BIO- EN NEUROPSYCHOLOGIE
WEEK 1 – DE BOUWSTENEN VAN HET BREIN
Binnen de bio- en neuropsychologie kijken we naar de bi directionele link tussen brein en
gedrag en observaties gaan van klein naar groot via de volgende stappen: moleculaire
wetenschap neuronen (hersencellen) neurale netwerken (clusters / verbindingen)
functionele hersengebieden (fMRI) gedrag. Hebben allemaal met elkaar te maken.
ZENUWSTELSELS
Centrale zenuwstelsel (central nervous system) CNS: het geheel van menselijk
brein en ruggenmerg.
Perifere zenuwstelsel (perifer nervous system) PNS: alle zenuwcellen die niet
in het brein of het ruggenmerg zitten, zoals kopzenuwen, spinale zenuwen,
sympathische zenuwen en parasympatische zenuwen.
RICHTINGEN
Dorsaal: van bovenaf gekeken (rug)
Ventraal: van onderaf gekeken (buik)
Anterior: vanaf voren gezien
Posterior: vanaf achteren gezien (richting de straat)
Rostraal: vergelijkbaar met anterior, maar wordt vaak gebruikt in de context van de
hersenstam
Caudaal: richting beneden en onderen. Vergelijkbaar met posterior
In het brein zitten 100 miljard neuronen en het weegt 1,2 tot 1,4 kilogram. Er zijn
verschillende cellen in het brein waaronder neuronen en gliacellen.
NEURONEN
Neuronen zijn belangrijk voor de communicatie van signalen in het brein. Zij ontvangen
informatie en spelen dit door. Het zijn de informatieverwerkers die echt computingpower
geven voor cognitieve taken. Ze hebben verschillende onderdelen.
Soma (cellichaam): dit is het centrale deel van het neuron en bevat de celkern. Het
regelt de stofwisseling en integreert de binnenkomende signalen.
Celmembraan: bestaat uit een dubbele fosfolipidelaag (lipid bilayer), waarbij de
staarten tegen elkaar aan liggen, en de kopjes van elkaar af. Hierdoor is de cel
semipermeabel en kunnen alleen kleine stofjes hier gemakkelijk doorheen. Er is
actieve energie nodig voor grote stoffen.
Dendrieten (vertakkingen): dit zijn vertakte uitlopers van het neuron die
informatie van andere neuronen ontvangen. Ze geleiden elektrische signalen naar de
soma toe.
Axon: een lange uitloper die elektrische impulsen vanuit de soma naar andere cellen
geleidt. Het axon kan vertakken, en aan het uiteinde bevinden zich de
presynaptische terminals: de uiteinden van het axon waar neurotransmitters
worden vrijgegeven. Deze terminals vormen synapsen met andere neuronen,
spiercellen of kliercellen en zorgen voor de overdracht van signalen naar de volgende
cel.
,Aan de dendrieten (ontvangende) kant, zitten wel vertakkingen, maar signaal wordt
slechts ontvangen aan dendrietenkant en verzonden naar presynaptische terminals. Dit
kan niet de andere kant op.
Door de myelineschede (gliacellen) worden axonen beschermd en kan het
doorgeven van informatie sneller plaatsvinden.
Mensen met een beperking hebben minder vertakkingen (spines), en sommige
vertakkingen zijn bijzonder lang. Je kan dus op celnviveau eigenschappen zien de
geuit worden op gedragsniveau.
Elke cel heeft een celmembraan die bestaat uit een dubbele fosfolipidelaag. De
staarten liggen naar elkaar toe, waardoor je rondom een neuron een dubbele
bescherming hebt. Dit maakt een cel semipermeabel; er is een actief transport nodig
om grotere stoffen zoals aminozuren binnen te krijgen.
Er zijn verschillende soorten neuronen die worden gekenmerkt door de richting waarin de
signaalgeleding gaat.
Afferente neuronen (sensorische neuronen): gaan van het lichaam naar het CNS. Ze
brengen dus informatie binnen, zoals prikkels van zintuigen (afferent = arriveert bij brein)
Efferente neuronen (motorische neuronen): gaan vanaf het CNS naar het lichaam
(spieren of klieren), en sturen dus opdrachten uit om bijvoorbeeld een spier te laten
bewegen (efferent is exit van het brein).
