PSYCHOLOGIE EN WETENSCHAP
WEEK 1 – INTRODUCTIE EN LOGICA
WETENSCHAP
TAKEN VAN DE WETENSCHAP
Validatie
Verificatie / falsificatie
Reproduceerbaarheid
In kaart brengen van onzekerheid: er is een grijs gebied waarbinnen de
waarheid ligt; door onzekerheidsmarges wordt de waarheid wat onzekerder, maar
hierdoor wordt wetenschappelijke consensus bereikt (d.m.v. peer reviews en
reproduceerbaarheid).
Deze consensus is niet perfect, want voorspellingen zijn altijd lastig bij
toekomstvoorspellingen of lastig observeerbare fenomenen. Ondanks de
onzekerheden vindt er altijd een kritische zelfreflectie plaats; opnieuw kijken
naar de resultaten en misschien wel een hele nieuwe conclusie trekken.
o Dit zorgt ervoor dat mensen minder vertrouwen hebben in de wetenschap
(onterecht) omdat resultaten steeds niet blijken te kloppen. Dit is heel
schadelijk voor de samenleving, zeker als het gezondheidskwesties betreft
zoals vaccinaties.
Het doel van de wetenschap is het proberen uit te vinden wat waarschijnlijk is, en moet
dus informatief zijn voor valide conclusies. Hiervoor wordt er methodologie en logica
gebruikt om argumenten te baseren op data, en zo feiten van meningen te kunnen
onderscheiden.
Maar: er is geen objectieve wetenschap doordat er factoren zijn die
objectiviteit en reproduceerbaarheid beïnvloeden.
o Biases
o Onderzoekers vrijheidsgraden
o Foute of misleidende intuïtie
Intuïtie heeft het vaak fout en er zijn veel onbewuste biases, prikkels, beloningen
of retoriek.
LOGICA
Wetenschap is een verweving van logica en feiten. Er zijn 2 verschillende soorten logica:
Categorische logica: deductie, syllogismen en venndiagrammen.
Propositionele logica: logica en waarheidstabellen
Francis Bacon was het begin van het empirisme; methode van inductie. Wetenschap
heeft een moeilijke verhouding met logica, want zuivere logica is niet zo logisch
Inductie: je begint bij observaties, en gaat van wereld naar idee (veel mensen
hebben 2 handen, misschien alle mensen wel).
Deductie: je begint met een idee en projecteert dit op de wereld (mensen hebben
2 handen, iets is een mens dus het zal wel 2 handen hebben).
,CATEGORISCHE LOGICA
Dit is logica die is toegepast op categorieën. Deze categorieën kunnen vol of leeg zijn of
overlappen etc.
Syllogisme: bestaat uit 2 of meer premissen en een conclusie
Premissen en conclusie: zijn beweringen (statements) die waar of onwaar zijn.
Niet alle zinnen zijn dit, bijvoorbeeld een vraag niet.
Bewering: is een declaratieve zin die waar of onwaar kan zijn.
o Objectieve bewering: als de bewering in principe door middel van
publiekelijk bewijs kan worden weerlegd door middel van een algemeen
aanvaard criterium.
o Subjectieve bewering: er kan niet worden bewezen of weerlegd worden
dat de bewering juist of onjuist is door middel van een algemeen aanvaard
criterium. Er is dus geen publiekelijke informatie waarmee je de waarheid
van de bewering aan kan tonen, en het is dus een mening.
Iets is waar als: het in overeenstemming is het de wereld is (van beweringen).
Iets is geldig / valide als het intern correct af te leiden is, en dus logisch correct is.
Iets is correct als iets geldig of valide is op basis van premissen die waar zijn.
Als iets dus niet geldig of valide is kan het al niet meer correct zijn.
Argument: overtuigt iemand ervan dat de conclusie waar is
Verklaring: legt uit waarom het waar is.
VENNDIAGRAMMEN
Bij meerdere premissen kunnen we op deze manier kijken wat de conclusie is. we kleuren
het deel in waar niemand zit. Als je maar op 1 plek een geldige conclusie kan zetten is
deze geldig en valide. Een kruisje in meerdere vakjes (of op de rand) betekent dat de
conclusie niet is bepaald op basis van je premissen. Je conclusie is dan niet geldig. Een
kruisje in een vak betekent sommigen.
Premissen kunnen gaan over alle of sommigen, en kunnen bevestigend of
ontkennend zijn.
o A – algemeen en affirmatief (allen)
o I – specifiek en affirmatief(sommigen wel)
o E – algemeen en negatief (geen)
o O – specifiek en negatief (sommigen niet)
Major term (generalisatie): zegt iets over iedereen
Minor term (initial codition): zegt iets over hetgeen waar je iets specifieks over wil
zeggen
Middle term: gaat over de conclusie.
