Hoofdstuk 1: Anatomie en bouw van het lichaam
§ Inleiding tot de anatomie
Anatomische positie
Het lichaam staat rechtop met het gezicht naar voren, de armen aan de zijden met de handpalmen naar
voren en de voeten parallel en licht gespreid.
Richtingaanduidingen
Richting Betekenis Voorbeeld
aanduiding
Mediaal Naar het midden toe gelegen Het hart ligt mediaal van de
bovenarm
Lateraal Verder van de middellijn/ zijkant van het lichaam De bovenarm ligt lateraal van het
hart
Proximaal Dichter bij een bepaald aanhechtingspunt van Het dijbeen ligt proximaal van het
een ledemaat of oorsprong van een lichaamsdeel scheenbeen
Distaal Verder bij een bepaald aanhechtingspunt van een Het scheenbeen ligt distaal van het
ledemaat of oorsprong van een lichaamsdeel dijbeen
Anterior/ ventraal Dichter bij de voorzijde van het lichaam Het borstbeen ligt anterior/
ventraal van de wervelkolom
Posterior/ dorsaal Dichter bij de achterzijde van het lichaam De wervelkolom ligt posterior/
dorsaal van het borstbeen
Superior/ craniaal Dichter bij het hoofd De schedel ligt superior/ craniaal
van de schouderbladen
Inferior/ caudaal Verder van het hoofd De schouderbladen liggen inferior/
caudaal van de schedel
Lichaamsvlak
Drie verschillende lichaamsvlakken, ze liggen haaks op elkaar.
1. Mediane vlak
Als het lichaam door het middel longitudinaal in een rechter- en linkerhelft wordt verdeeld.
Een sagittale doorsnede is een doorsnede die parallel aan het mediane vlak loopt.
2. Frontale (coronale) vlak
Een frontale/ coronale doorsnede verdeelt het lichaam in een voorste (anterior) en een achterste (posterior)
helft.
3. Transverse vlak
Het transversaal vlak (horizontale doorsnede) scheidt de bovenzijde van de onderzijde van het lichaam of
lichaamsdeel.
Dit kan op elk niveau, bijvoorbeeld door de schedelholte, borstkas, orgaan of ledemaat.
Pagina 2 van 126
,Hoofdstuk 2: Fysiologische chemie en processen
§ Inwendig milieu en homeostase
De uitwendige omgeving omringt het lichaam en is de bron van zuurstof en voedingsstoffen.
Afvalproducten van cellulaire activiteiten worden uiteindelijk afgevoerd naar de externe omgeving.
De huid vormt een effectieve barrière tussen lichaamsweefsels en de omgeving.
De inwendige omgeving is het vocht dat de lichaamscellen omspoelt → interstitiële/ weefselvloeistof.
Zij absorberen zuurstof en voedingsstoffen uit de interstitiële/ weefselvloeistof, die deze stoffen opnieuw uit
de bloedsomloop heeft geabsorbeerd.
Daarentegen passeren afvalstoffen via de interstitiële/ weefselvloeistof naar de bloedsomloop op weg naar
de nodige uitscheidingsorganen.
Homeostase
De samenstelling van het milieu intérieur wordt uiterst nauwkeurig gereguleerd.
Hierdoor ontstaat een relatief stabiele toestand → homeostase → dynamisch, zich voortdurend
veranderende situatie waar een veelvoud van fysiologische mechanismen en metingen steeds binnen
nauwe grenzen blijft.
Bij bedreiging/verstoring van deze balans loopt het welzijn van de persoon in gevaar.
Voorbeelden belangrijke fysiologische variabelen die binnen nauwe grenzen gehandhaafd moeten blijven
door homeostatische regelmechanismen: kerntemperatuur, water- en elektrolyt huishouding, pH van
lichaamsvloeistoffen, bloedsuikergehalte, bloeddruk, bloed- en weefselzuurstof en kooldioxidegehalte.
Regulatiesystemen
Een regulatiesysteem heeft drie componenten.
1. Detector
2. Controlecentrum
3. Effector
Het controlecentrum herbergt de waarden waarbinnen de variabele factor moet worden gehandhaafd.
Het ontvangt bericht van de detector of sensor en verwerkt die informatie. Als het binnenkomend signaal
aangeeft dat aanpassing nodig is, reageert het controlecentrum door wijziging van de opdrachten die het
zendt naar de effector.
Door dit dynamische proces worden de vele fysiologische variabelen continue bijgesteld.
Bijna alle fysiologische variabelen worden door een negatief feedbackmechanisme gecontroleerd.
Positieve feedback komt minder vaak voor.
Negatieve feedbackmechanismen
Negatieve feedback betekent dat elke verandering van het regulatiesysteem die zich verwijdert van de
normale waarde tenietgaan.
Als een variabel daalt, laat negatieve feedback het weer stijgen en als een variabel stijgt, laat negatieve
feedback het weer dalen.
De respons op een stimulus keert dus het effect van deze stimulus.
Het systeem wordt zo in een stabiele toestand gehouden (homeostase).
Voorbeeld;
Als de lichaamstemperatuur zakt tot onder het vereiste niveau, wordt dit waargenomen door de uiteinden
van gespecialiseerde temperatuurgevoelige zenuwen in de hypothalamus, waar zich het regelcentrum voor
de lichaamstemperatuur bevindt.
Dit zet mechanismen in gang die de lichaamstemperatuur doen stijgen (de effectoren):
• Skeletspieren veroorzaken rillingen
• Bloedvaatjes in de huid vernauwen om bloedcirculatie en warmteverlies van perifere ledematen te
verminderen
• Gedragsveranderingen, zoals meer kleding aantrekken
Als de lichaamstemperatuur weer is gestegen tot normale waarden, worden de temperatuurgevoelige
zenuwen niet langer gestimuleerd, zodat ze geen signalen meer naar de hypothalamus sturen.
De meeste homeostatische processen in het lichaam worden door negatieve feedback gereguleerd om
plotselinge veranderingen in het milieu intérieur te voorkomen.
Pagina 3 van 126