Interneuronen: een neuron (middenin het ruggenmerg) waarvan het axon en de
dendrieten in een enkele structuur liggen. Ze ontvangen informatie en geven dit ook
door, zorgen dus voor de communicatie en verwerking binnen het centrale zenuwstelsel.
Neuronen hebben een vorm die past bij hun functie.
Pyramidal neurons: komen voor in het cerebellum en zijn driehoekig
Bipolar neurons: ene kant 1 axon en ook maar 1 dendriet
Sensorisch neuron
Canyon cell: heeft veel onderlinge verbindingen. Moeten veel verschillende dingen
onthouden op specificaties (komt voor bij bijen)
Purkinje cellen: bevinden zich in het cerebellum, kan ook een rol spelen bij motoriek.
Brein bestaat uit heel veel verschillende lagen die allemaal bestaan uit allerlei
verschillende soorten neuronen.
GLIACELLEN
Gliacellen kunnen worden gezien als meer een soort supporting ‘lijm’, maar ze doen ook
andere dingen die direct effect hebben op de cognitie. Ook spelen ze een rol bij het
opruimen van dode cellen en neurotransmitters, en bij de bloed-brein barrière.
Daarnaast voeden ze de neuronen ook.
Je hebt andere typen gliacellen in het CNS en het PNS.
CNS: ependymal cells, oligodendrocytes, astrocytes (stervormig, belangrijk bij
voeding van neuronen) en microglia cells (ruimen de rommel op)
PNS: satellite cells, schwann cells (myeliniseren neuronen)
,Bij multipele sclerose (MS) gaat het immuunsysteem de cellen in het brein aanvallen
(vooral de gliacellen). Dit zorgt ervoor dat het signaal dan niet snel kan worden
doorgegeven (een ongemyeliniseerd neuron gaat 2 meter per seconden, een
gemyeliniseerd neuron gaat 120 meter per seconden). Bij een MS laesie is de witte stof
verdwenen. De grijze stof zit in het brein aan de buitenkant (cortex), maar in het
ruggenmerg is juist de grijze stof in het midden en de witte stof aan de buitenkant.
TYPEN GLIACELLEN
Astrocyt: is een stervormige cel. Deze is in staat om uit bloedvaatjes
voedingsstoffen te halen, en die vervolgens door te geven aan neuronen. Ze spelen
dus een belangrijke rol bij de voeding van neuronen.
Schwann cell: zit in het PNS, en kan een axon myeliniseren. Dit kan wel maar met 1
per keer.
Oligodendrocyten: hebben ongeveer dezelfde functie als een schwann cell, alleen
bevinden zich in het CNS. Ook kunnen deze cellen meerdere axonen myeliniseren.
Microgliacellen: ruimen de rommel op
Radial gliacel: geeft een rasterwerk waarlangs neuronen kunnen migreren.
Maar: gliacellen spelen naast voeding ook een rol bij cognitie, terwijl hij niet kan
vuren en geen actiepotentiaal kan hebben; een astrocyt kan verschillende
neurotransmitters uit omliggende vloeistof in zich opnemen, en dan ineens alles
loslaten, waardoor omliggende neuronen ineens heel veel neurotransmitter krijgen
en allemaal tegelijk gaan vuren. Dit zorgt voor bepaalde ritmes in het brein die
een rol spelen bij cognitieve taken.
Bloed-breinbarrière: een beschermingsmechanisme van het CNS tussen je bloedbaan
en de hersenen. Het is een selectief filter van cellen dat voorkomt dat schadelijke cellen
vanuit het bloed de hersenen binnendringen, maar tegelijkertijd belangrijke
voedingsstoffen wel doorlaat. Ook zijn er een aantal virussen die slimme manieren
zoeken om erdoorheen te kunnen. Soms kunnen bepaalde dingen ook wel erdoorheen als
het in vet opgelost is.
Dit is te vinden in alle bloedcellen in het zenuwstelsel, en ze zitten dicht op elkaar
(endotheel cellen). In het brein zitten ze bijzonder dicht op elkaar, waardoor er
alleen maar kleine stofjes langs kunnen. Grote stofjes kunnen door actief transport
(met ATP) er ook doorheen. Ook zorgt het voor de regulatie van het
hersenmetabolisme.
ZENUWIMPULSEN
Boodschappen tussen neuronen ontstaan door zowel elektrische signalen als chemische
signalen. Het ontstaat met een elektrisch signaal, wat wordt omgezet tot een chemisch
signaal, wat daarna weer terug wordt gezet in elektrisch signaal. Waarom?
