en interviews (set 2) (vraag 121–130)
Integratievragen (1/3) (vraag 131–140)
Integratievragen (2/3) (vraag 141–150)
Integratievragen (3/3) (vraag 151–160)
Pagina 1
,Open Universiteit – Master Klinische Psychologie PM0212 Psychodiagnostiek in de klinische psychologie
Deel 1 – Vragen
Hoofdstuk 1 – Psychodiagnostiek binnen de klinische psychologie
1. Waarin verschilt de klinische psychologie van de gezondheidspsychologie?
A. De klinische psychologie richt zich alleen op cliënten met een somatische aandoening, de
gezondheidspsychologie op cliënten met een DSM-5-classificatie.
B. De klinische psychologie richt zich op volwassenen, de gezondheidspsychologie op kinderen en
jongeren.
C. De klinische psychologie houdt zich meer bezig met afwijkend en disfunctioneel gedrag, de
gezondheidspsychologie met relatief normale psychosociale gedragsaspecten in relatie tot
gezondheid en ziekte.
D. De klinische psychologie richt zich op relatief normale psychosociale gedragsaspecten, de
gezondheidspsychologie op afwijkend en slecht aangepast gedrag.
2. Welke bewering over de basispsycholoog klopt?
A. De titel is niet wettelijk beschermd; de basispsycholoog heeft een universitaire master, beperkte
diagnostische en behandelbevoegdheden en werkt onder supervisie.
B. De titel is geregistreerd onder de Wet BIG na een tweejarige postmasteropleiding.
C. De basispsycholoog mag zelfstandig diagnostiek uitvoeren omdat de titel beschermd is door de Wet
BIG.
D. De basispsycholoog heeft na de master een vierjarige specialistische opleiding gevolgd met
onderzoeks- en managementvaardigheden.
3. Een psycholoog heeft na de tweejarige opleiding tot gezondheidszorgpsycholoog een vierjarige
specialistische opleiding gevolgd, waarin ook onderzoeks- en managementvaardigheden aan bod
kwamen. Welke titel hoort hierbij?
A. Basispsycholoog
B. Psychotherapeut
C. Gezondheidszorgpsycholoog
D. Klinisch (neuro)psycholoog
4. Welke bewering over de generalistische basis-ggz is juist?
A. Er wordt een zeer uitgebreid psychodiagnostisch traject uitgevoerd, gericht op complexe
problematiek.
B. Om een behandeling te kunnen indiceren moet er een DSM-5-classificatie zijn.
C. De hulp is langdurig en wordt per cliënt vormgegeven zonder protocollen.
D. De hulp richt zich uitsluitend op cliënten met relatief enkelvoudige psychische problematiek.
5. Een cliënt meldt zich zonder tussenkomst van de huisarts rechtstreeks bij een psycholoog in de
basis-ggz. Wat klopt?
A. Dat is niet mogelijk: zonder verwijzing kan er in de basis-ggz geen afspraak worden gemaakt.
B. Dat kan, en de ziektekostenverzekering vergoedt de behandeling dan automatisch.
C. Dat kan, maar voor vergoeding door de ziektekostenverzekering is altijd een verwijzing van de
huisarts nodig.
D. Dat kan, en een verwijzing van de huisarts is alleen nodig bij gespecialiseerde ggz.
Pagina 2
,Open Universiteit – Master Klinische Psychologie PM0212 Psychodiagnostiek in de klinische psychologie
6. Welke combinatie van instrument en type psychodiagnostisch onderzoek klopt?
A. Raven – persoonlijkheidsonderzoek
B. Rorschachtest – neuropsychologisch onderzoek
C. Stroop-kleurwoordtaak – projectief onderzoek
D. Beck Depression Inventory (BDI) – probleemgericht onderzoek
7. Welke voorwaarde is nodig om binnen een multidisciplinair team psychodiagnostiek te kunnen
verrichten?
A. Elke discipline werkt zo onafhankelijk mogelijk vanuit het eigen model, om vertekening door andere
disciplines te voorkomen.
B. De disciplines kennen elkaars basale theoretische uitgangspunten en vakjargon en beschikken over
adequate sociale vaardigheden.
C. De psycholoog bepaalt de uiteindelijke behandeling; de overige disciplines leveren alleen informatie
aan.
D. Het team richt zich uitsluitend op psychologische factoren, omdat biologische en sociale factoren bij
andere teams thuishoren.
8. Wat wordt in de psychodiagnostiek bedoeld met het 'clusteren' van symptomen?
A. Het samenvoegen van probleemgedragingen of symptomen tot disfunctionele gedragsclusters
(syndromen).
B. Het samenvoegen van alle bronnen en methoden tot één coherente, holistische theorie over de
cliënt.
C. Het in kaart brengen van de sterke en zwakke kanten van de cliënt.
D. Het nagaan of de aangemelde cliënt voor hulp aan het juiste adres is.
9. Een intelligentieonderzoek (bijvoorbeeld met de WAIS) levert een beeld van het niveau en de
structuur van de intelligentie. Welke aanvullende informatie leveren de observaties tijdens dit
onderzoek op?
