Week 1: Agencyproblems
Het vennootschaps- en rechtspersonenrecht is gericht op realisering van een
aantal maatschappelijke en economisch essentiële doelen, primair de
ontwikkeling van de welvaart.
Van de stakeholders (aandeelhouders, werknemers, toeleveranciers,
klanten), maar ook van derden (Kraakman c.s. §1.5, p. 23): “the
pursuit of overall social welfare”). Het biedt tegelijkertijd ook een
spanningsveld.
Faciliteert het handelsverkeer en economische samenwerking tussen
meerdere personen binnen ondernemingen waarmee ‘transaction- en
coördination costs” vermeden worden.
Biedt juridische entiteit (rechtspersoon) met een afgescheiden vermogen
zodat de rechten en plichten met betrekking tot een bepaalde activiteit
afgezonderd kunnen worden.
Biedt beschermingen van het handelsverkeer door bieden van
duidelijkheid (vertegenwoordigingsregels; werking van het
handelsregister).
Faciliteert het (als aandeelhouder) investeren in ondernemingen zonder
of met beperkt risico van persoonlijke aansprakelijkheid ‘limited liability’.
Aandeelhouders zijn ‘residual claimants’ ontvangen daarmee pas
rendement als er winst resteert en staan bij faillissement in beginsel
achteraan.
Het bestuur van de rechtspersoon wordt door de aandeelhouders
(‘principals’) overgelaten aan bestuurders/managers (‘agents’).
o Agengy problems doen zich voor in de relatie tussen een
opdrachtgever (‘principal’) en de vertegenwoordiger van zijn
belangen (‘agent’).
Faciliteert het bijeenbrengen van financiële middelen om economische
activiteiten te ontwikkelen.
Maakt dat daardoor investeerders/aandeelhouders hun risico’s spreiden.
Kent een variëteit aan aandeelhouders, zowel ‘retail-aandeelhouders’ als
institutionele aandeelhouders (pensioenfondsen, verzekeraars en
(internationale) vermogensbeheerders).
Overdraagbaarheid (‘transferability’) van aandelen waardoor vermogen
aandeelhouders flexibel en liquide is.
Faciliterende functie (Kraakman c.s. §1.1, p. 1 & §1.4.1, p. 18): Het
vennootschapsrecht heeft een faciliterende functie doordat het een juridisch
kader biedt waarbinnen ondernemingen kunnen worden opgericht en
georganiseerd. Daarbij staat de vrijheid om te ondernemen centraal. Het
vennootschapsrecht biedt ondernemingen beleidsvrijheid en mogelijkheden tot
maatwerk, zodat zij hun interne organisatie en onderlinge verhoudingen naar
eigen inzicht kunnen vormgeven.
Regulerende functie (Kraakman c.s. §1.1, p. 2 & §1.4.1, p. 19): Het
vennootschapsrecht heeft een regulerende functie doordat het regels stelt aan
de inrichting en het functioneren van ondernemingen. Deze regels beogen
enerzijds duidelijkheid en rechtszekerheid te bieden over de onderlinge
verhoudingen binnen de vennootschap en anderzijds bepaalde belangen te
1
,beschermen, zoals die van aandeelhouders, crediteuren en andere
belanghebbenden.
De balans tussen beide functies (Kraakman c.s. §1.4.1, p. 19): De
wetgever moet een evenwicht vinden tussen ondernemingsvrijheid en de
bescherming van belangen. Daarbij moet worden afgewogen in hoeverre
overheidsingrijpen noodzakelijk is of dat bepaalde kwesties aan de markt of
zelfregulering kunnen worden overgelaten. Ook de administratieve lasten voor
ondernemingen, het publiek en de overheid spelen hierbij een rol.
Een belangrijk kenmerk van de vennootschap (rechtseconomisch perspectief) is
dat de personen die investeren niet noodzakelijk dezelfde personen zijn als
degenen die de onderneming besturen. Aandeelhouders zijn in
rechtseconomische termen de principals en bestuurders de agents.
Hierdoor kunnen belangenconflicten ontstaan: agency problems. Het
vennootschapsrecht probeert deze conflicten te beheersen door verschillende
control rights. Daarbij worden drie agency problems onderscheiden.
De drie agency problems zijn (Kraakman c.s. §1.1, p. 2):
1. Aandeelhouders ↔ bestuur;
2. Meerderheid ↔ minderheid;
3. Vennootschap ↔ derden/maatschappij.
1. Aandeelhouders ↔ bestuurders
Het bestuur beschikt over het geïnvesteerde vermogen (Kraakman c.s.