Bijne alle neuronen raken elkaar net niet, waardoor er een chemische vertaalslag
nodig is in de synaps (ruimte tussen de 2 neuronen, is wel echt heel klein).
o Voordeel: het signaal kan hierdoor keer op keer ontstaan, wat betekent dat er
geen verlies is in sterkte van het signaal. Ook is er geen weerstand in de
kracht van het signaal, omdat een nieuw actiepotentiaal met dezelfde
amplitude wordt gemaakt; of wel, of niet vuren.
, Neuronen hebben een rustpotentiaal, wat kan worden gemeten in elektrische gradiënt
(volt: energieverschil tussen + en – pol, kijkt dus naar contrast) of concentratie gradiënt
(mol/m3).
Elektrisch: het energieverschil tussen positief en negatief, waarbij altijd wordt
gekeken naar het verschil tussen binnen en buiten de cel. Een zenuwcel in rust heeft
-70 millivolt of .07 volt. Dit is van groot belang bij neurotransmissie
o In rust is de cel dus wat negatief geladen (ook al zitten er positieve deeltjes
in), dit komt doordat er veel kaliumionen binnen in de cel zitten, en buiten de
cel veel natrium en chloride ionen.
We meten dit rustpotentiaal door in het soma van het neuron een elektrode te
prikken, en een referentie-elektrode buiten de cel. Dit verbindt je aan een
amplifier waardoor het signaal gedigitaliseerd kan worden.
Chemisch: de hoeveelheid van type deeltjes binnen de cel ten opzichte van buiten
de cel.
o Door diffusie verspreidt stof zich langzaam tot het geheel is opgelost, en gaat
de stof naar een plek waar een lage concentratie van die stof is. In het brein
en in een neuron gaan via kleine gaten ionen ook diffuseren. Kalium (zat
binnenin) wordt hierbij naar buiten gedrukt via de poriën, maar dit gaat heel
langzaam, want er kan maar 1 stofje per keer doorheen. Doet dus niet zoveel
met het rustpotentiaal.
Hierom is er ook een natriumkaliumpomp nodig. Dit is een enzym in het celmembraan
van een neuron. Deze staat in rust altijd open en daar kunnen 3 natriumionen in gaan
zitten. ATP kan 1 fosfaatgroep afbreken, en zo energie gebruiken om de poort te sluiten
en de ionen over te brengen naar binnen. 3 natriumionen gaan de cel uit en 2 kalium
ionen gaan naar binnen (na nog een fosfaatgroep die bindt). Hiermee blijft de elektrische
gradiënt (een negatief rustpotentiaal) behouden. Dit is dus actief transport, want het
werkt tegen de concentratie gradiënt in en we hebben ATP nodig.
Actiepotentiaal: hyperpolarisatie (cel in rust). Eerst ontstaat er een drempelwaarde
voor excitatie, dan ontstaat er een sterke depolarisatie (dat is het actiepotentiaal).
Daarna gaat het weer terug naar de hyperpolarisatie, maar in de beginfase daarvan
schiet het wat door, waarin er een absolute refractoire periode is. Dat is een periode
waarin actiepotentiaal niet mogelijk is. Vervolgens gaat het weer terug naar de baseline,
en is het een relatieve refractoire periode, waarin er weer opnieuw gevuurd kan
worden bij een nieuwe stimulans.
Tijdens de depolarisatie, en dus bij een actiepotentiaal gaan er voltage-gated
channels open, die veel groter en sneller zijn dan de poorten waar het 1 voor 1
door kan stromen. Deze channels kunnen ionen doorlaten, zowel natrium als
kalium. Natrium heeft een snel effect en gaat dus snel naar binnen (door wet van
diffusie). Kalium stroomt ietsje langzamer naar buiten, maar dit duurt ook iets
langer. Er is dus vooral een hele sterke depolarisatie, dat kaliumpoort gaat later
pas dicht, waardoor de situatie weer terug gaat naar het rustpotentiaal.
Alles of niets principe: een neuron vuurt altijd met dezelfde snelheid, en dus is de
kracht altijd gelijk (denk aan een wapen). Alleen als de drempelwaarde wordt
overschreden vuurt het, anders blijft het in rust. Zo kan je door het wel of niet vuren
(0 of 1) tot complexe processen komen.
