H2. HET ONDERZOEKSPLAN....................................................................................2
PROBLEEMSTELLING: WAT EN WAAROM?............................................................................................ 2
ONDERZOEK ONTWERP: HOE?......................................................................................................... 3
ETHISCHE OVERWEGINGEN:............................................................................................................. 4
PRAKTISCHE OVERWEGINGEN:.......................................................................................................... 4
H3. BENADERINGEN VAN ONDERZOEK.....................................................................5
H4. THEORIEËN, HYPOTHESEN EN OPERATIONALISATIES........................................10
H5. GROOTSCHALIG VELDONDERZOEK..................................................................17
NIET-KANS STEEKPROEF............................................................................................................... 20
H6. EXPERIMENT.................................................................................................. 24
ALTERNATIEVE VERKLARINGEN:...................................................................................................... 27
H10. GEBRUIK VAN BESTAANDE GEGEVENS...........................................................31
DATA-ARCHIEVEN:....................................................................................................................... 32
,H2. Het onderzoeksplan
Waarom een onderzoeksplan:
- Afleggen van verantwoording
- Beslissingen controleren
- Wetenschappelijke integriteit (= het onderzoek wordt zorgvuldig,
transparant, eerlijk en verantwoordelijk uitgevoerd door de onderzoeker.)
Paradigma = stelsel van opvattingen over de beste manier van
wetenschappelijk onderzoek uitvoeren. Waar moet wetenschappelijke theorie
aan voldoen?
Het onderzoeksplan
Probleemstelling: wat en waarom?
1) Vraagstelling: wat wil je onderzoeken?
Beschrijvende vraagstelling = wie, wat welke, wanneer en hoe?
- Beschrijvende trend vraagstelling = er worden twee
tijdstippen vergeleken met elkaar.
- Beschrijvende vergelijkende/comparatieve
vraagstelling = er worden twee locaties vergeleken met
elkaar.
Verklarende vraagstelling = een verklaring zoeken voor een
verschijnsel, hoe komt het dat, waarom, waardoor en wat is de
reden voor? (Je zoekt een hypothese uit eerdere onderzoeken.)
Voorspellende vraagstelling = concrete voorspellingen die
verwacht worden aan te treffen in het onderzoek, tot welke … leidt,
wat gebeurt er als gevolg van?
Causale vraagstelling = verklarende en voorspellende
vraagstellingen, verschijnsel A veroorzaakt verschijnsel B, alleen
als:
1. A eerder was dan B
2. A en B een samenhang hebben
3. Er geen derde variabele is.
Onderzoekseenheid = op wie heeft de onderzoeksvraag
betrekking, wie?
Onderzoek kenmerk = wat ga je meten bij onderzoekseenheden,
de variabelen uit het onderzoek?
2) Doelstelling: waarom wil je onderzoeken?
Fundamenteel onderzoek = een kennisprobleem, de
onderzoeker wil meer kennis en inzicht krijgen om het
kennisprobleem op te lossen (wetenschappelijke relevantie).
- Hiaten = iets wat je mist in wetenschappelijke kennis.
- Valorisatie = impact, voor wie zijn der resultaten van het
onderzoek bruikbaar, is het waardevol?
- Vraagstelling > doelstelling > theoretisch raamwerk
Praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek = een praktisch
probleem van aanwijsbare mensen/groepen in de samenleving, de
onderzoeker wil kennis en inzichten aandragen voor het vinden van
2
, een oplossing voor het praktisch probleem (maatschappelijke
relevantie)
- Doelstelling > vraagstelling
- A.d.h.v. een opdrachtgever
Explorerend onderzoek = er is weinig kennis over het onderwerp
waar onderzoek naar wordt gedaan.
Toetsend onderzoek = er is voldoende kennis over het
onderwerp waar onderzoek naar wordt gedaan, er wordt hier
gekeken of de kennis juist is, vooraf duidelijke hypothesen gesteld.
Houdt rekening met de ethische aspecten!
