Biologen bestuderen biologische systemen en processen op verschillende
organisatieniveaus of biologische eenheden (zie afb. 1).
Afb. 1 Organisatieniveaus (biologische eenheden) in de biologie
Biologische eenheden (organisatieniveaus)
Organismen bestaan uit biologische eenheden (organisatieniveaus). Er is een
verband tussen de vorm en de functie van die biologische eenheden. De
biologische eenheden waar organismen uit bestaan van klein naar groot:
Binas: 71C molecuul kleinste deeltje van een stof dat nog de eigenschappen van die stof
SD: 16.3 heeft bijv. DNA
organel deel van een cel met een bepaalde functie; is meestal omgeven door
een membraan bijv. de celkern met het kernmembraan
Binas: 82D cel kleinste zelfstandig functionerende biologische eenheid van een organisme
SD: 23.1 bijv. een levercel
Binas: 80B-E
weefsel groep van een of meer verschillende celtypen met een
SD: 18.1- 6 gemeenschappelijke functie bijv. zenuwweefsel bevat neuronen en gliacellen
- Bij veel weefsels komt tussencelstof voor tussen de cellen
- tussencelstof wordt afgescheiden door de cellen
- de samenstelling van de tussencelstof hangt samen met de functie
van het weefsel bijv. collageen in bindweefsel, kraakbeen en been en
cellulose in celwanden van planten
Pagina 1 van 68
,Binas: 84C orgaan deel van een organisme met een bepaalde functie; is opgebouwd uit
SD: 20.3 verschillende weefsels bijv. het hart
orgaanstelsel organen die samen een bepaalde taak verrichten bijv. het
Binas: 82C
verteringsstelsel
SD: 22.1
organisme een levend wezen of individu dat zich met een eigen stofwisseling in
stand kan houden
- organismen kunnen uit één of meer cellen bestaan bijv. een gistcel
bestaat uit één cel en een kat uit meer cellen
- organismen vertonen levensverschijnselen bijv. groei, voortplanting en
stofwisseling (chemische reacties in een cel)
- organismen hebben een levensloop: opeenvolgende levensfasen vanaf
het ontstaan tot de dood van een organisme
De organisatieniveaus (biologische eenheden) waarop biologen groepen organismen
kunnen bestuderen zijn:
populatie een groep individuen van dezelfde soort die in een bepaald gebied
leeft en zich onderling voortplant
- soort organismen die zich onderling voortplanten en daarbij vruchtbare
nakomelingen krijgen
- levenscyclus alle individuen van een soort doorlopen dezelfde
levensfasen tijdens hun levensloop
levensgemeenschap alle verschillende populaties die in een gebied samenleven
ecosysteem een natuurlijk systeem in een min of meer begrensd gebied dat
ontstaat door de wisselwerking tussen een levensgemeenschap en de niet-
levende natuur
systeem aarde: alle ecosystemen op aarde
Emergente eigenschap
Op elk hoger organisatieniveau komen nieuwe eigenschappen voor:
emergente eigenschap op een hoger organisatieniveau ontstaat een
eigenschap die er op het lagere organisatieniveau niet is
- ademhaling is een eigenschap van het organisatieniveau organisme
- het ademhalingsstelsel (orgaanstelsel) heeft ook het spierstelsel,
zenuwstelsel, bloedvatenstelsel en beenderstelsel nodig om te kunnen
ademhalen
interactie biologische eenheden reageren op elkaar en op de invloeden uit het
milieu
Prokaryoten en eukaryoten
Organismen kun je indelen in:
prokaryoten organismen zonder celkern
- bacteriën en archaea zijn prokaryoten
eukaryoten organismen met celkern
- schimmels, planten en dieren zijn eukaryoten