WEEK 1 – DE BOUWSTENEN VAN HET BREIN
Binnen de bio- en neuropsychologie kijken we naar de bi directionele link tussen brein en
gedrag en observaties gaan van klein naar groot via de volgende stappen: moleculaire
wetenschap neuronen (hersencellen) neurale netwerken (clusters / verbindingen)
functionele hersengebieden (fMRI) gedrag. Hebben allemaal met elkaar te maken.
ZENUWSTELSELS
Centrale zenuwstelsel (central nervous system) CNS: het geheel van menselijk
brein en ruggenmerg.
Perifere zenuwstelsel (perifer nervous system) PNS: alle zenuwcellen die niet
in het brein of het ruggenmerg zitten, zoals kopzenuwen, spinale zenuwen,
sympathische zenuwen en parasympatische zenuwen.
RICHTINGEN
Dorsaal: van bovenaf gekeken (rug)
Ventraal: van onderaf gekeken (buik)
Anterior: vanaf voren gezien
Posterior: vanaf achteren gezien (richting de straat)
Rostraal: vergelijkbaar met anterior, maar wordt vaak gebruikt in de context van de
hersenstam
Caudaal: richting beneden en onderen. Vergelijkbaar met posterior
In het brein zitten 100 miljard neuronen en het weegt 1,2 tot 1,4 kilogram. Er zijn
verschillende cellen in het brein waaronder neuronen en gliacellen.
NEURONEN
Neuronen zijn belangrijk voor de communicatie van signalen in het brein. Zij ontvangen
informatie en spelen dit door. Het zijn de informatieverwerkers die echt computingpower
geven voor cognitieve taken. Ze hebben verschillende onderdelen.
Soma (cellichaam): dit is het centrale deel van het neuron en bevat de celkern. Het
regelt de stofwisseling en integreert de binnenkomende signalen.
Celmembraan: bestaat uit een dubbele fosfolipidelaag (lipid bilayer), waarbij de
staarten tegen elkaar aan liggen, en de kopjes van elkaar af. Hierdoor is de cel
semipermeabel en kunnen alleen kleine stofjes hier gemakkelijk doorheen. Er is
actieve energie nodig voor grote stoffen.
Dendrieten (vertakkingen): dit zijn vertakte uitlopers van het neuron die
informatie van andere neuronen ontvangen. Ze geleiden elektrische signalen naar de
soma toe.
Axon: een lange uitloper die elektrische impulsen vanuit de soma naar andere cellen
geleidt. Het axon kan vertakken, en aan het uiteinde bevinden zich de
presynaptische terminals: de uiteinden van het axon waar neurotransmitters
worden vrijgegeven. Deze terminals vormen synapsen met andere neuronen,
spiercellen of kliercellen en zorgen voor de overdracht van signalen naar de volgende
cel.
,Aan de dendrieten (ontvangende) kant, zitten wel vertakkingen, maar signaal wordt
slechts ontvangen aan dendrietenkant en verzonden naar presynaptische terminals. Dit
kan niet de andere kant op.
Door de myelineschede (gliacellen) worden axonen beschermd en kan het
doorgeven van informatie sneller plaatsvinden.
Mensen met een beperking hebben minder vertakkingen (spines), en sommige
vertakkingen zijn bijzonder lang. Je kan dus op celnviveau eigenschappen zien de
geuit worden op gedragsniveau.
Elke cel heeft een celmembraan die bestaat uit een dubbele fosfolipidelaag. De
staarten liggen naar elkaar toe, waardoor je rondom een neuron een dubbele
bescherming hebt. Dit maakt een cel semipermeabel; er is een actief transport nodig
om grotere stoffen zoals aminozuren binnen te krijgen.
Er zijn verschillende soorten neuronen die worden gekenmerkt door de richting waarin de
signaalgeleding gaat.
Afferente neuronen (sensorische neuronen): gaan van het lichaam naar het CNS. Ze
brengen dus informatie binnen, zoals prikkels van zintuigen (afferent = arriveert bij brein)
Efferente neuronen (motorische neuronen): gaan vanaf het CNS naar het lichaam
(spieren of klieren), en sturen dus opdrachten uit om bijvoorbeeld een spier te laten
bewegen (efferent is exit van het brein).
