SAMENVATTING REGISTRATIE- EN
SUCCESSIERECHTEN
SUCCESSIERECHTEN/ ERFBELASTING
ALGEMENE INLEIDENDE BESCHOUWINGEN
HISTORIEK EN TOTSTANDKOMING
̶ Wet 22 Frimaire jaar VII
̶ Wet 21 december 1817
̶ Wet 17 december 1851: pas vanaf dit moment werden er ook belastingen vereist op erfenissen in de
rechte lijn
̶ Wet 11 oktober 1919: de overdrachten in de rechte lijn werden integraal belast en er werden
progressieve tarievenschijven ingevoerd
KB 31 maart 1936 (Wet van 4 mei 1936) Wetboek der Successierechten (Wallonië en Brussel)
We gaan de focus leggen op regelgeving in het Vlaams Gewest. Daar is de correcte term ‘erfbelasting’. De
meest actuele regelgeving is het KB van 1936 (federale regelgeving), maar die is grotendeels door Vlaanderen
opgeheven en ingekanteld in de Vlaamse Codex fiscaliteit
Vlaamse Codex Fiscaliteit (Titel 2, Hoofstuk 7)
, – Titel 2: materieelrechtelijke fiscale bepalingen
– Hoofdstuk 7: erfbelasting -> elk hoofdstuk behandelt een specifieke belastingsvorm en elk hoofdstuk is
geordend in dezelfde afdelingen
ALGEMENE KENMERKEN
̶ Erfbelastingen zijn “indirecte” belastingen
̶ Erfbelastingen omvatten (1) het successierecht en (2) het recht van overgang bij overlijden (artikel
1.1.0.0.2., lid 1, 9° VCF)
̶ Succesierecht = het recht verschuldigd bij het overlijden van een rijksinwoner
̶ Recht van overgang bij overlijden = het recht dat mogelijkerwijze (dus potentieel)
verschuldigd is bij het overlijden van een niet-belgisch ingezetene (een niet-rijksinwoner)
̶ Verschil? Als een overheid iets of iemand wil belasten dan moet men een aanknoping hebben
met het eigen territorium. Vb. als een chinees hier een goed heeft, dan kan er belast worden
op de onroerende goederen. Deze belasting op de overgang van OG door het overlijden van
een niet-inwoner, wordt belast bij het recht van overgang bij overlijden <-> als een duurzame
inwoner van België overlijdt, dan zal het successierecht van toepassing zijn.
̶ Zien we ook bij inkomensbelasting: een buitenlander wordt ook belast als deze een
inkomen uit België verwerft
̶ Erfbelastingen zijn “geregionaliseerde” belastingen -> je hebt een Vlaamse, Brusselse en Waalse
regeling
̶ ! Decreet van 19 december 2014 tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13
december 2013 (BS 29 januari 2015)
̶ Als iemand overlijdt, moet je kijken naar zijn woonplaats
̶ In andere gevallen (als er in meerdere gewesten is gewoond) moet je kijken waar de persoon
hoofdzakelijk heeft gewoond de voorbije 5 jaar
INDIRECTE BELASTING
De indirecte belasting betreft een in de tijd aanwijsbaar feit. Het wordt meteen voltrokken. Bij de erfbelasting is
dat feit de overgang van het vermogen door (of n.a.v.) overlijden.
<-> directe belastingen: meet de verdiencapaciteit over een bepaalde periode, een duurzame toestand, vb.