PROPOSITIONELE LOGICA
Houdt zich bezeig met beweringen en hun onderlinge verband. Het gaat dus over
verzamelingen en je kunt zinnen ontleden om te kijken of iets waar is of niet.
Modus ponens: bevestiging waardoor juist
, Modus tollens: ontkenning waardoor geldig
Redeneerfouten: zijn niet juist
o Ontkennen van de antecedent
o Bevestigen van het consequent.
WAARHEIDSTABELLEN
A is antecedent en B is consequent.
A of B is waar: klopt ook als A en B waar zijn.
Als A dan B: A en B moeten allebei waar zijn, of alleen B of als A en B beiden niet
waar zijn
A en B ( A /\ B) A of B ( A \/ B)
A B .: A B .:
0 0 0 0 0 0
0 1 0 0 1 1
1 0 0 1 0 1
1 1 1 1 1 1
als A dan B (A B)
A B .:
0 0 1
0 1 1
1 0 0
1 1 1
WEEK 2 – LOGISCH POSITIVISME EN POPPER
POSITIVISME
Positivisme is een synoniem van empirisme. Het gaat over kennis vergaren door middel
van ervaringen, experimenten en metingen. Dit komt voort uit de empirische traditie.
George Barkeley valt af bij het positivisme; we willen een objectief meetbare
werkelijkheid.
Probleem: het positivistische beeld wat ze hadden van wetenschap kwam
vanuit de natuurkunde, maar zelfs natuurkunde gebruikt theoretische
concepten. Positivisme is dus niet genoeg, waardoor het logisch positivisme
ontstond. Het moet ofwel logisch, ofwel empirisch bewezen zijn. Empirisme en
logica samengenomen is dus wetenschap.
Ludwig Wittgenstein: hij is compromisloos en heeft 7 stellingen opgesteld.
1. De wereld is alles wat het geval is
1.1 de wereld is een totaliteit van feiten, niet van dingen; de wereld bestaat uit
atomen en andere deeltjes, maar dat heeft geen logica, feiten wel.
2. Wat het geval is, het feit, is het bestaan van connecties; de samenhang van alles.
7. Alles wat logisch gezegd kan worden mag over gesproken worden, de rest moet
men over zwijgen. logica zegt iets over de werkelijkheid en dat komt door taal.
WEEK 1 – INTRODUCTIE EN LOGICA
WETENSCHAP
TAKEN VAN DE WETENSCHAP
Validatie
Verificatie / falsificatie
Reproduceerbaarheid
In kaart brengen van onzekerheid: er is een grijs gebied waarbinnen de
waarheid ligt; door onzekerheidsmarges wordt de waarheid wat onzekerder, maar
hierdoor wordt wetenschappelijke consensus bereikt (d.m.v. peer reviews en
reproduceerbaarheid).
Deze consensus is niet perfect, want voorspellingen zijn altijd lastig bij
toekomstvoorspellingen of lastig observeerbare fenomenen. Ondanks de
onzekerheden vindt er altijd een kritische zelfreflectie plaats; opnieuw kijken
naar de resultaten en misschien wel een hele nieuwe conclusie trekken.
o Dit zorgt ervoor dat mensen minder vertrouwen hebben in de wetenschap
(onterecht) omdat resultaten steeds niet blijken te kloppen. Dit is heel
schadelijk voor de samenleving, zeker als het gezondheidskwesties betreft
zoals vaccinaties.
Het doel van de wetenschap is het proberen uit te vinden wat waarschijnlijk is, en moet
dus informatief zijn voor valide conclusies. Hiervoor wordt er methodologie en logica
gebruikt om argumenten te baseren op data, en zo feiten van meningen te kunnen
onderscheiden.
Maar: er is geen objectieve wetenschap doordat er factoren zijn die
objectiviteit en reproduceerbaarheid beïnvloeden.
o Biases
o Onderzoekers vrijheidsgraden
o Foute of misleidende intuïtie
Intuïtie heeft het vaak fout en er zijn veel onbewuste biases, prikkels, beloningen
of retoriek.
LOGICA
Wetenschap is een verweving van logica en feiten. Er zijn 2 verschillende soorten logica:
Categorische logica: deductie, syllogismen en venndiagrammen.
Propositionele logica: logica en waarheidstabellen
Francis Bacon was het begin van het empirisme; methode van inductie. Wetenschap
heeft een moeilijke verhouding met logica, want zuivere logica is niet zo logisch
Inductie: je begint bij observaties, en gaat van wereld naar idee (veel mensen
hebben 2 handen, misschien alle mensen wel).