Interneuronen: een neuron (middenin het ruggenmerg) waarvan het axon en de
dendrieten in een enkele structuur liggen. Ze ontvangen informatie en geven dit ook
door, zorgen dus voor de communicatie en verwerking binnen het centrale zenuwstelsel.
Neuronen hebben een vorm die past bij hun functie.
Pyramidal neurons: komen voor in het cerebellum en zijn driehoekig
Bipolar neurons: ene kant 1 axon en ook maar 1 dendriet
Sensorisch neuron
Canyon cell: heeft veel onderlinge verbindingen. Moeten veel verschillende dingen
onthouden op specificaties (komt voor bij bijen)
Purkinje cellen: bevinden zich in het cerebellum, kan ook een rol spelen bij motoriek.
Brein bestaat uit heel veel verschillende lagen die allemaal bestaan uit allerlei
verschillende soorten neuronen.
GLIACELLEN
Gliacellen kunnen worden gezien als meer een soort supporting ‘lijm’, maar ze doen ook
andere dingen die direct effect hebben op de cognitie. Ook spelen ze een rol bij het
opruimen van dode cellen en neurotransmitters, en bij de bloed-brein barrière.
Daarnaast voeden ze de neuronen ook.
Je hebt andere typen gliacellen in het CNS en het PNS.
CNS: ependymal cells, oligodendrocytes, astrocytes (stervormig, belangrijk bij
voeding van neuronen) en microglia cells (ruimen de rommel op)
PNS: satellite cells, schwann cells (myeliniseren neuronen)
,Bij multipele sclerose (MS) gaat het immuunsysteem de cellen in het brein aanvallen
(vooral de gliacellen). Dit zorgt ervoor dat het signaal dan niet snel kan worden
doorgegeven (een ongemyeliniseerd neuron gaat 2 meter per seconden, een
gemyeliniseerd neuron gaat 120 meter per seconden). Bij een MS laesie is de witte stof
verdwenen. De grijze stof zit in het brein aan de buitenkant (cortex), maar in het
ruggenmerg is juist de grijze stof in het midden en de witte stof aan de buitenkant.
TYPEN GLIACELLEN
Astrocyt: is een stervormige cel. Deze is in staat om uit bloedvaatjes
voedingsstoffen te halen, en die vervolgens door te geven aan neuronen. Ze spelen
dus een belangrijke rol bij de voeding van neuronen.
Schwann cell: zit in het PNS, en kan een axon myeliniseren. Dit kan wel maar met 1
per keer.
Oligodendrocyten: hebben ongeveer dezelfde functie als een schwann cell, alleen
bevinden zich in het CNS. Ook kunnen deze cellen meerdere axonen myeliniseren.
Microgliacellen: ruimen de rommel op
Radial gliacel: geeft een rasterwerk waarlangs neuronen kunnen migreren.
Maar: gliacellen spelen naast voeding ook een rol bij cognitie, terwijl hij niet kan
vuren en geen actiepotentiaal kan hebben; een astrocyt kan verschillende
neurotransmitters uit omliggende vloeistof in zich opnemen, en dan ineens alles
loslaten, waardoor omliggende neuronen ineens heel veel neurotransmitter krijgen
en allemaal tegelijk gaan vuren. Dit zorgt voor bepaalde ritmes in het brein die
een rol spelen bij cognitieve taken.
Bloed-breinbarrière: een beschermingsmechanisme van het CNS tussen je bloedbaan
en de hersenen. Het is een selectief filter van cellen dat voorkomt dat schadelijke cellen
vanuit het bloed de hersenen binnendringen, maar tegelijkertijd belangrijke
voedingsstoffen wel doorlaat. Ook zijn er een aantal virussen die slimme manieren
zoeken om erdoorheen te kunnen. Soms kunnen bepaalde dingen ook wel erdoorheen als
het in vet opgelost is.
Dit is te vinden in alle bloedcellen in het zenuwstelsel, en ze zitten dicht op elkaar
(endotheel cellen). In het brein zitten ze bijzonder dicht op elkaar, waardoor er
alleen maar kleine stofjes langs kunnen. Grote stofjes kunnen door actief transport
(met ATP) er ook doorheen. Ook zorgt het voor de regulatie van het
hersenmetabolisme.
ZENUWIMPULSEN
Boodschappen tussen neuronen ontstaan door zowel elektrische signalen als chemische
signalen. Het ontstaat met een elektrisch signaal, wat wordt omgezet tot een chemisch
signaal, wat daarna weer terug wordt gezet in elektrisch signaal. Waarom?
