Hoorcollege 1 (08/09)
Introductie en physiological needs Hoofdstuk 1, 2 & 4
Motivatie = willen (verandering)
Interne processen geven gedrag:
1. Energie → kracht, intensiteit
2. Richting → een doel
3. Persistentie → volhouden
Motivatie bestaat uit interne motieven, die we in 3 categorieën kunnen indelen:
1. Needs
a. Physiological needs
b. Psychological needs
2. Cognities
a. Zelfregulatie
b. Mindset
c. Control beliefs
3. Emoties
a. Emoties
b. Emotieregulatie
Multidisciplinaire perspectief
● Het naast elkaar leggen van meerdere (sub) disciplinaire benaderingen
● Samen weten we meer dan alleen
● 4 stappen op basis van de methode van Repko
Biologische behoeften
Een biologische behoefte zet gedrag in gang.
Psychologische drive = aandacht scannen waar je bv. water
zou kunnen krijgen en niet wat er in je context is. De drive
leidt tot motivatie en doelgericht gedrag.
3 soorten behoeften (in het boek): dorst, honger, seks.
,Honger als casus voor zelfsturing
● Waarom eten we niet gewoon wanneer we honger hebben en stoppen we wanneer
we verzadigd zijn?
● Hoe worden lichamelijke signalen motivatie?
● Waar eindigt biologische regulatie en waar begint zelfsturing?
● Hoeveel ruimte is er überhaupt voor zelfsturing?
Eetgedrag: gereguleerd door meerdere systemen
● Homeostatisch; hedonisch; cognitief en sociaal
● Gedragscirkel niet fout, maar onvolledig
● Interne, externe en psychologische inputs komen allemaal samen in motivatie om te
eten
→ Honger is geen uniforme lichamelijke sensatie
Het lichaam signaleert honger en verzadiging
● Ghreline uit de maag bevordert honger
● Na het eten geven darmhormonen (bv. GLP-1) verzadigingssignalen af
● Leptine informeert de hersenen over de energie reserves op langere termijn
● De hersenen integreren deze signalen
Een lichamelijk signaal is geen gedragscommando
● Honger vergroot de kans op eten, maar bepaalt het gedrag niet rechtstreeks
● Geur, zichtbaarheid, portiegrootte, gewoonte en sociale situaties kunnen lichamelijke
signalen overstemmen.
Mensen verschillen in intern gereguleerd eten
Emotioneel eten
Conclusie: ideeën van mensen over zichzelf als emotionele eter lijken niet altijd te
corresponderen met hun daadwerkelijke eetgedrag als ze emotioneel zijn.
Hoorcollege 2A (11/09)
Psychological needs Hoofdstuk 3 & 5
In dit hoorcollege en het volgende hoorcollege worden de 4 disciplines besproken.
Psychologische behoeften binnen de ontwikkelingspsychologie
Psychologische behoeften
= A psychological nutrient that is essential for individual’s adjustment, integrity and growth.
1. Autonomie
a. Je leven een richting kunnen geven zoals jij het belangrijk vindt
, 2. Competentie
a. Of je in staat bent iets te doen/op zoek naar uitdaging/gevoel van
bekwaamheid
3. Verbondenheid
a. Hechte relaties hebben
→ Deze 3 zijn vrij universeel en niet cultureel verschillend.
● De omgeving waarin we opgroeien speelt een belangrijke rol in het vervullen van de
behoeften. De behoeften staan niet op zichzelf.
● Het is een dual-proces model
● Need frustration is iets anders dan het niet ervaren van need satisfaction
Iedere fase van de ontwikkeling zijn er andere ontwikkelingstaken en dus ook andere
behoeften die centraal staan op een andere leeftijd.
Eerste levensjaren
● Ontwikkelingstaken: vertrouwen en hechting
○ Verbondenheid en autonomie
● Belangrijk = ouderlijke sensitiviteit
○ Warmte, betrokken, responsief (positieve en negatieve ervaringen)
● 2 concepten zijn belangrijk:
○ Veilige haven: altijd kunnen terugvallen op de ouders (verbondenheid)
○ Veilige basis: de basis van waaruit een kind de buitenwereld kan ontdekken
(autonomie).