Deductie: je begint met een idee en projecteert dit op de wereld (mensen hebben
2 handen, iets is een mens dus het zal wel 2 handen hebben).
,CATEGORISCHE LOGICA
Dit is logica die is toegepast op categorieën. Deze categorieën kunnen vol of leeg zijn of
overlappen etc.
Syllogisme: bestaat uit 2 of meer premissen en een conclusie
Premissen en conclusie: zijn beweringen (statements) die waar of onwaar zijn.
Niet alle zinnen zijn dit, bijvoorbeeld een vraag niet.
Bewering: is een declaratieve zin die waar of onwaar kan zijn.
o Objectieve bewering: als de bewering in principe door middel van
publiekelijk bewijs kan worden weerlegd door middel van een algemeen
aanvaard criterium.
o Subjectieve bewering: er kan niet worden bewezen of weerlegd worden
dat de bewering juist of onjuist is door middel van een algemeen aanvaard
criterium. Er is dus geen publiekelijke informatie waarmee je de waarheid
van de bewering aan kan tonen, en het is dus een mening.
Iets is waar als: het in overeenstemming is het de wereld is (van beweringen).
Iets is geldig / valide als het intern correct af te leiden is, en dus logisch correct is.
Iets is correct als iets geldig of valide is op basis van premissen die waar zijn.
Als iets dus niet geldig of valide is kan het al niet meer correct zijn.
Argument: overtuigt iemand ervan dat de conclusie waar is
Verklaring: legt uit waarom het waar is.
VENNDIAGRAMMEN
Bij meerdere premissen kunnen we op deze manier kijken wat de conclusie is. we kleuren
het deel in waar niemand zit. Als je maar op 1 plek een geldige conclusie kan zetten is
deze geldig en valide. Een kruisje in meerdere vakjes (of op de rand) betekent dat de
conclusie niet is bepaald op basis van je premissen. Je conclusie is dan niet geldig. Een
kruisje in een vak betekent sommigen.
Premissen kunnen gaan over alle of sommigen, en kunnen bevestigend of
ontkennend zijn.
o A – algemeen en affirmatief (allen)
o I – specifiek en affirmatief(sommigen wel)
o E – algemeen en negatief (geen)
o O – specifiek en negatief (sommigen niet)
Major term (generalisatie): zegt iets over iedereen
Minor term (initial codition): zegt iets over hetgeen waar je iets specifieks over wil
zeggen
Middle term: gaat over de conclusie.
PROPOSITIONELE LOGICA
Houdt zich bezeig met beweringen en hun onderlinge verband. Het gaat dus over
verzamelingen en je kunt zinnen ontleden om te kijken of iets waar is of niet.
Modus ponens: bevestiging waardoor juist
, Modus tollens: ontkenning waardoor geldig
Redeneerfouten: zijn niet juist
o Ontkennen van de antecedent
o Bevestigen van het consequent.
WAARHEIDSTABELLEN
A is antecedent en B is consequent.
A of B is waar: klopt ook als A en B waar zijn.
Als A dan B: A en B moeten allebei waar zijn, of alleen B of als A en B beiden niet
waar zijn
A en B ( A /\ B) A of B ( A \/ B)
A B .: A B .:
0 0 0 0 0 0
0 1 0 0 1 1
1 0 0 1 0 1
1 1 1 1 1 1
als A dan B (A B)
A B .:
0 0 1
0 1 1
1 0 0
1 1 1
WEEK 2 – LOGISCH POSITIVISME EN POPPER
POSITIVISME
Positivisme is een synoniem van empirisme. Het gaat over kennis vergaren door middel
van ervaringen, experimenten en metingen. Dit komt voort uit de empirische traditie.
George Barkeley valt af bij het positivisme; we willen een objectief meetbare
werkelijkheid.
Probleem: het positivistische beeld wat ze hadden van wetenschap kwam
vanuit de natuurkunde, maar zelfs natuurkunde gebruikt theoretische
concepten. Positivisme is dus niet genoeg, waardoor het logisch positivisme
ontstond. Het moet ofwel logisch, ofwel empirisch bewezen zijn. Empirisme en
logica samengenomen is dus wetenschap.
Ludwig Wittgenstein: hij is compromisloos en heeft 7 stellingen opgesteld.
1. De wereld is alles wat het geval is
1.1 de wereld is een totaliteit van feiten, niet van dingen; de wereld bestaat uit
atomen en andere deeltjes, maar dat heeft geen logica, feiten wel.
2. Wat het geval is, het feit, is het bestaan van connecties; de samenhang van alles.
7. Alles wat logisch gezegd kan worden mag over gesproken worden, de rest moet
men over zwijgen. logica zegt iets over de werkelijkheid en dat komt door taal.