Bijne alle neuronen raken elkaar net niet, waardoor er een chemische vertaalslag
nodig is in de synaps (ruimte tussen de 2 neuronen, is wel echt heel klein).
o Voordeel: het signaal kan hierdoor keer op keer ontstaan, wat betekent dat er
geen verlies is in sterkte van het signaal. Ook is er geen weerstand in de
kracht van het signaal, omdat een nieuw actiepotentiaal met dezelfde
amplitude wordt gemaakt; of wel, of niet vuren.
, Neuronen hebben een rustpotentiaal, wat kan worden gemeten in elektrische gradiënt
(volt: energieverschil tussen + en – pol, kijkt dus naar contrast) of concentratie gradiënt
(mol/m3).
Elektrisch: het energieverschil tussen positief en negatief, waarbij altijd wordt
gekeken naar het verschil tussen binnen en buiten de cel. Een zenuwcel in rust heeft
-70 millivolt of .07 volt. Dit is van groot belang bij neurotransmissie
o In rust is de cel dus wat negatief geladen (ook al zitten er positieve deeltjes
in), dit komt doordat er veel kaliumionen binnen in de cel zitten, en buiten de
cel veel natrium en chloride ionen.
We meten dit rustpotentiaal door in het soma van het neuron een elektrode te
prikken, en een referentie-elektrode buiten de cel. Dit verbindt je aan een
amplifier waardoor het signaal gedigitaliseerd kan worden.
Chemisch: de hoeveelheid van type deeltjes binnen de cel ten opzichte van buiten
de cel.
o Door diffusie verspreidt stof zich langzaam tot het geheel is opgelost, en gaat
de stof naar een plek waar een lage concentratie van die stof is. In het brein
en in een neuron gaan via kleine gaten ionen ook diffuseren. Kalium (zat
binnenin) wordt hierbij naar buiten gedrukt via de poriën, maar dit gaat heel
langzaam, want er kan maar 1 stofje per keer doorheen. Doet dus niet zoveel
met het rustpotentiaal.
Hierom is er ook een natriumkaliumpomp nodig. Dit is een enzym in het celmembraan
van een neuron. Deze staat in rust altijd open en daar kunnen 3 natriumionen in gaan
zitten. ATP kan 1 fosfaatgroep afbreken, en zo energie gebruiken om de poort te sluiten
en de ionen over te brengen naar binnen. 3 natriumionen gaan de cel uit en 2 kalium
ionen gaan naar binnen (na nog een fosfaatgroep die bindt). Hiermee blijft de elektrische
gradiënt (een negatief rustpotentiaal) behouden. Dit is dus actief transport, want het
werkt tegen de concentratie gradiënt in en we hebben ATP nodig.
Actiepotentiaal: hyperpolarisatie (cel in rust). Eerst ontstaat er een drempelwaarde
voor excitatie, dan ontstaat er een sterke depolarisatie (dat is het actiepotentiaal).
Daarna gaat het weer terug naar de hyperpolarisatie, maar in de beginfase daarvan
schiet het wat door, waarin er een absolute refractoire periode is. Dat is een periode
waarin actiepotentiaal niet mogelijk is. Vervolgens gaat het weer terug naar de baseline,
en is het een relatieve refractoire periode, waarin er weer opnieuw gevuurd kan
worden bij een nieuwe stimulans.
Tijdens de depolarisatie, en dus bij een actiepotentiaal gaan er voltage-gated
channels open, die veel groter en sneller zijn dan de poorten waar het 1 voor 1
door kan stromen. Deze channels kunnen ionen doorlaten, zowel natrium als
kalium. Natrium heeft een snel effect en gaat dus snel naar binnen (door wet van
diffusie). Kalium stroomt ietsje langzamer naar buiten, maar dit duurt ook iets
langer. Er is dus vooral een hele sterke depolarisatie, dat kaliumpoort gaat later
pas dicht, waardoor de situatie weer terug gaat naar het rustpotentiaal.
Alles of niets principe: een neuron vuurt altijd met dezelfde snelheid, en dus is de
kracht altijd gelijk (denk aan een wapen). Alleen als de drempelwaarde wordt
overschreden vuurt het, anders blijft het in rust. Zo kan je door het wel of niet vuren
(0 of 1) tot complexe processen komen.