A. In hoeverre persoonlijkheidskenmerken het klachtenpatroon in stand houden.
B. Onbewuste eigenschappen, voorkeuren en thema's die niet via zelfrapportage naar voren komen.
C. Iemands werkwijze, zijn manier van omgaan met taken, tijdsdruk en flexibiliteit.
D. De relatie tussen hersenfunctie en gedrag.
10. Waarom worden projectieve methoden, zoals de Rorschachtest en de TAT, vooral exploratief en
als aanvulling op andere methoden gebruikt?
A. Omdat de taken zo sterk gestructureerd zijn dat ze weinig nieuwe informatie opleveren.
B. Omdat hun psychometrische kwaliteiten relatief zwak zijn.
C. Omdat ze uitsluitend gebaseerd zijn op zelfrapportage en niet op observatie.
D. Omdat ze alleen bruikbaar zijn bij cliënten met hersenletsel.
Hoofdstuk 2 – De diagnostische cyclus
11. Wat is een belangrijk verschil tussen wetenschappelijk experimenteel onderzoek en
psychodiagnostiek?
A. Experimenteel onderzoek werkt met hypothesen, diagnostiek werkt alleen met intuïtie en klinische
ervaring.
B. Experimenteel onderzoek is gericht op generaliseerbare antwoorden, diagnostiek zoekt juist naar
unieke antwoorden voor een individu of specifieke groep.
C. Experimenteel onderzoek start met een onderzoeksvraag, diagnostiek start met een behandeladvies.
D. Experimenteel onderzoek verzamelt empirische gegevens, diagnostiek baseert zich uitsluitend op
logisch redeneren.
Pagina 3
, Open Universiteit – Master Klinische Psychologie PM0212 Psychodiagnostiek in de klinische psychologie
12. Welke vraag is een voorbeeld van een toewijzende vraagstelling?
A. Welke kandidaat is het meest geschikt voor deze functie?
B. Hoe kom ik van mijn klachten af?
C. Geeft mijn kind zoveel klachten dat er sprake is van dyslexie?
D. Past deze specifieke behandelingsmogelijkheid bij deze cliënt?
13. Een cliënt heeft een erfelijke aanleg voor depressie. Na het verlies van zijn baan voelt hij zich veel
ongelukkiger en gaat hij sociale situaties vermijden, waardoor zijn klachten blijven bestaan. Welke
indeling van factoren klopt?
A. Erfelijke aanleg = predisponerend; baanverlies = luxerend (precipiterend); vermijding =
onderhoudend.
B. Erfelijke aanleg = luxerend; baanverlies = predisponerend; vermijding = onderhoudend.
C. Erfelijke aanleg = predisponerend; baanverlies = onderhoudend; vermijding = luxerend.
D. Erfelijke aanleg = onderhoudend; baanverlies = luxerend; vermijding = predisponerend.
14. Welke bewering over de probleemanalyse (stap 2) klopt?
A. De diagnosticus stelt hier de toetsingscriteria op en neemt de tests af.
B. De diagnosticus bepaalt hier de beste aanpak of behandeling in samenspraak met de cliënt.
C. De diagnosticus koppelt de situatie rond de hulpvraag aan algemene kennis en stelt
onderzoeksvragen op; een valkuil is een sterke voorkeur voor één verklaringstheorie.
D. De diagnosticus gebruikt hier uitsluitend informatie van de cliënt zelf; heteroanamnese en
dossieronderzoek horen pas in de verklaringsanalyse.
15. Een psycholoog onderzoekt een aandoening die zeker niet over het hoofd gezien mag worden.
Hoe moet het toetscriterium dan worden gekozen?
A. Streng: een score is pas afwijkend bij meer dan één standaarddeviatie afwijking, zodat onterechte
diagnoses worden voorkomen.
B. Ruim: een score is al afwijkend bij minder dan één standaarddeviatie afwijking van de normgroep,
zodat de kans op onterecht uitsluiten zeer klein is.
C. Het criterium maakt niet uit, zolang er maar met genormeerde scores wordt gewerkt.
D. Het criterium wordt pas bepaald nadat de scores van de cliënt bekend zijn, zodat het goed aansluit bij
de uitkomsten.
16. Wat is een voordeel van het expliciet formuleren van hypothesen, vergeleken met direct van
probleemanalyse naar testafname gaan op basis van impliciete verwachtingen?
A. Het levert altijd een goedkoper en sneller onderzoek op.
B. Het maakt het cyclisch doorlopen van de diagnostische cyclus overbodig.
C. Het is altijd mogelijk, ook als er geen theorie, empirische gegevens of deskundigeninformatie
beschikbaar zijn.
D. Het helpt oordeelsfouten te voorkomen en verkleint de kans dat toevallige uitschieters in de scores te
veel gewicht krijgen.
17. Welke formulering is een voorbeeld van een tautologische (en dus niet-wetenschappelijke)
verklaring?
A. De sombere stemming van de cliënt komt door zijn depressie.
B. De mentale accu van de cliënt is leeg, daarom kan hij niet meer functioneren.
C. Door het verlies van zijn baan voelt de cliënt zich somberder dan daarvoor.
D. De cliënt heeft een erfelijke aanleg voor depressie, waardoor hij gevoeliger is voor stress.
Pagina 4