inkomstenbelasting
̶ Erfbelastingen slaan op één enkel belastbaar feit, m.n. de overgang van vermogen door (of (soms)
naar aanleiding van) het overlijden van een natuurlijk persoon tengevolge van (art. 2 WSucc. /
2.7.1.0.2. VCF):
̶ Wettelijke devolutie
̶ Testamentaire evolutie
̶ Contractuele erfstelling
, ̶ Fictiebepalingen (art. 4-11 Wsucc / 2.7.1.0.3. – 2.7.1.0.9. VCF): gelijkstelling met een legaat,
fictief legaat
̶ Materiële belastingschuld ontstaat op datum van het overlijden (openvallen nalatenschap)
̶ Beginsel: alleen vermogensbestanddelen belast die op dat moment in het vermogen zitten
̶ Uitz. zijn mogelijk vb. art. 7 WSucc (2.7.1.0.5. VCF)
‒ Bv. niet-geregistreerde schenking: zal het vermogen fictief in de nalatenschap
opnemen en er belasting op heffen
̶ De toepasselijke regelgeving is dus diegene die op het moment van overlijden toepassing
vindt
̶ Belang van het verschil tussen directe en indirecte belastingen uit(te) zich voornamelijk op
procedureel vlak
̶ thans (althans in Vlaanderen) grotendeels achterhaald
̶ in Vlaanderen ‘cohiere belasting’: je doet aangifte, wacht op de vestiging van de aanslag en
dan krijg je een aanslagbiljet waarop staat hoeveel je moet betalen
̶ bij indirecte belastingen zijn er veel minder problemen: de wet van dat moment geldt (simpel
retroactiviteitsbeginsel) <-> direct: als de wetgeving in het jaar wijzigt, dan geldt de negatief
gewijzigde wet op het eind van het jaar
SUCCESSIERECHT VS. RECHT VAN OVERGANG
̶ Het successierecht
= "De belasting die onder de benaming `het successierecht van rijksinwoners' wordt geheven
overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de
gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 7, van deze codex"
(artikel 1.1.0.0.2., lid 1, 20° VCF)
‒ Overlijden van rijksinwoners t.a.v. hun wereldwijd patrimonium (cf. art. 1, 1° Wsucc –
2.7.3.1.1. VCF)
‒ Rijksinwoners: als de overledene op het ogenblik van zijn overlijden binnen het Rijk
zijn domicilie of zetel van vermogen heeft gevestigd
‒ Bewijs daarvan wordt geleverd door de rijksinwoner en het is voldoende
wanneer de overledene op het moment van overlijden in het
bevolkingsregister staat ingeschreven. Vanaf zo’n inschrijving keert de
bewijslast om en moet de tegenpartij bewijzen dat hij geen rijksinwoner
was -> feitelijk en weerlegbaar vermoeden van rijksinwonerschap
‒ Het volledig patrimonium wordt belast, ook buitenlandse goederen moeten
aangegeven worden
‒ Aftrek van passief met inbegrip van de begrafeniskosten: belasting wordt namelijk betaald op
het netto-actief
, ‒ De definitie verwijst naar de bijzondere financieringswet: oorspronkelijk was erfbelasting een
federale belasting maar gaandeweg zijn er steeds meer bevoegdheden toegekend aan de
gewesten
‒ Wat de gewesten nog steeds niet mogen is vb. belastingen opheffen (de facto zou dit
wel kunnen, namelijk door een 0% tarief op te leggen)
̶ Het recht van overgang bij overlijden
= "De belasting die onder de benaming `het recht van overgang bij overlijden van niet-rijksinwoners'
wordt geheven overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van
de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 7, van deze
codex" (artikel 1.1.0.0.2., lid 1, 16° VCF)
‒ Overlijden van niet-rijksinwoners (cf. art. 1, 2° WSucc – 2.7.3.1.1. VCF)
‒ Enkel op onroerende goederen in bevoegde regio binnen België gelegen (cf. art. 18 WSucc –
artikel 2.7.3.2.2. VCF) -> dus enkel een deel van het Belgisch vermogen is belastbaar
‒ Lastenaftrek (cf. art. 27 W.Succ. / 2.7.3.4.1. VCF): uitsluitend schulden van EER-burgers in de
mate schuld specifiek werd aangegaan om de onroerende goederen te verwerven of te
behouden => het wordt aldus berekend op het bruto onroerend vermogen, tenzij zo’n
schulden bestaan
‒ Arrest Eckelkamp HvJ 11 september 2008: schending vrij verkeer kapitaal
– Er was een OG van een duitser in België en er rustte een schuld op. Die
schuld werd niet in mindering gebracht. Dit kwam voor het HvJ omdat het
een belemmering vormde voor het vrij verkeer van kapitaal -> je werd
belemmerd om te investeren in België
– Vlaanderen: minimale invulling aan het arrest: de schulden in mindering
brengen, maar wordt enkel toegestaan aan EER burgers + de erfgenamen
moeten aantonen dat de schuld specifiek werd aangegaan om de goederen
te verwerven of te behouden
‒ Vgl. Br. art. 27 WSucc. – Wall. Art. 27bis WSucc
‒ Probleem van dubbele belasting
‒ Als alle andere landen een soortgelijke regeling hebben (namelijk het taxeren van het
wereldwijde patrimonium van een inwoner en het taxeren van onroerende goederen in BE
van een niet-inwoner), dan kan het probleem van dubbele belasting optreden
‒ Is dit internationaal verboden? Nee, de belastingsbevoegdheid is verbonden aan de
territoriale staat waarmee de betrokken persoon een personele band heeft (HvJ
verwijst naar de fiscale autonomie van LS)
‒ Maar economisch is dit niet opportuun. Hoe remediëren?
