• Wrong document? Swap it for free
  • Written by students who passed
  • Immediately available after payment
  • Read online or as PDF
Sell
Where do you study
Your language
Document preview thumbnail
Preview 3 out of 19 pages
Other

Samenvatting Internationale Handel | KU Leuven | 2026/2027

Document preview thumbnail
Preview 3 out of 19 pages

Dit is een examenvoorbereiding met de theorieën van internationale handel voor het vak Internationale Economie in het schakeljaar Handelswetenschappen aan KU Leuven. Ook worden er allerlei vragen + antwoorden gegeven om je optimaal voor te bereieden. De document dekt de klassieke theorie (Adam Smith en David Ricardo), het neoklassieke Heckscher-Ohlin model, en belangrijke theorema's zoals Stolper-Samuelson, Factorprijsegalisatie en Rybczynski, inclusief kritiek en empirische paradoxen. Ideaal voor examenvoorbereiding en het begrijpen van kernconcepten in internationale handelstheorie.

Content preview

Samenvatting Theorieën Internationale Handel
1. Klassieke Theorie van Internationale Handel
Kernidee: Ontwikkeld door Adam Smith (absoluut voordeel) en David Ricardo (comparatief
voordeel). Handel is een “positive sum game”: alle landen winnen. Specialisatie in goederen
waarin een land een kostenvoordeel heeft.
Assumpties: 2 landen, 2 goederen, 1 productiefactor (arbeid). Constante schaalopbrengsten,
geen transportkosten, perfecte concurrentie. Arbeid perfect mobiel binnen land, niet tussen
landen.
Kritiek: Alleen arbeid, geen kapitaal of hulpbronnen. Constante schaalopbrengsten, terwijl in
realiteit PF vaak afnemende meeropbrengsten kennen. Negeert vraagzijde. PF zij niet
immobiel tussen landen. Geen volledige specialisatie aan hand van empirisch test
(McDougall).
Absoluut kostenvoordeel (Adam Smith) = goed goedkoper kunnen produceren dan ander land
(=minder productiefactoren nodig om eenheid goed te kunnen produceren)

Comparatief kostenvoordeel (David Ricardo) = opportuniteitskost om goed te produceren, in
termen van andere goederen lager ligt dan ander land. (= relatieve arbeidskosten ten opzichte
van ander product zijn lager)

Voorbeeld: Portugal: wijn = 80 uren ; stof = 90 uren | Engeland: wijn = 120 uren, stof = 100 uren

Portugal heef kostenvoordeel in beide producten (allebei goedkoper). Comparatief voordeel
kijken naar relatieve kosten (relatieve kost wijn: Portugal = 80/90 = 0,89 | Engeland = 120/100
= 1,2)  Portugal heeft comparatief voordeel in wijn.



2. Neoklassieke Theorie (Heckscher-Ohlin Model)
Kernidee: Klassieke theorie verder gebouwd door meerdere productiefactoren. Handel
gebaseerd op relatieve overvloed van Kapitaal (K) en Arbeid (L). Een land heeft een
comparatief voordeel (en zal dus exporteren) in de productie van goederen die relatief
intensief gebruik maken van de productiefactor waarover het land relatief overvloedig
beschikt. En omgekeerd importeert het goederen die intensief gebruik maken van schaarse
factoren.
Verschillen in factorbeschikbaarheid verklaren welke goederen een land exporteert (factor-
overvloedige goederen) en importeert (factor-schaarse goederen). Dit model verklaart de
handel tussen landen met grote verschillen in factorbeschikbaarheid (bv. Noord-Zuid
handel) beter dan handel tussen gelijkaardige landen.
Assumpties: 2 landen, 2 goederen, 2 factoren (K en L), identieke technologie en voorkeuren.
Constante schaalopbrengsten, , specifieke productiefuncties voor elk goed (één K-intensief,
één L-intensief), toenemende opportuniteitskosten, identieke consumentenvoorkeuren,
perfecte concurrentie, volledige tewerkstelling en bezetting van kapitaalvoorraad,
internationale factorimmobiliteit, onbelemmerde internationale mobiliteit van goederen
(geen transportkosten, geen handelsbarrières).
Theorema’s:
Stolper-Samuelson (SS):

, Internationale handel beïnvloedt de beloningen van productiefactoren. Als de prijs van
een bepaald goed stijgt, dan stijgt de beloning (zoals loon of rente) van de
productiefactor die intensief gebruikt wordt bij de productie van dat goed méér dan
evenredig, terwijl de beloning van de andere factor daalt. Dit betekent dat handel de
reële vergoeding van de relatief overvloedige factor in een land verhoogt, en die van de
schaarse factor verlaagt.
Factorprijsegalisatie (FPE):
Gaat nog een stap verder. Het beweert dat, onder vrije handel en zolang beide landen
beide goederen blijven produceren, de relatieve en absolute prijzen van
productiefactoren (zoals lonen en rentes) in beide landen naar elkaar zullen
convergeren. Internationale handel functioneert in dit model als een vervanger voor
internationale migratie van arbeid of kapitaal.
Rybczynski:
Het verklaart wat er gebeurt als de hoeveelheid van één productiefactor in een land
toeneemt. Bij constante goederenprijzen zal de productie van het goed dat intensief
gebruikmaakt van de extra factor meer dan evenredig stijgen, terwijl de productie van
het andere goed afneemt. Met andere woorden, handel en factorveranderingen
beïnvloeden de structuur van de productie in een land.