Peuter/kleutertijd
● Ontwikkelingstaken: behoeften herkennen, keuzes maken, emotieregulatie
○ Autonomie en competentie
● Invloed van cognitieve vaardigheden
○ Nog (verder) ontwikkelen: Theory of Mind, gevolgen inschatten,
meta-cognitieve vaardigheden
● Structuring wordt belangrijk in interacties met de omgeving (ondersteunt
competentiebeleving)
, ○ Omgeving kan helpen om bijvoorbeeld feedback te geven.
Studie
● 3 condities: taking over, teaching en de baseline
● Conclusie: de taking over conditie heeft minder competentie ervaren en zetten dus
minder door (ze doen er korter over)
○ Het teaching effect heeft niet zoveel invloed.
→ Het is lastiger om de competentie te vergroten dan om de competentie te verlagen.
Basisschool leeftijd
● De meeste kinderen zijn leergierig en intrinsiek gemotiveerd
○ Autonomie en competentie
● Belangrijk dat de omgeving het maken van fouten ondersteunt
● Bv. in schoolcontext: hoe geef je instructie en feedback?
Autonomie controlling vs. supportive
A = autonomie ondersteunend
● Je hebt meer keus dan bij B
● Er is ruimte voor fouten dus kan
je meer proberen
B = autonomie controlerend
● Weinig ruimte voor het maken
van fouten
→ Een ondersteunende stijl heeft meer
effect op autonomie en competentie.
Het heeft ook gevolgen voor: een
toename van de intrinsieke motivatie +
het gedrag (bij competentie).
Competentiebeleving
Heel veel cijfers geven is een externe beloning, ze moeten de toetsen maken → minder
autonomie. Als je veel slechte cijfers haalt, kan dat slecht zijn voor je competentiebeleving.
Cijfers gebruiken die wel autonomie/competentie ondersteunen:
● Uitdaging op juiste niveau
● Duidelijke verwachtingen
● Sturing tijdens proces (uitleg, strategieën, reminders, hulp waar nodig)
● Feedback
● Leren omgaan met fouten
Adolescentie
● Ontwikkelingstaken: identiteitsontwikkeling + een toename van de onafhankelijkheid
○ Autonomie en verbondenheid
● Focus gaat van gezin naar andere sociale relaties
● Wie ben ik? Wat wil ik?
Introductie en physiological needs Hoofdstuk 1, 2 & 4
Motivatie = willen (verandering)
Interne processen geven gedrag:
1. Energie → kracht, intensiteit
2. Richting → een doel
3. Persistentie → volhouden
Motivatie bestaat uit interne motieven, die we in 3 categorieën kunnen indelen:
1. Needs
a. Physiological needs
b. Psychological needs
2. Cognities
a. Zelfregulatie
b. Mindset
c. Control beliefs
3. Emoties
a. Emoties
b. Emotieregulatie
Multidisciplinaire perspectief
● Het naast elkaar leggen van meerdere (sub) disciplinaire benaderingen
● Samen weten we meer dan alleen
● 4 stappen op basis van de methode van Repko
Biologische behoeften
Een biologische behoefte zet gedrag in gang.
Psychologische drive = aandacht scannen waar je bv. water
zou kunnen krijgen en niet wat er in je context is. De drive
leidt tot motivatie en doelgericht gedrag.
3 soorten behoeften (in het boek): dorst, honger, seks.
,Honger als casus voor zelfsturing
● Waarom eten we niet gewoon wanneer we honger hebben en stoppen we wanneer
we verzadigd zijn?
● Hoe worden lichamelijke signalen motivatie?
● Waar eindigt biologische regulatie en waar begint zelfsturing?
● Hoeveel ruimte is er überhaupt voor zelfsturing?
Eetgedrag: gereguleerd door meerdere systemen
● Homeostatisch; hedonisch; cognitief en sociaal
● Gedragscirkel niet fout, maar onvolledig
● Interne, externe en psychologische inputs komen allemaal samen in motivatie om te
eten
→ Honger is geen uniforme lichamelijke sensatie
Het lichaam signaleert honger en verzadiging
● Ghreline uit de maag bevordert honger
● Na het eten geven darmhormonen (bv. GLP-1) verzadigingssignalen af
● Leptine informeert de hersenen over de energie reserves op langere termijn
● De hersenen integreren deze signalen
Een lichamelijk signaal is geen gedragscommando
● Honger vergroot de kans op eten, maar bepaalt het gedrag niet rechtstreeks
● Geur, zichtbaarheid, portiegrootte, gewoonte en sociale situaties kunnen lichamelijke
signalen overstemmen.