– Via verdragen tussen staten (= bilaterale, onderhandelde oplossing), de
heffingsbevoegdheid toewijzen aan de ene of de andere staat -> wordt bij
erfbelasting bijna niet gedaan
SUCCESSIERECHTEN
SUCCESSIERECHTEN/ ERFBELASTING
ALGEMENE INLEIDENDE BESCHOUWINGEN
HISTORIEK EN TOTSTANDKOMING
̶ Wet 22 Frimaire jaar VII
̶ Wet 21 december 1817
̶ Wet 17 december 1851: pas vanaf dit moment werden er ook belastingen vereist op erfenissen in de
rechte lijn
̶ Wet 11 oktober 1919: de overdrachten in de rechte lijn werden integraal belast en er werden
progressieve tarievenschijven ingevoerd
KB 31 maart 1936 (Wet van 4 mei 1936) Wetboek der Successierechten (Wallonië en Brussel)
We gaan de focus leggen op regelgeving in het Vlaams Gewest. Daar is de correcte term ‘erfbelasting’. De
meest actuele regelgeving is het KB van 1936 (federale regelgeving), maar die is grotendeels door Vlaanderen
opgeheven en ingekanteld in de Vlaamse Codex fiscaliteit
Vlaamse Codex Fiscaliteit (Titel 2, Hoofstuk 7)
, – Titel 2: materieelrechtelijke fiscale bepalingen
– Hoofdstuk 7: erfbelasting -> elk hoofdstuk behandelt een specifieke belastingsvorm en elk hoofdstuk is
geordend in dezelfde afdelingen
ALGEMENE KENMERKEN
̶ Erfbelastingen zijn “indirecte” belastingen
̶ Erfbelastingen omvatten (1) het successierecht en (2) het recht van overgang bij overlijden (artikel
1.1.0.0.2., lid 1, 9° VCF)
̶ Succesierecht = het recht verschuldigd bij het overlijden van een rijksinwoner
̶ Recht van overgang bij overlijden = het recht dat mogelijkerwijze (dus potentieel)
verschuldigd is bij het overlijden van een niet-belgisch ingezetene (een niet-rijksinwoner)
̶ Verschil? Als een overheid iets of iemand wil belasten dan moet men een aanknoping hebben
met het eigen territorium. Vb. als een chinees hier een goed heeft, dan kan er belast worden
op de onroerende goederen. Deze belasting op de overgang van OG door het overlijden van
een niet-inwoner, wordt belast bij het recht van overgang bij overlijden <-> als een duurzame
inwoner van België overlijdt, dan zal het successierecht van toepassing zijn.
̶ Zien we ook bij inkomensbelasting: een buitenlander wordt ook belast als deze een
inkomen uit België verwerft
̶ Erfbelastingen zijn “geregionaliseerde” belastingen -> je hebt een Vlaamse, Brusselse en Waalse
regeling
̶ ! Decreet van 19 december 2014 tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13
december 2013 (BS 29 januari 2015)
̶ Als iemand overlijdt, moet je kijken naar zijn woonplaats
̶ In andere gevallen (als er in meerdere gewesten is gewoond) moet je kijken waar de persoon
hoofdzakelijk heeft gewoond de voorbije 5 jaar
INDIRECTE BELASTING
De indirecte belasting betreft een in de tijd aanwijsbaar feit. Het wordt meteen voltrokken. Bij de erfbelasting is
dat feit de overgang van het vermogen door (of n.a.v.) overlijden.
<-> directe belastingen: meet de verdiencapaciteit over een bepaalde periode, een duurzame toestand, vb.
