7 openvragen tentamen + leeswijzer krijg je erbij
13 januari 2026
De literatuur kan je helpen bij de stof te begrijpen. Houdt de leerdoelen bij
het lezen van de literatuur en kijk wat je moet leren en wat je dus niet
moet leren!
HC1: Genetica en syndromen.....................................................3
Leerdoelen:.....................................................................................3
Oorzaken verstandelijke beperking...................................................3
Spoedcursus biologie.......................................................................4
Syndromen (genetische afwijkingen)................................................8
Downsyndroom:.......................................................................................................... 8
Fragiele X syndroom:................................................................................................... 9
Prader-Willi:............................................................................................................... 10
Angelman syndroom:................................................................................................ 11
Rett syndroom:.......................................................................................................... 12
HC2/3: Inleiding personen met een verstandelijke beperking.... .13
Leerdoelen:...................................................................................13
Verstandelijke beperking................................................................13
AAIDD-model: American Association................................................16
Gezondheid....................................................................................17
Implicaties voor de praktijk............................................................18
HC4: Diagnostiek en interventies bij mensen met een (zeer)
ernstig en meervoudige beperking...........................................19
Leerdoelen:...................................................................................19
Diagnostiek...................................................................................19
Interventies...................................................................................20
interventie Perspectief...................................................................22
interventie Snoezelen.....................................................................26
HC5: Diagnostiek motorische beperkingen................................28
Leerdoelen:...................................................................................28
Algemene informatie over motoriek................................................28
Kinderrevalidatie...........................................................................28
ICF-model......................................................................................30
Diagnosegroepen kinderrevalidatie:................................................32
Developmental Coordination Disorder (DCD):...........................................................40
HC6: Interventies motorische beperkingen................................42
Leerdoelen:...................................................................................42
, Interventies door psychologen/orthopedagogen in de kinderrevalidatie
.....................................................................................................43
1. Psychosociale interventies (gedragsmatige interventies).............43
Cognitieve gedragstherapie (CGT)............................................................................43
Verschil CGT en ACT:................................................................................................. 49
2. Cognitieve interventies..............................................................50
Cognitieve revalidatie................................................................................................ 50
Cognitive Orientation to daily Occupational Performance (CO-OP):...........................53
Gedachtegoed van een interventie (gezin/ouders)...........................55
Gezinsgerichte zorg/ouderondersteuning (family centered care):.............................55
Kortom..........................................................................................56
HC7: Diagnostiek personen met zintuigelijke beperkingen (ZB). .57
Leerdoelen:...................................................................................57
Diagnostiek bij kinderen met ZB.....................................................57
Personen met visuele beperkingen..................................................58
Visuele beperking (WHO):......................................................................................... 58
Blindheid:.................................................................................................................. 58
Kinderen met visuele beperking................................................................................58
Personen met auditieve beperkingen..............................................61
Gradatie van auditieve beperkingen:........................................................................61
Kinderen met auditieve beperkingen:.......................................................................61
Personen met doofblindheid...........................................................63
Subgroepen:.............................................................................................................. 63
Kinderen met aangeboren doofblindheid...................................................................64
Adviezen voor assessment (Damen et al. 2020):......................................................64
Verdere perspectieven assessment bij doofblind:(Boers, 2015; Nicholas, 2020):......64
HC8: Interventies personen met zintuigelijke beperkingen (ZB)..65
Inleiding interventies.....................................................................65
Behandelvormen bij zintuiglijke beperkingen:...........................................................65
Hulpmiddelen................................................................................66
Visuele beperking...................................................................................................... 66
Auditieve beperking.................................................................................................. 66
Doofblind................................................................................................................... 66
Effectstudies..................................................................................68
Drie interventiestudies...................................................................69
Conclusie studies:..................................................................................................... 71
,HC1: Genetica en syndromen
LEERDOELEN:
Je kent de meest voorkomende oorzaken van een VB
Je weet wat genotype en (gedrags)fenotype is
Je kent de genetische defecten die leiden tot een genetische
aandoening
Je kent kenmerken van syndromen
Je kunt van de kenmerken van de syndromen aangeven of het om
totale of partiële specificiteit gaat
OORZAKEN VERSTANDELIJKE BEPERKING
Oorzaken van een Verstandelijke Beperking (VB):
1. Onbekend, meestal weten we niet hoe het komt dat iemand een VB
heeft.
2. Single genen en chromosoomafwijkingen
3. Metabole zieketen, erfelijke stofwisselingsziekte
4. FAS en andere vergiftigen (heb je invloed op)
5. Ontstaan gedurende zwangerschap
6. Ontstaan rondom bevalling
7. Congenitale aandoening van centraal zenuwstelsel
Genetische aandoeningen:
Er zijn veel verschillende aandoeningen waarbij een verstandelijke
beperking hoort, ongeveer 1700 aandoeningen. Hoe erger de VB, dan
wordt dit vaak 50% door een genetische afwijking veroorzaakt, is het een
lichte VB, dan wordt dit vaak 20% veroorzaakt door een genetische
afwijking.
Waarom is het kennen van de genetische oorzaak van VB van
belang?
Voordeel: Je hebt begrip, onschuldigen, voorspellen voor eventuele
vervolg kinderen of aanpassingen binnen zwangerschap,
behandelen, aanpassen omgeving.
Nadeel: Redenen om het niet te willen weten? Maak het uit om het
te weten? Geloofsovertuigingen, er is geen aanleiding om het te
weten.
Oorzakenleer/etiologie:
Genotype = zit binnenin en kun je niet zien bij iemand. Wat zorgt
voor een fenotype.
Fenotype = hoe het tot uiting komt (wat je ziet bij iemand).
Variabiliteit binnen syndromen
, S
P
O
E
D
C
U
R
S
U
S
BIOLOGIE
Een lichaam heeft heel veel cellen. Hierin zit een celkern, in de
celkern zitten chromosomen. Hierin zitten 23 chromosoomparen en
46 chromosomen.
In de 23e chromosoompaar zit een groot verschil, dat is het paar
waar het geslacht wordt bepaald. Een vrouw heeft twee XX-
chromosoom, een man heeft een XY-chromosoom. Op de
chromosomen zitten genen wat DNA is. Elke klein stukje gen zegt
iets over de persoon; het haar, de lengte, het karakter, etc. De helft
krijg je van je moeder en de ander helft van je vader.
Miskraam: ontstaat doordat er heel veel chromosoomafwijkingen
zijn. Dit gaat niet goed en staat het lichaam af, het wordt
afgebroken.
Afwijkingen op chromosoom niveau:
1) Trisomieën = in een chromosoompaar heb je geen paar van 2,
maar een trio, en dit kan niet. Je hebt hierdoor extra genetisch
materiaal gekregen. Dit kan voor problemen zorgen, maar ook niet.
Hoe ouder de moeder is, hoe sterker dit voorkomt.
De meest voorkomende chromosoomparen zijn op 13, 18, 21,
is het op het 16e chromosoompaar dan word je niet levend
geboren.
Chromosoompaar 21 is het
downsyndroom.
Ontstaat door de celdeling, je
bent begonnen met een cel
met twee chromosomen die