Pagina 2 van 68
, Bouw van een dierlijke eukaryote cel:
Binas: 79D celmembraan structuur die de cel omgeeft waardoor de omstandigheden in
SD: 14.4 het interne milieu kunnen worden gehandhaafd
- bestaat uit een dubbele laag fosfolipidemoleculen met:
- hydrofiele koppen (polaire fosfaatgroepen) die worden aangetrokken
door water en goed oplossen in water
- hydrofobe staarten (apolaire vetzuurketens) die waterafstotend zijn en
niet goed oplossen in water
- bevat eiwitmoleculen (transporteiwitten) die de opname en afgifte van
stoffen mogelijk maken
- bevat receptormoleculen (eiwitten of koolhydraten) die signalen opvangen
- is semipermeabel (selectief permeabel): laat watermoleculen wel door
maar opgeloste stoffen niet
grondplasma water met opgeloste stoffen
cytoplasma (celplasma): grondplasma met organellen
Organellen zijn delen in de cel met een bepaalde functie. In cellen van eukaryoten
Binas: 79B-D (zie afbeelding 2):
SD: 14.1-4 celkern een bolvormig organel dat is omgeven door het kernmembraan en
bevat kernplasma
- transport kan plaatsvinden door kernporiën in het kernmembraan
- bevat chromosomen DNA gewikkeld rond eiwitten
- in het kernlichaampje worden ribosomen gemaakt
ribosoom bolvormig organel dat eiwitten (aminozuurketens) maakt
- heeft geen membraan
- komt voor op het endoplasmatisch reticulum en vrij in het cytoplasma
endoplasmatisch reticulum (ER) netwerk van dubbele membranen met
holten en kanalen dat aansluit op het kernmembraan; twee typen:
- op het ruw endoplasmatisch reticulum (RER) liggen ribosomen
- RER verpakt en transporteert eiwitten in blaasjes
- op het glad endoplasmatisch reticulum (GER) liggen geen ribosomen
- GER heeft een functie bij de opslag, productie en afbraak van stoffen in
de cel
golgisysteem gestapelde membranen in het cytoplasma
- neemt blaasjes afkomstig van het endoplasmatisch reticulum op
- verpakt eiwitten die na bewerking hun uiteindelijke vorm hebben in
blaasjes
- produceert lysosomen
lysosomen blaasjes met enzymen die stoffen kunnen afbreken
- blijven na afsnoering in de cel
mitochondriën ovaalvormige organellen met dubbele membranen
- het binnenmembraan is sterk geplooid
Pagina 3 van 68
, - door verbranding van glucose met zuurstof produceren ze met behulp van
het enzym ATP-synthase het energierijke molecuul ATP
(adenosinetrifosfaat) in de binnenmembranen
cytoskelet netwerk van eiwitvezels
- hierdoor behouden cellen hun vorm
- houdt de organellen op zijn plaats
- hierdoor kunnen cellen van vorm veranderen; sommige celtypen kunnen
zich verplaatsen of voedsel insluiten met schijnvoetjes (uitstulpingen van
het cytoplasma)
- motoreiwitten zijn eiwitten die het cytoskelet gebruiken om blaasjes en
organellen door de cel te transporteren
ciliën (trilharen): uitstulpingen van het cytoskelet met eiwitvezels
- kunnen signalen uit het milieu waarnemen en doorgeven aan de cel
- dienen voor de voortbeweging van een cel of om stoffen in het externe
milieu te verplaatsen bijv. voedsel of slijm
flagel (zweephaar): uitstulping van het cytoskelet met eiwitvezels
- dient voor de voortbeweging van een cel
Afb. 2 Een dierlijke cel.
Binas: 79C
SD: 14.1, 3
1 = kernlichaampje
2 = kernmembraan
3 = ribosoom
4 = ruw endoplasmatisch reticulum
5 = golgisysteem
6 = celmembraan
7 = glad endoplasmatisch reticulum
8 = mitochondriën
9 = lysosoom
10 = cytoplasma (celplasma)
Pagina 4 van 68