inkomstenbelasting
̶ Erfbelastingen slaan op één enkel belastbaar feit, m.n. de overgang van vermogen door (of (soms)
naar aanleiding van) het overlijden van een natuurlijk persoon tengevolge van (art. 2 WSucc. /
2.7.1.0.2. VCF):
̶ Wettelijke devolutie
̶ Testamentaire evolutie
̶ Contractuele erfstelling
, ̶ Fictiebepalingen (art. 4-11 Wsucc / 2.7.1.0.3. – 2.7.1.0.9. VCF): gelijkstelling met een legaat,
fictief legaat
̶ Materiële belastingschuld ontstaat op datum van het overlijden (openvallen nalatenschap)
̶ Beginsel: alleen vermogensbestanddelen belast die op dat moment in het vermogen zitten
̶ Uitz. zijn mogelijk vb. art. 7 WSucc (2.7.1.0.5. VCF)
‒ Bv. niet-geregistreerde schenking: zal het vermogen fictief in de nalatenschap
opnemen en er belasting op heffen
̶ De toepasselijke regelgeving is dus diegene die op het moment van overlijden toepassing
vindt
̶ Belang van het verschil tussen directe en indirecte belastingen uit(te) zich voornamelijk op
procedureel vlak
̶ thans (althans in Vlaanderen) grotendeels achterhaald
̶ in Vlaanderen ‘cohiere belasting’: je doet aangifte, wacht op de vestiging van de aanslag en
dan krijg je een aanslagbiljet waarop staat hoeveel je moet betalen
̶ bij indirecte belastingen zijn er veel minder problemen: de wet van dat moment geldt (simpel
retroactiviteitsbeginsel) <-> direct: als de wetgeving in het jaar wijzigt, dan geldt de negatief
gewijzigde wet op het eind van het jaar
SUCCESSIERECHT VS. RECHT VAN OVERGANG
̶ Het successierecht
= "De belasting die onder de benaming `het successierecht van rijksinwoners' wordt geheven
overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de
gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 7, van deze codex"
(artikel 1.1.0.0.2., lid 1, 20° VCF)
‒ Overlijden van rijksinwoners t.a.v. hun wereldwijd patrimonium (cf. art. 1, 1° Wsucc –
2.7.3.1.1. VCF)
‒ Rijksinwoners: als de overledene op het ogenblik van zijn overlijden binnen het Rijk
zijn domicilie of zetel van vermogen heeft gevestigd
‒ Bewijs daarvan wordt geleverd door de rijksinwoner en het is voldoende
wanneer de overledene op het moment van overlijden in het
bevolkingsregister staat ingeschreven. Vanaf zo’n inschrijving keert de
bewijslast om en moet de tegenpartij bewijzen dat hij geen rijksinwoner
was -> feitelijk en weerlegbaar vermoeden van rijksinwonerschap
‒ Het volledig patrimonium wordt belast, ook buitenlandse goederen moeten
aangegeven worden
‒ Aftrek van passief met inbegrip van de begrafeniskosten: belasting wordt namelijk betaald op
het netto-actief
, ‒ De definitie verwijst naar de bijzondere financieringswet: oorspronkelijk was erfbelasting een
federale belasting maar gaandeweg zijn er steeds meer bevoegdheden toegekend aan de
gewesten
‒ Wat de gewesten nog steeds niet mogen is vb. belastingen opheffen (de facto zou dit
wel kunnen, namelijk door een 0% tarief op te leggen)
̶ Het recht van overgang bij overlijden
= "De belasting die onder de benaming `het recht van overgang bij overlijden van niet-rijksinwoners'
wordt geheven overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van
de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 7, van deze
codex" (artikel 1.1.0.0.2., lid 1, 16° VCF)
‒ Overlijden van niet-rijksinwoners (cf. art. 1, 2° WSucc – 2.7.3.1.1. VCF)
‒ Enkel op onroerende goederen in bevoegde regio binnen België gelegen (cf. art. 18 WSucc –
artikel 2.7.3.2.2. VCF) -> dus enkel een deel van het Belgisch vermogen is belastbaar
‒ Lastenaftrek (cf. art. 27 W.Succ. / 2.7.3.4.1. VCF): uitsluitend schulden van EER-burgers in de
mate schuld specifiek werd aangegaan om de onroerende goederen te verwerven of te
behouden => het wordt aldus berekend op het bruto onroerend vermogen, tenzij zo’n
schulden bestaan
‒ Arrest Eckelkamp HvJ 11 september 2008: schending vrij verkeer kapitaal
– Er was een OG van een duitser in België en er rustte een schuld op. Die
schuld werd niet in mindering gebracht. Dit kwam voor het HvJ omdat het
een belemmering vormde voor het vrij verkeer van kapitaal -> je werd
belemmerd om te investeren in België
– Vlaanderen: minimale invulling aan het arrest: de schulden in mindering
brengen, maar wordt enkel toegestaan aan EER burgers + de erfgenamen
moeten aantonen dat de schuld specifiek werd aangegaan om de goederen
te verwerven of te behouden
‒ Vgl. Br. art. 27 WSucc. – Wall. Art. 27bis WSucc
‒ Probleem van dubbele belasting
‒ Als alle andere landen een soortgelijke regeling hebben (namelijk het taxeren van het
wereldwijde patrimonium van een inwoner en het taxeren van onroerende goederen in BE
van een niet-inwoner), dan kan het probleem van dubbele belasting optreden
‒ Is dit internationaal verboden? Nee, de belastingsbevoegdheid is verbonden aan de
territoriale staat waarmee de betrokken persoon een personele band heeft (HvJ
verwijst naar de fiscale autonomie van LS)
‒ Maar economisch is dit niet opportuun. Hoe remediëren?
– Via verdragen tussen staten (= bilaterale, onderhandelde oplossing), de
heffingsbevoegdheid toewijzen aan de ene of de andere staat -> wordt bij
erfbelasting bijna niet gedaan