PEDIATRISCHE NEUROCHIRURGIE
1
,HYDROCEFALIE
PEDIATRISCHE NEUROCHIRURGIE
• TRAUMATOLOGIE HOOFD EN WERVELZUIL
• TUMOREN (zz, symptomen van overdruk kennen)
• VASCULAIRE PATHOLOGIE (niet)
• CONGENITALE MALFORMATIES
• HYDROCEFALIE
• INFECTIES VAN HET CENTRAAL ZENUWSTELSEL (niet)
INLEIDING
• Hydrocefalie: mogelijk op alle leeftijden, relevant voor algemene artsen en andere specialisten t-
→ belangrijk voor examen
• Herkenning van intracraniële overdruk: essentieel bij zuigelingen, oudere kinderen en
volwassenen
• Mogelijke oorzaken overdruk: hydrocefalie, tumor of andere intracraniële aandoening
• Aanhoudende klachten → intracranieel probleem overwegen en doorverwijzing
CEREBROSPINAAL VOCHT
HERSENVOCHT OF CEREBROSPINAAL VOCHT (CSV)
2
,CSV – BESCHERMING/DRIJFKRACHT + TRANSPORT METABOLEN -ELEKTROLYTEN-
HORMONEN
Hersenen drijven
FUNCTIES EN SAMENSTELLING VAN HET HERSENVOCHT
• Hersenen en ruggenmerg: drijvend in hersenvocht
• Hersenweefsel: geringe stevigheid
Mechanische • Vochtbad: vertraging en demping van bewegingen
bescherming (!!) • Bescherming tegen dagelijkse schokken, vallen, springen en snelle
bewegingen
• Minder snelle en zachtere beweging tegen de schedel → minder kans
op kneuzingen
• Hersenmassa: ongeveer 900 g tot 1 kg
• Geen interne harde of beenderige draagstructuur (onderste delen
Drijfkracht (!!) van hersenen zouden anders samengedrukt worden)
• Drijfkracht: bescherming van onderste hersendelen en bloedvaten
tegen compressie door bovenliggend weefsel
• Transport: metabolieten, witte bloedcellen, eiwitten,
glucose/suikers, zouten en antilichamen
Transport en • Weinig witte bloedcellen < 5 per milliliter
communicatie • Elektrolyten en hormonen uit cerebrale klierzones: migratie via
(minder belangrijk) hersenvocht tussen verschillende zones
• Transport: secundair ten opzichte van mechanische bescherming en
drijfkracht
Normaal aspect • Helder aspect, zoals bronwater
• Afwijkend aspect: niet normaal (dus als geen helder bronwater is)
3
, HERSENVOCHTPUNCTIE
• Normaal einde ruggenmerg: conus medullaris op discusniveau L1–L2
• Vanaf dit niveau: filum terminale (start op l1-2) en wortels van de
Lumbale punctie cauda equina
• Lumbaalpunctie en epidurale punctie: onder L2
• Voorkeursniveau L4–L5: doorgaans grootste en gemakkelijkste
venster (zeker onder L1-2)
• Inspectie op aangeboren litteken, afwijkende of vertakte bilnaad,
huidaanhangsel, abnormale beharing en vaattekening
Inspectie vóór • Mogelijke aanwijzingen voor spina bifida → eerst verder nagaan bij
punctie een niet-dringende punctie
• Spina bifida: mogelijk lager eindigend ruggenmerg → verkeerde
inschatting van de positie → risico op “ruggenmergpunctie”
• Punctie middellijn tussen C0 en C1, net onder het foramen magnum
Suboccipitale punctie • Relatief brede liquorruimte
• Zelden toegepast, alleen als lumbaal puncteren niet mogelijk is
4