Blok 1 – Materieel strafrecht
1. Het belang en de deelnormen van het legaliteitsbeginsel
Het legaliteitsbeginsel houdt in dat iets alleen strafbaar is als dit in een
vooraf bestaande wettelijke bepaling staat.
Artikel 1 Sr: Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan
voorafgegane wettelijke strafbepaling.
Artikel 1 Sv: Strafvordering vindt alleen plaats op de wijze die de wet
voorschrijft.
Het legaliteitsbeginsel zorgt voor rechtszekerheid en beschermt burgers
tegen willekeur van de overheid.
Deelnormen:
1. Wettelijke basis: lex scripta en nulla poena.
2. Verbod op terugwerkende kracht.
3. Toegankelijke en voldoende duidelijke normen.
4. Grenzen aan de interpretatievrijheid van de rechter.
2. Strafrechtstheorieën
Strafgrond: waarom mag de overheid straffen?
Strafdoel: wat wil de overheid met de straf bereiken?
1. Verdragstheorieën: Burgers aanvaarden dat overtreding van
maatschappelijke regels tot bestraffing kan leiden.
2. Absolute theorieën: Straf is gebaseerd op vergelding van het
gepleegde onrecht.
3. Relatieve theorieën: Straf dient ter preventie.
o Generale preventie: anderen ervan weerhouden strafbare
feiten te plegen.
o Speciale preventie: voorkomen dat de dader opnieuw een
strafbaar feit pleegt.
4. Verenigingstheorieën: Vergelding vormt de grondslag en bovengrens
van de straf; preventie is het doel en beïnvloedt de strafhoogte.
3. Interpretatiemethoden
1. Grammaticale methode: De letterlijke tekst van de wet bekijken.
, 2. Wetshistorische methode: De bedoeling van de wetgever
achterhalen aan de hand van de totstandkomingsgeschiedenis.
3. Extensieve interpretatie: Een wettelijke bepaling ruim uitleggen
binnen de grenzen van de betekenis ervan.
4. Wetssystematische methode: De bepaling uitleggen in samenhang
met andere wettelijke bepalingen.
5. Teleologische methode: Kijken naar het doel van de wettelijke
bepaling.
6. Analogische methode: Een regel toepassen op een vergelijkbaar
geval dat niet onder de wettelijke bepaling valt. In het strafrecht
mag analogie niet leiden tot uitbreiding van strafbaarheid ten
nadele van de verdachte.
4. Voorwaarden voor strafbaarheid
Er zijn vier voorwaarden:
1. Menselijke gedraging: Een handeling of nalaten dat aan een mens
kan worden toegerekend.
2. Wettelijke delictsomschrijving: De gedraging moet voldoen aan een
strafbaar feit dat in de wet is omschreven.
3. Wederrechtelijkheid: De gedraging is in strijd met het recht en er is
geen rechtvaardigingsgrond.
4. Verwijtbaarheid: De dader kan persoonlijk een verwijt worden
gemaakt en er is geen schulduitsluitingsgrond.
5. Verband tussen strafbaarheid en het beslissingsschema
De rechter beoordeelt achtereenvolgens:
1. Is het tenlastegelegde bewezen?
2. Levert het bewezenverklaarde een strafbaar feit op?
3. Is de gedraging wederrechtelijk?
4. Is de dader strafbaar?
5. Welke straf of maatregel moet worden opgelegd?
6. Opbouw van het strafbare feit
Bij de beoordeling van een strafbaar feit wordt gekeken naar de wettelijke
delictsomschrijving, de wederrechtelijkheid en de verwijtbaarheid.
, De wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid kunnen als bestanddeel in de
delictsomschrijving staan, maar kunnen ook als elementen van het
strafbare feit gelden.
7. Verschillende typen delicten
Formele delicten: De gedraging zelf is strafbaar.
Materiële delicten: Het intreden van een bepaald gevolg staat
centraal.
Commissiedelicten: Strafbaar door het verrichten van een
handeling.
Omissiedelicten: Strafbaar door het nalaten van een vereiste
handeling.
Algemene delicten: Kunnen door iedereen worden gepleegd.
Kwaliteitsdelicten: Kunnen alleen worden gepleegd door iemand met
een bepaalde hoedanigheid.
Gekwalificeerde delicten: Kennen een hogere strafbedreiging
vanwege een verzwarende omstandigheid.
Geprivilegieerde delicten: Kennen een lagere strafbedreiging
vanwege een bijzondere omstandigheid.
8. Wederrechtelijkheid als element of bestanddeel
Bestanddeel: Staat in de delictsomschrijving en moet door het Openbaar
Ministerie worden bewezen.
Objectieve bestanddelen: Waarneembare feiten en
omstandigheden.
Subjectieve bestanddelen: De geestesgesteldheid van de dader,
zoals opzet of schuld.
Element: Staat niet uitdrukkelijk in de delictsomschrijving, maar maakt
wel deel uit van de algemene voorwaarden voor strafbaarheid.
9. Criteria voor strafbaarstelling
Volgens de criteria van De Roos moet bij strafbaarstelling rekening worden
gehouden met:
De gedraging veroorzaakt schade.
De schade kan niet voldoende worden voorkomen door alleen de
individuele vrijheid te respecteren.