Kritiek:
Assumpties niet realistisch: Productie heterogeen, technologie is niet identiek, voorkeuren niet
identiek, er zijn handelsbarrières en transportkosten.
De Leontief Paradox toonde aan dat de VS, het meest kapitaalrijke land in 1947, minder
kapitaalintensieve goederen exporteerde dan importeerde, wat in tegenspraak was met het
HO-theorema. Dit werd deels verklaard door een te strikt model, verkeerde data, en het feit
dat het model beter werkt voor landen met grote verschillen.
Het model voorspelt een veel groter handelsvolume dan waargenomen (het "missing trade"
probleem). Verschillen in technologie spelen hierin een rol.
De FPE voorspelling houdt niet stand in de werkelijkheid; internationale handel reduceert
weliswaar verschillen in factorvergoedingen, maar elimineert deze niet. Redenen zijn o.a.
divergerende factorbeschikbaarheid, niet-identieke technologie, handelsbelemmeringen,
transportkosten en lokale monopolies.
De SS-voorspelling over factorvergoedingen klopt niet altijd empirisch; lonen van
ongeschoolden nemen niet altijd toe in landen waar ze intensief worden gebruikt, mogelijk
door overaanbod of technologische veranderingen.
3. Neo-technologietheorieën
Kernidee: Handel ontstaat door technologische verschillen en innovatie.
Theorieën:
Imitatiegap (Posner): Technologische vooruitgang = continu proces. Innoverend land
tijdelijk comparatief voordeel en exporteert nieuw product. Dit voordeel duurt tot
imitatie ervan. → R&D inspanningen zijn cruciaal.
Productlevenscyclus (Vernon): producten doorlopen verschillende fasen. Innovatiefase =
productie en export is in ontwikkelingslanden (kapitaalrijk + geschoolde arbeid) →
behoefte aan R&D infrastructuur.
Groei- en maturiteitsfase standaardiseert productie meer en meer.
Na maturiteit verschuift productie van rijke naar lageloonlanden met comparatief
voordeel → volledige gestandaardiseerd proces.

, Theorie van de gelijkaardige vraag (Linder-hypothese):
Verklaart handel in industriegoederen vanuit de vraagzijde. De productie van een land
wordt bepaald door de lokale vraag (beïnvloed door BBP per capita). Handel in
industriegoederen zal voornamelijk plaatsvinden tussen landen met een gelijkaardig
BBP/capita, omdat zij een vergelijkbare vraag hebben. Voldoende binnenlandse vraag is
nodig om een product te ontwikkelen dat internationaal concurrentieel wordt.
Kritiek:
Posner's theorie: De voorspelde grilligheid in handelspatronen ("zaagtandpatroon") komt
minder voor; specialisatiepatronen vertonen juist volharding. Verklaart niet waarom
sommige landen niet kunnen bijbenen (schaalvoordelen kunnen hier een rol spelen).
4. Moderne Handelstheorieën (Schaalvoordelen & Imperfecte Concurrentie)
Kernidee: Verklaren vooral intra-industriehandel (handel in gelijkaardige producten tussen
gelijkaardige landen) via schaalvoordelen en imperfecte concurrentie (monopolistische
concurrentie, oligopolie en monopolie). Consumenten wensen een ruime variëteit aan
producten (productdifferentiatie).

Interne schaalvoordelen → monopolie/oligopolie; Externe → agglomeratie.

Imperfecte concurrentie: bedrijven produceren varianten (benutten schaalvoordelen),
handel voorziet variëteit.
Kritiek: Grote bedrijven met schaalvoordelen kan leiden tot monopolies. Vereist
mededingingsbeleid en soms protectionisme.




5. Gravitatiemodel van Handel
Kernidee: Empirisch model die handelspatronen beschrijft.: Het stelt dat de bilaterale handel
tussen twee landen recht evenredig is met hun economische omvang (gemeten door BBP) en
omgekeerd evenredig met de geografische afstand ertussen (Handel ∝ BBP_i * BBP_j /
Afstand_ij). Grotere economieën genereren en trekken meer handel aan; grotere afstand
(gerelateerd aan transport- en communicatiekosten) belemmert handel.
Andere factoren: taal, cultuur, grens, multinationals, BBP/capita-verschillen.
Relevantie voor FDI: Factoren zoals marktomvang (BBP) en afstand/bereikbaarheid
(transportkosten) die belangrijk zijn in het gravitatiemodel, zijn ook relevant voor de
locatiekeuze van Buitenlandse Directe Investeringen (BDI/FDI), aangezien bedrijven zich
willen vestigen in of nabij markten waar vraag is of waar de productie/distributie efficiënt is.
Samenvattend
Samenvattend zien we een evolutie van theorieën die steeds meer factoren en complexiteiten
van de werkelijkheid proberen te integreren, van eenvoudige kostenverschillen (klassiek), via
verschillen in factorbeschikbaarheid (neoklassiek), naar het belang van technologie, innovatie
en marktvormen (neo-technologie en moderne theorieën), aangevuld met modellen die
waargenomen patronen beschrijven (gravitatiemodel). Elk model heeft zijn sterktes in het
verklaren van bepaalde aspecten van internationale handel, maar ook beperkingen, vooral
wanneer de onderliggende, vaak strikte, assumpties niet opgaan in de complexe realiteit.

Document information

Study
Uploaded on
October 13, 2026
Number of pages
19
Written in
2024/2025
Type
Other
Person
Unknown
$6.99

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Sold
5
Followers
0
Items
10
Last sold
2 days ago



Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions