Vraag 1: Wat is geen risico van classificatie?
A. Stigma
B. Arbitraire grenzen
C. Communicatie
D. Contextverlies
Vraag 2: Bij welk alternatief perspectief op psychische aandoeningen wordt gekeken naar de
interacties tussen patronen die een persoon ervaart?
A. Patroon diagnostiek
B. Netwerkbenadering
C. HiTOP
D. RDoC
Vraag 3: Wat is er WEL mogelijk met een HiTOP benadering?
A. Een link met persoonlijkheid en traits
B. Snelle vertaling naar richtlijnen
C. Formele administratieve classificatie
D. Transdiagnostisch denken
Vraag 4: ‘Dysfunctie bepaalt ziekte’ , bij welke term hoort deze uitspraak?
A. Reïficatie
B. Demarcatie
C. Normativisme
D. Naturalisme
Vraag 5: Een persoon merkt dat hij, sinds hij verhuist is, telkens zijn sleutels vergeet en sluit
zichzelf telkens buiten. Na even nadenken over dit probleem, komt hij met een oplossing.
Voorheen had bij een schaaltje bij de deur staan waar zijn sleutels in lagen, in het nieuwe
appartement past dit niet. Wel heeft hij een kapstok. Vanaf nu gaat hij zijn sleutels altijd in zijn
jas bewaren. Bij welke van de 3 cycli van probleemoplossen hoort dit?
A. Exception handling
B. Habit revision
C. Value revision
D. Diachrone handling
Vraag 6: Welke intelligentietheorie sprak over intelligentie als hiërarchisch model met 10
onderdelen?
A. Guilford’s structure of intellect
B. Thurstone’s primary mental abilities
C. PASS
D. Cattel-Horn-Carrol integratieve model
, Vraag 7: Wat houdt de term ‘positive manifold’ in en bij welke theorie hoort deze term?
A. Verschillende sets van taken kunnen dezelfde algemene factor benaderen, behorend bij
Spearmans theorie
B. Cognitieve taken correleren doorgaans positief, behorend bij Spearmans theorie
C. Verschillende sets van taken kunnen dezelfde algemene factor benaderen, behorend bij
PASS
D. Cognitieve taken correleren doorgaans positief, behorend bij PASS
Vraag 8: Een leerling presteert laag op taken waarbij snel visuele symbolen moeten worden
gescand en schriftelijk verwerkt. Welke WISC-V-index is het meest relevant?
A. VBI
B. FRI
C. Vsl
D. Wgl
Vraag 9: Een kind kan cijfers in de aangeboden volgorde herhalen, maar heeft moeite met cijfers
achterstevoren en hoofdrekenen. Welke WISC-V-index is het meest direct relevant voor deze
moeilijkheden?
A. VBI
B. FRI
C. Vsl
D. Wgl
Vraag 10: Welke subtest van de WISC-V behoort NIET bij het werkgeheugen?
A. Gewichten
B. Cijferreeksen
C. Cijfers en letters nazeggen
D. Plaatjesreeksen
Vraag 11: Welke primaire index is GEEN onderdeel van de WAIS-IV?
A. VBI
B. FRI
C. Vsl
D. Wgl
Vraag 12: Wat doet een dynamisch test?
A. Meet wat iemand kan leren bij ondersteuning
B. Meet op verschillende onderdelen hoe iemand het doet
C. Meet wat iemand kan onder druk
D. Meet wat iemand kan op tijd
Vraag 13: Wat zijn de 3 condities voor groei op basis van de cliëntgerichte benadering van
Rogers?
A. Onvoorwaardelijke positieve waardering, zelfactualisering, empathie
B. Onvoorwaardelijke positieve waardering, echtheid, empathie
C. Onvoorwaardelijk goedkeuring, echtheid, empathie
D. Onvoorwaardelijke goedkeuring, zelfactualisering, empathie