3) Theoretisch raamwerk: vanuit welk theoretisch raamwerk ga je dit
onderzoeken? (= verzameling van concepten; maatschappelijke
verschijnselen, en de onderlinge samenhang daartussen.)
Weergave in een conceptueel model, er worden verbanden tussen
begrippen verbeeld, wat zorgt voor denkbeelden van relaties.
Mediërende factor = het tussenliggende variabele verklaart
hoe/wat de relatie tussen A en B is. (De mediërende factor van de
onafhankelijke variabel op de afhankelijke variabele verloopt via
een andere variabele, een derde variabele.)
Mediërende factor
(verwerking lesstof)
Variabel A Variabele B
(manier van aantekeningen) (begrip hoorcollege)
Moderende (interacterende) factor = variabele die de
sterke/richting van relatie tussen A en B verandert. (De moderende
factor heeft invloed op de relatie tussen de onafhankelijke en
afhankelijke variabele, een derde variabele.)
Moderende factor
(kennis van lesstof)
Variabel A Variabele B
(manier van aantekeningen) (begrip hoorcollege)
Je kunt ook beide factoren hebben.
Afhankelijke variabele: begrip van hoorcollege
Onafhankelijke variabele: manier van aantekeningen
Onderzoek ontwerp: hoe?
4) Onderzoeksdesign: hoe wil je je onderzoek opzetten?
Zorgt voor structuur voor dataverzameling
Mate van controle die onderzoeker nodig heeft
Het tijdperspectief:
- Retroperspectief onderzoek = onderzoek naar het verleden.
- Snapshots = onderzoek naar het heden.
- Pro perspectief onderzoek = onderzoek naar de toekomst.
3
, - Retro-prospectieve onderzoek = onderzoek naar het verleden
van een bepaald punt, deze vergelijken met elkaar.
- Longitudinaal onderzoek = onderzoek wordt meerdere malen
herhaald met dezelfde vragen en dezelfde groep.
5) Dataverzamelingsplan: wat voor data wil je verzamelen?
Kwantitatief onderzoek = voor gestructureerde
dataverzameling.
- Frequentievragen: hoeveel, hoe vaak?
- Verschilvragen: in welk mate verschil, voor- en nadelen?
- Samenhangvragen: is er een relatie tussen A en B?
Kwalitatief onderzoek = tekst verzamelen.
Mixed methodes = zowel kwantitatief als kwalitatief onderzoek
gebruiken.
6) Steekproefplan: bij wie wil je data verzamelen?
7) Wanneer wil je data verzamelen?
8) Waar wil je die data verzamelen?
Primair onderzoek = de onderzoeker verzamelt zelf data om de
vraagstelling te beantwoorden. Je kijkt naar de plaats waar het
onderzoek wordt uitgevoerd.
Secundair onderzoek = de onderzoeker maakt gebruik van
bestaande data die al eerder zijn verzameld, deze gebruiken ze om
hun vraagstelling te beantwoorden.
9) Data-analyseplan: hoe wil je die data analyseren?
Kwalitatieve data-analyse = de beschrijving van
personen/situaties staan centraal.
Etnografisch onderzoek = de onderzoeker neemt deel aan het
veld en verzameld teksten
Experiment/grootschalig veldonderzoek = de onderzoeker
spoort de verschillende van groepen van elkaar op.
10) Hoe wil je rapporteren?
Ethische en praktische overwegingen in onderzoek
Ethische overwegingen:
Onderzoekers zijn verantwoordelijk voor de gevolgen van de beslissingen die
zijn nemen in het onderzoeksproces. Daarom moet een onderzoeksplan altijd
worden voorgelegd aan de Ethische Commissie van Mens gebonden
Onderzoek. Er kan hierbij een informed consent worden aangevraagd door
de commissie (= ethische commissie gaat na over de deelnemers volledig en
juist zijn geïnformeerd over de deelname van het onderzoek.)
Praktische overwegingen:
Het is belangrijk om te kijken naar beschikbare tijd en geld. Doormiddel van
een tijdsplan kan de onderzoeker structuur geven aan het onderzoek.
Daarnaast laat het zien of het onderzoek haalbaar is of niet.
4