onderzoek – Willy De Weerdt
Module 1: Het eerste contact met de patiënt
Inleiding:
Tijdens eerst contact met patiënt:
- Eerst kennismakingsgesprek hebben: als therapeut jezelf voorstellen en je functie binnen de
organisatie
- Patiënt aanspreken met familienaam, tenzij anders afgesproken
1. Anamnese
Belangrijk deel van klinisch onderzoek:
- Normaal keuze voor autoanamnese, maar bij neuro soms ook wel nood aan heteroanamnese
- Anamnese is een exploratief gesprek: peilen naar beleving, ervaring en verwachtingen van
patiënt
o Opletten voor subjectieve uitdrukkingen – P arme woordenschat, dus klachten soms
moeilijk uit te leggen
- Hulpvraag achterhalen
o Start met patiëntgerichte vragen
o In tweede fase: gerichte en gestuurde vragen stellen om zo hypotheses op te stellen
- Actualiteit van aandoening inschatten: mate waarin pathologisch proces actief is en mate
waarin P hierdoor hinder ondervindt
- Steeds alert zijn voor contra-indicaties
Einde anamnese: samenvatting maken en behandelingsplan uitleggen aan P
2. Stoornis, activiteit en participatie
Van ICD naar ICIDH:
● ICD: international classification of diseases
o Focus op medische diagnose, weinig aandacht voor functioneren van P
● ICIDH (1980, opgericht door WHO): international classification of impairment, disability and
handicap
o Zoekt een evenwicht tussen het medische en psychosociale model
Van ICIDH naar ICF model:
● ICF: international classification of functioning
● Ziekte en gezondheid worden nu bekeken vanuit het biopsychosociaal model
● Menselijk functioneren = interactie tussen:
o De persoon (fysieke en mentale conditie)
o En zijn persoonlijke en sociale omgeving
● ICF van heden is een classificatie op 3 niveaus:
o Stoornis: probleem in lichaamsfunctie of -structuur.
o Activiteit: handelingen van ADL moeilijkheden bij activiteiten.
, o Participatie: deelname aan sociale activiteiten
3 niveaus te beschouwen in context waarbij men rekening houdt met omgeving en persoon,
deze kunnen een positief/negatief invloed hebben
● Persoonsgebonden factoren: geslacht, leeftijd, fitheid, levensstijl, beroep, sociale achtergrond
etc.
3. Het medisch dossier
Altijd medisch dossier doornemen voor begin van behandeling
- P niet altijd alles vermeld
- T vaak deel van multidisciplinaire team
Module 2: Spraak- en taalstoornissen
Inleiding:
Spraak-en taalstoornissen meestal door logopedist geëvalueerd. Het onderzoek van spraak en taal
doen we vaak eerst, want een deficit heeft sterk invloed op anamnese en rest van KO.
2 types communicatiestoornissen:
- Spraakstoornissen bv. dysartrie
- Taalstoornissen bv. afasie
1. Onderzoek van de spraak
Spraak: gecoördineerd gebruik van AH, larynx met stembanden, gehemelte, tong en lippen
Spraakstoornissen ontstaan door motorisch of coördinatiestoornis in fonatie (stemvorming),
articulatie, resonantie of prosodie (affectieve element in omgangstaal)
Stemstoornissen kunnen veroorzaakt worden door centrale of perifere uitval, of door
structurele/organische veranderingen van het stemapparaat, bijvoorbeeld na intubatie of bij een
tracheacanule.
A. Afonie en dysfonie
Heesheid (dysfonie)
- Oorzaken: laryngitis, foutieve stemgebruik, schildklieroperatie, longtoptumor, hysterie
,Afonie:
- Oorzaak: hysterie of dubbelzijdige aantasting van n. vagus
- Psychogene afonie: hees bij spreken, hoesten is normaal
B. Dysartrie
- Articulatie onderzoek door P tongtwisters te laten uitspreken
- Oorzaak:
o Letsel craniale zenuwen (V, VII, IX, X, XII) → lower motor neuron laesie (LMN)
o Letsel extrapiramidaal of cerebellair → upper motor neuron laesie (UMN)
Afhankelijk locatie onderliggende letsel kan je verschillende vormen onderscheiden van dysartrie:
- Bulbaire dysartrie (LMN-dysartrie)
o Dubbelzijdig, perifere, slappe parese v/d bulbaire musculatuur
o Kan optreden bij het syndroom van Guillan-Barré
- Pseudobulbaire dysartrie (UMN-dysartrie)
o Dubbelzijdige, centrale, spastische parese v/d bulbaire musculatuur
- Cerebellaire dysartrie
o Slecht gecoördineerde spraak
- Extrapiramidale dysartrie
o Typisch bij Parkinson patiënten (in latere stadium van ziekte)
- Gemengde vorm
o Komt voor bij P met ALS of MS
▪ ALS: amyotrofische lateraalsclerose
▪ MS: multiple sclerose
2. Onderzoek van de taal
Afasie is een stoornis in taalgebruik en wijst op een laesie in de dominante hemisfeer
- Bij meeste mensen: linker hemisfeer
- Controleren door gesprek met P te voeren: P kan deels taalstoornis compenseren door te
letten op mimiek, gebaar, intonatie en melodie
A. Corticale zones betrokken bij taalstoornissen
Corticale zones liggen in de cerebrale cortex, deze bestaat uit gyri (windingen) en sulci (groeven)
Zones betrokken bij taalstoornis (zie foto):
- Zone 39: gyrus angularis → letsel hier geeft woordblindheid of alexie. P ziet woorden, maar kan
ze niet lezen. Gaat vaak gepaard met niet meer kunnen schrijven (afragie)
- Zone 22: zone van Wernicke → auditieve interpretatie: klanken herkennen als taal
o Letsel: P hoort klanken die geen betekenis hebben (vgl. gesprek luisteren in Fins)
- Zone 44 en 45: zone van Broca
o 2 delen: pars triangularis, pars opercularis
o Letsel: P begrijpt taal, maar zijn eigen output is zeer beperkt
, B. Types van fatische stoornissen
Begrijpen op basis van het model hieronder
Receptieve of sensorische afasie
= afasie van Wernicke
- P spreekt veel, maar het is allemaal wartaal
- Letsel in gebied van Wernicke
Expressieve of motorische afasie
= afasie van Broca
- P moeite met taal zelf te hanteren
- Normaal kan P gesproken en geschreven taal nog begrijpen, maar dit valt soms tegen
Geleidingsafasie of conductieve afasie
- Verbinding tussen Broca en Wernicke verstoord
- Spontane taal intact, maar P moeite met zinnen/woorden te herhalen