Mensen verschillen in intern gereguleerd eten
Emotioneel eten
Conclusie: ideeën van mensen over zichzelf als emotionele eter lijken niet altijd te
corresponderen met hun daadwerkelijke eetgedrag als ze emotioneel zijn.
Hoorcollege 2A (11/09)
Psychological needs Hoofdstuk 3 & 5
In dit hoorcollege en het volgende hoorcollege worden de 4 disciplines besproken.
Psychologische behoeften binnen de ontwikkelingspsychologie
Psychologische behoeften
= A psychological nutrient that is essential for individual’s adjustment, integrity and growth.
1. Autonomie
a. Je leven een richting kunnen geven zoals jij het belangrijk vindt
, 2. Competentie
a. Of je in staat bent iets te doen/op zoek naar uitdaging/gevoel van
bekwaamheid
3. Verbondenheid
a. Hechte relaties hebben
→ Deze 3 zijn vrij universeel en niet cultureel verschillend.
● De omgeving waarin we opgroeien speelt een belangrijke rol in het vervullen van de
behoeften. De behoeften staan niet op zichzelf.
● Het is een dual-proces model
● Need frustration is iets anders dan het niet ervaren van need satisfaction
Iedere fase van de ontwikkeling zijn er andere ontwikkelingstaken en dus ook andere
behoeften die centraal staan op een andere leeftijd.
Eerste levensjaren
● Ontwikkelingstaken: vertrouwen en hechting
○ Verbondenheid en autonomie
● Belangrijk = ouderlijke sensitiviteit
○ Warmte, betrokken, responsief (positieve en negatieve ervaringen)
● 2 concepten zijn belangrijk:
○ Veilige haven: altijd kunnen terugvallen op de ouders (verbondenheid)
○ Veilige basis: de basis van waaruit een kind de buitenwereld kan ontdekken
(autonomie).
Peuter/kleutertijd
● Ontwikkelingstaken: behoeften herkennen, keuzes maken, emotieregulatie
○ Autonomie en competentie
● Invloed van cognitieve vaardigheden
○ Nog (verder) ontwikkelen: Theory of Mind, gevolgen inschatten,
meta-cognitieve vaardigheden
● Structuring wordt belangrijk in interacties met de omgeving (ondersteunt
competentiebeleving)
, ○ Omgeving kan helpen om bijvoorbeeld feedback te geven.
Studie
● 3 condities: taking over, teaching en de baseline
● Conclusie: de taking over conditie heeft minder competentie ervaren en zetten dus
minder door (ze doen er korter over)
○ Het teaching effect heeft niet zoveel invloed.
→ Het is lastiger om de competentie te vergroten dan om de competentie te verlagen.
Basisschool leeftijd
● De meeste kinderen zijn leergierig en intrinsiek gemotiveerd
○ Autonomie en competentie
● Belangrijk dat de omgeving het maken van fouten ondersteunt
● Bv. in schoolcontext: hoe geef je instructie en feedback?
Autonomie controlling vs. supportive
A = autonomie ondersteunend
● Je hebt meer keus dan bij B
● Er is ruimte voor fouten dus kan
je meer proberen
B = autonomie controlerend
● Weinig ruimte voor het maken
van fouten
→ Een ondersteunende stijl heeft meer
effect op autonomie en competentie.
Het heeft ook gevolgen voor: een
toename van de intrinsieke motivatie +
het gedrag (bij competentie).
Competentiebeleving
Heel veel cijfers geven is een externe beloning, ze moeten de toetsen maken → minder
autonomie. Als je veel slechte cijfers haalt, kan dat slecht zijn voor je competentiebeleving.
Cijfers gebruiken die wel autonomie/competentie ondersteunen:
● Uitdaging op juiste niveau
● Duidelijke verwachtingen
● Sturing tijdens proces (uitleg, strategieën, reminders, hulp waar nodig)
● Feedback
● Leren omgaan met fouten
Adolescentie
● Ontwikkelingstaken: identiteitsontwikkeling + een toename van de onafhankelijkheid
○ Autonomie en verbondenheid
● Focus gaat van gezin naar andere sociale relaties
● Wie ben ik? Wat wil ik?