§1.2.4, p. 11-12), terwijl de aandeelhouders dit vermogen hebben ingebracht
(Kraakman c.s. §1.1, p. 2). Het risico bestaat dat bestuurders andere
belangen nastreven dan de belangen die zij bij het besturen behoren te dienen.
Het V&R probeert dit onder meer te beheersen door:
De eis van behoorlijk bestuur (art. 2:9 BW): bestuurders moeten
handelen in het belang van de aandeelhouders;
Regels over tegenstrijdig belang (bij de NV art. 2:129 lid 6 BW):
voorkomen dat bestuurders transacties met tegenstrijdige belangen
aangaan waardoor ze zichzelf verrijken ten koste van de aandeelhouders
(Kraakman c.s. §1.6, p. 27);
Bevoegdheden van aandeelhouders, zoals benoeming en ontslag van
bestuurders (Kraakman c.s. §1.2.4, p. 12);
Goedkeuringsrechten van de AVA bij bepaalde ingrijpende
bestuursbesluiten (vgl. art. 2:107a BW) (Kraakman c.s. §1.2.4, p.
12).
Het bredere machtsspel tussen bestuur, RvC en aandeelhouders wordt
aangeduid als corporate governance.
2. Meerderheidsaandeelhouders ↔ minderheidsaandeelhouders
(concentrated share ownership)
Een meerderheidsaandeelhouder kan door zijn stemmacht de besluitvorming
beheersen en daarbij onvoldoende rekening houden met
minderheidsaandeelhouders (Kraakman c.s. §1.2.4, p. 12).
Bescherming wordt onder meer geboden door:
Het beginsel van gelijke behandeling van aandeelhouders (art. 2:92 lid
2
, 2 BW);
Regulering/limitering van afwijkingen van het uitgangspunt one share –
one vote (Kraakman c.s. §1.2.5, p. 13;, bijvoorbeeld bij meervoudig
stemrecht (dual class shares) (Kraakman c.s. §1.4.1, p. 18);
Regulering van transacties met verbonden partijen (related party
transactions, art. 2:167-170 BW): voorkomen dat alleen de DGA
zichzelf verrijkt met het sluiten van een transactie (Kraakman c.s.
§1.6, p. 27);
De redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW. Besluiten die hiermee in
strijd zijn, kunnen op grond van art. 2:15 lid 1 sub b BW vernietigbaar
zijn.
3. Vennootschap ↔ derden/maatschappij
Het derde agency problem betreft de externe verhouding tussen de
vennootschap en onder meer werknemers, crediteuren, klanten en de
maatschappij (‘externalities’).
Een vennootschap kan door haar handelen kosten veroorzaken die zij niet zelf
draagt (Kraakman c.s. §1.1, p. 9). Dit worden externalities genoemd
(Kraakman c.s. §1.5, p. 23). Denk bijvoorbeeld aan milieuschade.
Deze problematiek wordt onder meer gereguleerd door:
1. Publicatie van de jaarrekening en daarmee transparantie voor
crediteuren;
2. Arbeids-, medezeggenschaps-, milieu- en mededingingsrecht;
3. Aansprakelijkheid via art. 6:162 BW;
4. Regelgeving over zorgvuldigheid en duurzaamheid, waaronder CSRD en
CSDDD (Kraakman c.s. §1.5, p. 24).
Belangrijke Onderwerp
Agency problem pagina's
Kraakman
c.s.
Algemeen – drie p. 2 (§ 1.1) Onderscheid tussen de drie agency
agency problems problems en de functie van het
vennootschapsrecht.
1. Aandeelhouders ↔ p. 2 (§ 1.1) Scheiding tussen eigendom en
bestuurders zeggenschap (separation of
ownership and control).
p. 11–12 (§ Zelfstandige bestuursbevoegdheid,
1.2.4) benoeming bestuurders en control
rights van aandeelhouders.
p. 27 (§ 1.6) Bescherming tegen opportunistisch
gedrag van bestuurders.
2. Meerderheid ↔ p. 12 (§ 1.2.4) Zelfstandige positie bestuur en
minderheid bescherming
minderheidsaandeelhouders.
p. 13 (§ 1.2.5) Verdeling van stemrechten en
winstrechten naar kapitaalinbreng.
p. 18 (§ 1.4.1) One share – one vote en afwijkingen
daarvan.
p. 27 (§ 1.6) Eigendomsconcentratie en
bescherming tegen controlerende
3